Harold
Drost
Home ► Andere columns ►
Columns over Interstitiële Cystitis (IC
of BPS)
Een zeldzame
ziekte
Er bestaat in
Nederland een groep mensen die lijdt aan Interstitiële Cystitis (IC) ook wel
het Blaas Pijn Syndroom (BPS) genoemd. Geschat aantal: ± 1500 personen.
Kenmerken: een grote, bijna onbedwingbare drang tot plassen, zeer vaak naar de
w.c. moeten (van 20 – 40 keer per dag) en ernstige pijn. Men veronderstelt dat
het een auto-immuunziekte is, maar de oorzaken zijn nog niet gevonden. Het
gevolg van de ziekte is: een ‘poreuze’ blaasslijmwand (vaak met zweertjes) waar
de zure urine op ‘invreet’ zodat de ernstige drang en pijn ontstaan. Dikwijls
wordt de diagnose IC pas na jaren gesteld bij patiënten omdat de ziekte bij
zowel huisartsen als specialisten/urologen nog een grote mate van onbekendheid
heeft. Maar ook mensen die aan de ziekte lijden, hebben - zeker in het
beginstadium - geen idee dat ze IC hebben. IC heeft een progressief verloop,
het wordt op den duur steeds erger en kan zich uitbreiden naar de nieren e.a.
IC komt geregeld voor in samenhang met andere auto-immuunziekten van bijvoorbeeld
de darmen. Er zijn medicijnen en blaasspoelingen die de ziekte kunnen ophouden
of de pijn dragelijker maken. Maar voor veel langdurige patiënten werkt IC
invaliderend, zowel lichamelijk als geestelijk. Men gaat er niet aan dood, maar
IC vermindert de kwaliteit van het leven in toenemende mate.
Voor het blad
Aquarius van de IC-patiëntenvereniging
schreef ik tot nu toe een zestal columns die illustreren met welke problemen
mensen met deze ‘zeldzame’ ziekte te kampen hebben in hun dagelijkse leven.
Nieuw

Artsen zijn net gewone
mensen. Ze hebben dezelfde persoonlijkheidskenmerken als andere mensen in de
samenleving. Extravert, opgeruimd, communicatief of introvert, weinig
spraakzaam, maar betrouwbaar, enz. Je hebt er botteriken bij, maar ook artsen
die goed luisteren en zich kunnen inleven in jouw situatie. Laatst moest ik
daaraan denken toen ik in het ziekenhuis weer eens een nieuwe specialist voor
mijn neus kreeg. Helaas een ‘no-nonsense- type’. U als lezer en IC-patiënt zou
misschien blij zijn met zo’n recht-voor-zijn-raap-figuur, die geen blad voor
zijn mond neemt. Ik niet! Ik houd niet van dit soort artsen dat de wijsheid in
pacht denkt te hebben en vanuit een ivoren
ik-weet-het-veel-beter-dan-jij-torentje je hun wil proberen op te leggen.
Na een ongeïnteresseerd ‘hoe gaat het’, mijn
antwoord nauwelijks afwachtend, geeft hij mij (heeft hij mijn dossier
wel gelezen?) dezelfde medicijnen als 10 jaar geleden. Beginnen we nu weer van
voren af aan, met een blanco ziektegeschiedenis?
‘Dokter, deze medicijnen
heb ik 10 jaar geleden al eens geslikt met nul komma nul resultaat. Bovendien
wórd ik er wiebelig, duizelig van,’protesteer ik.
‘Hoe lang hebt u die
medicijnen geslikt?’
‘Twee weken, dokter,
voorzover ik me dat nog kan herinneren’.
‘Ah, zie je daar zit
het hem in, maar twee weken. Om effect te hebben moet u het medicijn
minstens een maand innemen. Ik schrijf een
recept voor 14 dagen voor èn een herhalings-recept, totaal voor een maand dus’.
En met een gemaakt olijke blik voegt hij daaraan toe: ‘Nieuwe bezems vegen het
schoonst. Deze nieuwe dokter doet het anders dan uw oude’.
Ik denk, wat krijgen
we nou? En zeg: ‘Dokter, uw voorganger heeft alle voorhanden zijnde medicijnen
en blaasspoelingen al eens voorgeschreven om mijn IC te onderdrukken, niets heeft
geholpen. U kunt dat allemaal terugvinden in mijn dossier dat voor u ligt.
Waarom dan oude medicijnen?’.
Geërgerd bladert hij
door het dossier. Kijkt dan op alsof hij een ‘aha-erlebnis’ heeft en vraagt:
‘Hebt u al een
psycholoog in de arm genomen?’ De moed zakt in mijn schoenen, ik word niet
serieus genomen, de IC zit alweer ‘tussen de oren’. Ik zit even met mijn mond
vol tanden, de tranen springen me in de ogen.
“Ja, daar wordt u
emotioneel van hè, nu ik het beestje bij de naam noem’, zegt hij trots dat hij
deze meer dan duidelijke lichaamstaal herkent en er naar eigen inzicht een
‘rake’ conclusie aan verbindt.
Ik sla, vernederd als
ik me voel, volkomen dicht, kan me niet meer verweren. Dan zegt hij na even
stil afgewacht te hebben, met een blik op de klok (de 10 minuten van het
consult zijn voorbij): ‘Helaas er zijn nog meer patiënten vandaag. U kunt bij
de receptie een afspraak maken voor over 3 maanden!’ Als ik bij de receptie van
Urologie sta om een nieuwe afspraak te maken mompel ik, me realiserend wat er
gebeurd is, woedend ‘wat een hufter, zeg’. De doktersassistente kijkt me
begrijpend aan en geeft me het receptbriefje voor de medicijnen die ik niet zal
halen en niet zal slikken.
Bij de ingang van het
ziekenhuis hangt een bord: Bij ons staat de patiënt centraal, wij hechten
grote waarde aan een correcte en prettige bejegening van onze patiënten’.
Helaas blijkt dat een oncontroleerbaar streven.
De volgende dag zeg ik
mijn afspraak met dr. Buldog af. Nu heb ik – in een ander ziekenhuis- een schat
van een uroloog, een met mij meelevende man, die goed luistert naar mijn
klachten, met me meedenkt en me volkomen in mijn waarde laat. Zo ging ik van
vernedering naar bejegening!
Nieuw

Vanmorgen de thee bij
het ontbijt laten staan. Ik moet zorgen dat er zo min mogelijk urine in mijn
blaas komt, want ik wil gaan winkelen. Al twee maanden ben ik niet meer uit
huis geweest, bang als ik was om - nou ja, laat ik het maar gewoon zeggen – in
mijn broek te plassen. Die schande, en
dat in een winkel waar Jan en Alleman rondloopt, misschien lopen er zelfs
kennissen. Als een klein kind je plas niet kunnen ophouden, nog afgezien van de
snijdende pijn in mijn blaas, als deze maar enigszins gevuld raakt.
Maar goed, ik wilde
het persé weer eens proberen, ik wilde het huis uit. Vlak voordat ik de deur
uitging, ben ik nog even naar de w.c. gegaan. De supermarkt is hier maar 5
minuten fietsend vandaan.
De fiets op slot
gezet, een winkelkarretje gepakt, de winkel in om snel mijn boodschappenlijstje
af te werken. Ik merk echter al gauw dat sinds ik de laatste keer hier was de
hele winkel anders is ingedeeld. Ik kan veel artikelen niet meteen meer vinden.
Steeds moet ik een winkeljuffrouw vragen waar alles staat. Ze moet wel een
punthoofd van me krijgen of denken dat ik een beginnend Alzheimerpatiënt ben.
Het winkelen neemt zo meer veel tijd in beslag dan het half uurtje dat ik
ervoor had uitgetrokken. En wat ik eigenlijk aankan zonder naar de w.c. te gaan.
Na 40 minutenheb ik
nog niet alle boodschappen in mijn wagentje. Ik vraag de winkeljuffrouw die
vakken aan het vullen is of ik van het personeelstoilet gebruik mag maken. ‘Ik
heb een zwakke blaas’, zeg ik maar.
Direct antwoordt ze:
“Nee, mevrouw daar kunnen we niet aan beginnen, dat moet u echt thuis doen’.
‘Maar ik heb een
zeldzame blaasziekte’, komt er met moeite uit, Interstitiële Cystitis, IC,
Blaas Pijn Syndroom’.
Ik loop vast richting
kassa want daar achter die one way screen spiegel is vast de kantine waar naar
ik vermoed ook een toilet zal zijn. De juffrouw kijkt me niet begrijpend aan:
‘Wat voor ziekte zei u? Maar iedereen kan wel zeggen dat hij een enge ziekte
heeft’.
‘Juffrouw breng me nu
direct naar het personeelstoilet, anders zult u hier de vloer moeten dweilen’,
zeg ik in een uiterste poging om de w.c. te bereiken. Ondertussen zoek ik mijn
ICP-kaartje waaruit moet blijken dat ik echt gebruik moet maken van hun toilet.
Gelukkig vind ik het snel en laat het zien.
De winkeljuf leest het
en zegt: “Ja, dan roep ik er de chef maar even bij’. Ik sta te krimpen van de
pijn. De chef is er in een minuutje, aarzelt nadat hij mijn kaartje gezien
heeft, neemt dan een beslissing: ‘Komt u maar mee’. Hij laat me binnen in de
kantine en wijst me het toilet. Voor mijn gevoel klap ik zowat, de stekende
pijn is niet te harden. Maar ik haal het, op de wc kan ik het laten gaan, de
pijn trekt langzaam weg. Versuft blijf ik even zitten, de stresssituatie staat
in mijn geheugen gegrift: ‘Dit wil ik niet meer meemaken. Gedoemd om thuis te
blijven? Is er iemand die me kan helpen?
De uroloog die mij
behandelt stelde 3 maanden geleden voor om mijn blaas te laten ‘laseren’. Ik
had alles al geprobeerd wat medicijnen en blaasspoelingen betreft. En ….. het
onvoorstelbare is gebeurd. Mijn man en ik hebben een rondreis van een maand in
Vietnam kunnen maken, want het plassen verliep na de behandeling vrij normaal.
Ik sta nog paf dat we het aangedurfd hebben. Maar niemand neemt ons deze
geweldige ervaring meer af!
Nieuw

De huisarts beweerde
maar dat het een blaasontsteking was. Het voorschrijven van antibiotica was
zijn remedie. ‘Ach, ja je kunt niet alles hebben in dit leven, zei hij, de één
heeft een zwak hart, de ander een zwakke blaas. En als ik zou moeten kiezen zou
ik toch liever een zwakke blaas hebben’.
De man nam mijn klachten voor mijn gevoel nooit serieus. Toen ik
wanhopig voor de zoveelste keer bij hem kwam, moest ik lang wachten. Het
spreekuur liep uit, ik moest steeds naar de w.c. en had pijn. Eenmaal binnen in
de spreekkamer kon ik mijn tranen niet meer tegenhouden. Hij zag dat, zei zeer
geïrriteerd: ‘Mevrouw als u zo bent als nu, kunt u beter een nieuwe afspraak
maken op een moment dat u minder labiel bent’. Ik stond perplex: zo’n botte,
onprofessionele bejegening had ik nooit eerder meegemaakt. Ik zocht en vond een
nieuwe empatische, vrouwelijke huisarts. Zij verwees me al gauw naar een
gynaecoloog. Meelevende man, maar na verschillende onderzoeken kon hij niets
bijzonders vinden. Misschien kon een uroloog wat voor me doen veronderstelde
hij en stuurde me door. Nadat ik hem mijn ziektegeschiedenis verteld had en
mijn huidige klachten: pijn, drang en zeer vaak naar de w.c. moeten zag ik hem
fronsen. Alsof hij dacht: ‘Alweer zo’n patiënt met een onvindbare ziekte’. Hij
was duidelijk een type van: eerst zien en dan geloven. Na 5 minuten al deed hij
een poging om mij een psycholoog aan te praten, dan zou ik me vlug beter
voelen. Hij had net zo goed kunnen zeggen: mevrouw de ziekte zit tussen uw
oren. Maar hij voelde niet die drang en pijn, hij hoefde niet 30 keer op een
dag naar het toilet.
‘Maar, zei de
botterik, als u toch een overactieve blaas hebt, kan ik wel iets
voorschrijven. Zonder me echt te
onderzoeken stelde hij een diagnose. Meteen schreef hij een recept uit. Hij gaf
het aan me en zei: ‘Dan zie ik u over een half jaar terug’.
Naar de psycholoog ben
ik niet gegaan, al moet ik wel zeggen dat ik behoorlijk depri werd van die
zogenaamde deskundige artsen met hun schandelijke manier van communiceren. Hun
houding deed mijn toch al niet zo stevige zelfvertrouwen wankelen. Ik raakte
omdat ik nauwelijks meer het huis uit durfde mijn sociale contacten goeddeels
kwijt. Soms begon ik aan mezelf te
twijfelen: maar ik ben toch niet gek, ik voel die pijn, ik heb die lichamelijke
klachten.
Mijn vertrouwen in de
medici daalde tot het nulpunt. Uitgezonderd mijn huisarts. Ik dook in het
alternatieve circuit: acupunctuur, homeopathie, magnetisme, haptonomie, enz. Ik
kreeg veel aandacht en soms hielp het even tegen de pijn en daar was ik blij
mee. Maar uiteindelijk was het resultaat gering. Toen stuitte ik op een artikel
in de krant: ‘Wantrouwen in medici is ongezond’. Ik lees: ‘We zijn niet gebaat
bij wantrouwen in de medische sector. Wantrouwen is geen fijn gevoel, zeker
niet als je voor je eigen voortbestaan bent aangewezen op een arts. Als je je arts wantrouwt dan kun je een andere
arts zoeken. Als je alle artsen wantrouwt, waar moet je dan naar toe, als je
ziek bent?’* ‘Het gaat dus om het vertrouwen in artsen, dacht ik, omdat zij
veel kennis van ziekten en gezondheid hebben. En, dat ze die kennis gebruiken
om patiënten weer gezond te maken of op zijn minst een dragelijk leven te laten
leiden. Als artsen vanuit de arrogantie van hun kennis, klachten en gevoelens negeren
of bagatelliseren, patiënten slecht bejegenen, dan ligt dáár meestal de oorzaak van het
wantrouwen, niet in hun onkunde als medicus. Wantrouwen in medici lost niets
op.
Voor mezelf heb ik de
conclusie getrokken: probeer een arts of specialist te vinden (informeer bij
andere patiënten) die tegen een kritische opstelling kan, die je prettig
bejegent, die voldoende kennis heeft of haalt om een diagnose te stellen, die
je serieus neemt en samen met jou een behandeling aangaat. Die arts is je
vertrouwen waard!’
* Brabants Dagblad 17-11-2009

Het
verliep langs heftige emotionele schokken. Via de huisarts: ‘O, mevrouw dat
hoeft nog niets te betekenen, maar ik stuur u voor de zekerheid naar de uroloog’.
Naar het ziekenhuis, onderzoeken bij de uroloog, foto’s, biopten. Uroloog:
‘Voor zover wij kunnen zien zitten er wat poliepen in de blaas, die zullen we
moeten wegnemen’. Een week later. De assistente van de arts belt op: met spoed
naar het ziekenhuis, afdeling urologie. Gesprek met de uroloog.
Als
een bom valt daar het nieuws: laboratoriumonderzoek heeft uitgewezen dat er
opeenhopingen van kankercellen in de blaas zit, opereren op korte termijn is
noodzakelijk.
‘In
dat geval zullen we een urostoma moeten aanleggen, dus u kunt maar beter zo
spoedig mogelijk een afspraak maken met de stomaverpleegkundige. Zij kan u alle
technische informatie geven over de operatie en de hele procedure daaromheen.
En hoe u verder na de operatie met een stoma kunt leven’. Mijn vriendin en haar
man zaten er op dat ogenblik volkomen verslagen bij. Zoveel onverwachte
informatie ineens, geen tijd om na te denken, laat staan iets te verwerken. De
operatie staat al gepland over tien dagen. En al de gemengde gevoelens: ontkenning
van ‘dit kan toch niet waar zijn’, even later boosheid ‘waarom moet mij dit
overkomen, dat is niet rechtvaardig’ tot een vorm van opluchting ‘maar ik ga in
ieder geval niet op korte termijn dood’. Van een stabiel leven kwam ze terecht
in een chaos van gevoelens. Verwarring. Er staat haar een ingrijpende operatie
te wachten en er moeten allerlei noodzakelijke maatregelen om te herstellen en
met de stoma om te gaan genomen worden. Bij haar kun je wel haast spreken van
een traumatische gebeurtenis.
Bij
mij ging dat toch wel even anders. Dertig jaar IC is een langzaam en op den
duur pijnlijk proces. Pas na twintig jaar wordt de diagnose gesteld en dan
verergert de ziekte zich tot het dagelijkse leven zich beperkt tot het eigen
huis. En dan begint toch langzamerhand de gedachte post te vatten, na ongeveer
alle medicijnen en spoelingen zonder resultaat geprobeerd te hebben, om van de
ellende af te komen. Door de blaas weg te laten nemen en een stoma te laten
aanbrengen. Maar bij mij ging dat langzaam, vooral in emotionele zin. Ik kwam
weliswaar ‘met de rug tegen de muur’ te staan, maar was er al lange tijd op
voorbereid dat het verwijderen van de blaas uiteindelijk de laatste stap zou
zijn. Ik heb kansen gehad om van tevoren veel na te denken over hoe alles zou
gaan, om me voor te bereiden op de operatie, om me te informeren hoe het zou
zijn om met een stoma te leven. Ondanks dat was het een hele ingrijpende
gebeurtenis, ook mentaal. Maar patsboem, je leven op zijn kop….
Een
paar keer per week loop ik even bij mijn vriendin, die herstelt van de
operatie, binnen. Een troostend woordje, een goede raad, mentale ondersteuning
kan ze wel gebruiken.
Licht beneveld
Ons
dagje uit begint met een stralende zon. We besluiten naar Deventer te gaan, in onze
ogen één van de mooiste oude steden in Nederland. Voordat we weggaan, vraag ik:
‘Heb je je medicijnen ingenomen? En voor onderweg je pijnstillers, want die
zijn toch na een aantal uren uitgewerkt?’ ‘Goed dat je het vraagt, ik ben door
al die medicijnen behoorlijk duf in mijn hoofd. Het voelt heel raar, zoiets als
watten in je hoofd, alsof je op een afstandje van jezelf leeft. Je ziet alles
wel en beleeft het ook, maar het lijkt
wel of je het toch niet helemaal meemaakt, zegt mijn echtgenote, maar dat zal
tijdens de rit hopelijk overgaan’. Ze rommelt wat in haar tasje: “Ah, gelukkig,
ik ben de tramadol niet vergeten’.
We
draaien een oprit richting Arnhem op. Gas geven om de snelheid te krijgen van
het verkeer op de hoofdweg, dan invoegen. “Kijk uit! , schreeuwt mijn vrouw
naast me. Ik schrik me rot, kijk snel in al mijn spiegels, maar zie niets
gevaarlijks. De vrachtwagen die voorbij dendert heb ik allang in mijn spiegel
op de tweede rijbaan zien aankomen, met linker knipperlicht aan. Hij geeft me
gelegenheid in te voegen. Blijkbaar ziet zij de truck later dan ik, vlak achter
ons en naast ons opduiken en schrikt zich een ongeluk.‘Ik zit nog na te trillen
van de schrik, het kippenvel staat op mijn armen’, bekent ze enkele seconden
later. Bij Nijmegen blijft een auto voor ons achter een vrachtwagen rijden,
zijn snelheid zakt naar 80 km. Wij moeten inhouden, kunnen even niet passeren.
Mijn vrouw geïrriteerd: ‘Hè, wat een slome rijder zeg, hé man schiet toch een
beetje op’. Direct daarna volgt de afslag die hij neemt.
Halverwege
de rit herinner ik me ongeveer wat de bijsluiter van de tramadol die mijn vrouw
me van de week liet lezen zei: ‘Sufheid, slaperigheid en verminderd
reactievermogen. Rijd geen auto, waarbij oplettendheid geboden is, de eerste
paar weken dat u tramadol gebruikt. Uw rijvaardigheid kan beïnvloed worden en
normaal rijgedrag van weggebruikers kan u irriteren’.
Gelukkig
zit ik achter het stuur en bereiken we zonder problemen het centrum van
Deventer. De stad heeft volgens de folders het grootste plein van Nederland,
overal zijn oude panden in de stad bewaard gebleven. Het is echt een leuke,
hier en daar schilderachtige oude stad, al moeten we wel een kroegentocht
maken: van toilet naar toilet.
Met de rug tegen de muur
Vier uur.
Op de markt komen we kennissen tegen. Maanden niet gezien. Wat leuk om elkaar
te zien, zullen we wat bijpraten? Hoe zijn jullie hier? Met de auto? Ach, kom
dan na het winkelen een borrel drinken. Mijn vrouw kijkt benauwd als we nog
enkele minuten wat ervaringen uitwisselen over de afgelopen vakantie, ze stond
net op het punt een cafeetje in te vluchten om naar het toilet te gaan. Hoewel
ze net thuis was geweest, was de druk en pijn op de blaas al niet meer te
houden. Vlug zeggen we toe bij de kennissen langs te komen, maken ons uit de
voeten en lopen snel de Hema binnen. Ik doe of ik geïnteresseerd ben in
allerlei huishoudelijke artikelen terwijl zij naast de cafetaria het
damestoilet in schiet. Even later lopen we terug naar de auto. Bij de auto zet ik
de boodschappen in de achterbak. Zij geeft me daarna de autosleutels. “Rij jij
maar, we zullen vast moeten stoppen onderweg”. De kennissen wonen in een dorp
verderop, een minuut of tien hier vandaan. Mijn vrouw zet de rugleuning van de
passagiersstoel ver achterover, de druk op haar blaas zo gering mogelijk
makend. Maar na vijf minuten stoppen we in de berm, deuren rechts open en vlug
doet ze een miniem plasje. De voorbij rijdende automobilisten hebben niets in
de gaten. In het dorp aangekomen van onze kennissen: waar wonen ze ook alweer?
We rijden in de wijk rond. Ja en hier kun je niet zomaar een plasje doen, je
zit te kijk, vanuit de huizen kan iedereen je zien. Want de pijn is al gauw
moeilijk meer te houden. De stress die het geeft om weer een plekje te vinden
of het huis van de kennissen maakt het er niet beter op. Gelukkig vinden we hun
huis in de volgende straat. Auto parkeren, aanbellen, hartelijke ontvangst,
maar dan mompelt mijn vrouw een verontschuldiging en vraagt naar de w.c.
Opgelucht stapt ze de woonkamer binnen waar ik al gezellig zit te kletsen met
onze kennissen. Als de vrouw des huizes mijn echtgenote vraagt naar haar I.C.,
houdt ze zich maar een beetje op de vlakte. Want steeds klagen helpt niet.
Bovendien vinden mensen je al gauw iemand die alleen maar klaagt, ze haken af.
Het is de doodsteek voor veel van je relaties. Ze kondigt wel aan dat ze
tijdens het bezoek nog geregeld naar het toilet zal moeten. Dat gebeurt in
anderhalf uur nog zes keer. Echt op ons gemak leggen we tegenwoordig geen
visites meer af.
’s
Nachts ligt mijn vrouw weer te piekeren, kan niet slapen van de pijn, blijft
zich bewegen tussen bed en w.c. Tegen de ochtend slaapt ze dan met
verschillende slaaptabletten enkele uren. Met een hoofd in de wolken, een
zweverig/duizelig gevoel, wordt ze ’s morgens wakker. Wallen onder de ogen en
‘een gezicht van oude lappen’ zijn met make up niet weg te werken. Het maanden
al slecht slapen doet langzaamaan zijn sloopwerk. Gebrek aan concentratie,
vergeetachtigheid en met grote moeite het chagrijn buiten de deur houden en
niet depressief worden zijn aan de orde van de dag. Slaapmiddelen, rustgevers
en zelfs de morfinetabletten houden haar nauwelijks overeind. Met de rug tegen
de muur en na alles al geprobeerd te hebben valt het definitieve besluit: Blaas
eruit! Lotgenoten hadden al blijk gegeven van hun positieve ervaringen
met het verwijderen van hun blaas. Het herstellen van de operatie met volgende
complicaties was een pijnlijke periode. Het vinden van het juiste
STOMA-materiaal kostte nog maanden. Natuurlijk is een STOMA ook niet alles,
maar vergeleken met de voorgaande jaren: wat een verbetering van de kwaliteit
van haar en mijn, ons leven!
Een klein probleem?
Als
een krachtige windvlaag komt ze het huis binnenstormen. Muts van het hoofdje
gerukt , dasje af en jasje op de grond gesmeten. Geen tijd om alles op te
hangen. Spelen, spelen met het speelgoed dat opa en oma in de grote kist
bewaren. Al snel ligt de huiskamer vol met speelgoed. Oma gaat er op een krukje
bij haar drukdoende kleinkind zitten. ‘Kijk dit zijn de playmobile poppetjes
waar je papa vroeger mee speelde en hier is het piepeendje van papa’s broer’.
Vertederd kijkt oma naar haar nu even alleen spelende kleindochter, die geheel
verdiept in haar spel de poppetjes tegen elkaar laat praten.
Dan
vertrekt oma’s gezicht een ogenblik door de pijn in haar blaas, ze moet weer.
Sinds vanmorgen na het opstaan voor de 15e keer.
‘Oma,
waarom kijk je zo boos?’ vraagt Carolientje onverwacht.
Verbaasd
dat een kind van nog geen vier jaar merkt dat er iets met haar is zegt ze: “Oma
is niet boos maar heeft pijn in de buik en dan moet ze naar de w.c’. Ze voegt
de daad bij het woord en gaat voor een minuscuul plasje naar het toilet.
‘Oma,
hebben kinderen ook pijn in hun buik als ze naar de w.c. moeten?’
‘Nee
kind, dat hebben alleen oma’s en soms opa’s, die al een beetje oud zijn’.
‘Opa
heb jij dan geen pijn in je buik als je moet plassen?’
Opa
kijkt op van zijn krant: ‘Nee meisje opa is niet ziek, opa voelt het wel als
zijn blaas vol is en gaat dan naar de w.c. Maar hij heeft geen pijn’.
‘Is
oma dan ziek, opa? ………………Ben jij ziek oma? Ik zie niks aan je en je ligt ook
niet in bed. Als je ziek bent moet je toch in bed liggen?
Wat
een kind in zijn oprechte nieuwsgierigheid en ‘honger om te begrijpen’ niet
allemaal kan vragen. Oma denkt serieus na over wat ze nu het beste kan
antwoorden, maar voelt weer ernstige aandrang: ‘Wacht even Carolientje, oma
gaat eerst weer naar de w.c. Daarna zal ik het uitleggen’.
Carolientje
begint intussen weer te spelen. Ze lijkt alweer vergeten te zijn dat ze oma
iets gevraagd heeft. Maar oma komt er op terug.
‘Oma
heeft pijn die ze bijna altijd voelt’, legt ze uit, dan ben je een beetje ziek
maar ga je niet in bed liggen. Jij
bent wel eens gevallen en hebt je knie geschaafd. Dat weet ik nog van een
poosje geleden. Dan is het vel een beetje van je knie en dat voel je de hele
dag. Mama doet er dan een pleister op’. Aandachtig luistert Carolientje met een
ernstig gezicht. ‘Dan voel je pijn, die gelukkig na een paar dagen over is.
Maar je kunt wel gewoon naar de crèche of logeren of met andere kinderen
spelen, je hoeft niet naar bed. Bij oma is dat ook zo, alleen gaat bij haar de
pijn nooit meer over. Maar weet je, als
jij gezellig bij oma en opa komt spelen, dan vergeet oma vaak een tijdje de
pijn, dan lijkt die wel wat minder erg te zijn’.
Carolientjes
gezichtje vertoont een grote frons en dan met een grote glimlach: ‘Maar oma dan
kom ik toch een poosje jou en opa wonen, dan gaat de pijn vanzelf over’.
Vakantie
‘Is
er nog een plaats vrij aan het gangpad?’ Bij de incheckbalie van Singapore
Airlines zoekt de baliemedewerkster in de computer naar de gewenste plaatsen in
de Boeing 747. Blijkbaar zijn er nog
genoeg stoelen vrij, want ze print de boarding kaarten uit: ‘U zit op de
plaatsen 17 B en C. Plaats C is aan het gangpad. Goede reis’. We zijn op weg
naar Thailand, 11 à 12 uur opgefrommeld in een beperkte ruimte.
‘Ik
dacht dat je altijd bij het raam wilde zitten’, zeg ik tegen mijn vrouw,’om je
hoofd met opblaaskussentje tegen een wand aan te leggen zodat je beter kunt
slapen als we de nacht invliegen’.
‘Tja,
dat zou ik enkele jaren geleden liever gehad hebben, maar…’. Ze maakt haar zin
niet af en zegt: ‘Ik hoef nu niet om de haverklap jou of een medepassagier te
storen, ik loop gewoon meteen naar het toilet’. En zo gebeurt het een keer of
vijftien gedurende de reis. Groot voordeel, de benen worden gestrekt, trombose
krijgt geen schijn van kans. Want ook ik kan zo gemakkelijk even in het
vliegtuig rondlopen.
Als we
in de hal van het hotel in Bangkok aankomen is het eerste waar mijn vrouw naar
zoekt, niet moeilijk te raden, de toiletten. De bordjes met het bekende
mannetje en vrouwtje staan op de deuren rechts achter de receptie.
Gerustgesteld gaat ze zitten in de lounge. Ik haal bij de receptie de sleutel
van onze kamer op, maar moet wachten op hotelgasten voor mij. Intussen
verdwijnt zij achter de deur met vrouwtje.
’s
Middags naar een super groot warenhuis, een kwartiertje lopen van het hotel. De
deuren zoeven automatisch open. Mijn echtgenote zoekt met haar ogen meteen naar
de ‘bewegwijzering’. Gelukkig werken ze in Thailand ook met de bekende
pictogrammen mannetje-vrouwtje, want die ronde letters uit het Thaise alfabet
zijn volstrekt adacadabra voor ons. Voor veel ongeletterde Thailanders trouwens
ook. We volgen de aanduidingen en vinden de toiletten op de hoogste verdieping
bij het restaurant.
Die
nacht droom ik dat mijn vrouw en ik thuis in de woonkamer zijn. De telefoon
gaat.
Kennissen
die bij ons op bezoek zullen komen zijn de weg kwijtgeraakt. Ik zie ze vaag als
door een beslagen ruit bij hun Deux Chevaux, die ze helemaal niet hebben, nooit
gehad hebben zelfs, staan telefoneren bij zo’n rode Britse telefooncel. Mijn
vrouw neemt op: ‘Waar zijn jullie? O, daar. Dan neem je de eerste weg rechts,
je ziet aan je linkerhand een openbaar toilet. Daar rijd je langs. Tweede links
langs een betonnen pissoir. Bij de komende rotonde met een soort manneke Pis
als kunstwerk in het midden, rechtdoor. Ongeveer twee kilometer doorrijden,
denk eraan nergens is een publieke w.c. te bekennen langs de route. Rijd verder
tot je bij een T-splitsing komt. Voor je zie je dan een park met dicht
struikgewas, een ideale plaats om je plas kwijt te raken. Dan ga je …..
Ik word
op dat moment wakker, wankel slaperig en gedesoriënteerd met hoge nood door de
Thaise hotelkamer naar het toilet.
Almachtige
artsen
Ruim
dertig jaar geleden werd onze oudste zoon geboren. In het streekziekenhuis. De
bejaarde gynaecoloog stuurde me op het moment dat hij eindelijk vond dat er
iets moest gebeuren weg uit de verloskamer. Na een lijdensweg van ruim 48 uur,
een uitputtingsslag van jewelste voor mijn vrouw, kwam de baby dankzij een
tangverlossing blauwig en met een enorm punthoofd te voorschijn. IJsberend in
de wachtkamer kreeg ik ’s avonds de ‘droge’ mededeling dat de baby om 10 uur
was geboren. Ik kan me niet herinneren dat er een felicitatie af kon bij de
man. Achteraf had deze arts met zijn trillende handen (Parkinson?) niet meer
mogen functioneren. Maar ja, hoe mondig waren we meer dan 30 jaar geleden.
Doktoren waren toen autoriteiten. Het kwam als patiënt niet bij je op dat de
dokter een verkeerde diagnose stelde en dientengevolge medicijnen kon
voorschrijven die de ziekte niet bestreden. Nee, artsen waren pausen in hun
domein, onfeilbaar.
Ach
en in die jaren erna kwam er een tweede zoon waarvan de geboorte voorspoedig
verliep. En in het jonge gezin was het heerlijk de jongetjes te zien opgroeien.
En dat hun moeder geregeld naar de w.c. moest had niemand in de gaten en ook
zijzelf vond dat nog niet zo’n probleem. Lastig was het soms wel als we een
dagje uit gingen, bij visites en op vakantie. Sluipenderwijs en met het
toenemen van de jaren verergerde de kwaal. De ritten naar Zuid-Frankrijk werden
nu regelmatiger onderbroken om een toilet op te zoeken of gewoon de zoveelste
plas in de vrije natuur te doen. Allerlei handigheidjes kwamen daar aan te pas
om maar niet op te vallen. Dus stond ik als partner van vaak op de uitkijk.
“Nee, even wachten daar komen een paar fietsers aan. Ja nu kan het, ik zie geen
wandelaars meer”. Achter muurtjes, in nissen, tussen struiken, langs de weg met
openstaande autodeuren, in een maïsveld, onder een handdoek aan het strand,
overal verschenen, meestal ook nog zeer kleine natte plekjes.
En
dan na jaren getob, in en uit lopen bij urologen stelde een arts bij haar IC
vast. Een nieuwe reeks behandelingen startte. Alle opeenvolgende
behandelmethoden werden doorlopen, van blaasspoelingen tot neurostimulator,
niets hielp. Wat nu? Vijfentwintig tot vijfendertig keer per vierentwintig uur
naar het toilet gingen haar en in mindere mate mijn leven beïnvloeden.
Geen
moment zal de eerste gynaecoloog aan zijn patiënte gedacht hebben toen hij
(achteraf bezien) blunderend tewerk ging. In zijn tijd telde alleen de
behandelmethode, zijn inschattingen waren boven elke kritiek verheven, vond hij
ongetwijfeld. Als de man echt patiëntgericht te werk was gegaan, had hij
mogelijk niet aan de wieg van de toen nog onbekende ziekte IC/ Blaas Pijn
Syndroom gestaan. Wat had dat haar, ons, een hoop ellende bespaard. Maar is het
wel eerlijk een arts van toen met de bril van het heden op te be(ver)oordelen?
Afleiding
Naast
me ligt ze zachtjes te kreunen en te steunen, keert zich van de ene op de
andere zij om zo comfortabel mogelijk in slaap te komen. Maar als ze net haar
draai gevonden lijkt te hebben hoor ik een diepe zucht van ergernis. Eruit,
naar de w.c.
‘Allemachtig
denk ik, nog geen 5 minuten geleden is ze ook al geweest en een paar minuten
daarvoor ook al’. Als partner zonder IC kan ik me maar moeilijk voorstellen dat
je zo frequent naar het toilet moet. Met mijn verstand weet ik wel dat het zo
werkt bij deze chronische ziekte, maar voelen en daardoor echt begrijpen is
iets anders.
Terug
in bed merkt ze dat ik nog niet slaap. “Het is een afschuwelijk gevoel steeds
die sterke aandrang en pijn in de blaas, het lukt me gewoon niet om in slaap te
komen. Het lijkt wel of de pijn erger is als ik probeer ontspannen in bed te
liggen. Maar ik heb er genoeg van, ik wil nu slapen”. Ze neemt eigenlijk tegen
haar zin een krachtige slaappil in. Ik
hoor haar woelen en opnieuw uit bed stappen voordat ik zelf in slaap sukkel.
Tegen
04.00 uur word ik even wakker. Naast me hoor ik – het lijkt van ver te komen -
licht melodieuze tonen. In de schemer onderscheid ik oordopjes in haar oren.
Draadjes lopen naar de onderkant van het kussen en half onderuit het kussen zie
ik vaag een discman. Ik hoor een tweede geluid dat de ene keer zacht en dan
weer harder is: gesnurk. Diep in slaap. Opgelucht draai ik me op mijn andere
zij, ze slaapt gelukkig eindelijk. Want gebrek aan slaap gedurende langere tijd
sloopt een mens lichamelijk en mentaal. Ik hoef alleen maar aan mijn eigen
gedrag te denken als ik weinig geslapen heb en erg moe ben. Het chagrijn druipt
er dan vanaf. Mijn aanwezigheid is dan voor een ander bepaald geen pretje. Snel
geïrriteerd, gauw boos, niks kunnen hebben.
Maar
naast me ligt dankzij de muziek een schone slaapster. Ik herinner me een
wetenschappelijk onderzoek over chronische pijn, waarover ik pas gelezen heb,
met de titel: ‘Muziek contra pijn’. Met de subtitel: ‘1 uur muziek per dag’.
Drie patiëntengroepen werden vergeleken: zij die eigen muziek mochten horen,
zij die ontspannende instrumentale muziek te horen kregen en zij die niet naar
muziek mochten luisteren.
Voor
en na de studie evalueerden de patiënten hun pijn, depressieve toestand,
handicap en zelfvertrouwen. Conclusie: ‘In beide muziekgroepen verbeterden de
scores na het experiment. Zo daalden de pijnscores met bijna 20 %, de
depressiescores met 25 %, de handicapscores met 18 %, terwijl de
"zelfvertrouwenscore" met 8 % steeg, ongeacht het beluisterde muziekgenre’.
‘De onderzoekers vermeldden er wel uitdrukkelijk bij dat muziek de pijn niet volledig kan
wegnemen en in geen geval de klassieke behandelingen van chronische pijn kan vervangen. Ze kan
wél een perfect veilige aanvulling bieden op die behandelingen. Muziek is immers ongevaarlijk én
goedkoop. Via welk mechanisme muziek
precies verlichting biedt, wisten de auteurs echter niet te ontrafelen’.
Intensief
luisteren naar en genieten van muziek laat je even de pijn vergeten. Zo ook het
zien van een ontroerende film, het spelen met je kleinkind, het fietsen in
prachtige natuur, geconcentreerd bezig zijn met een handwerkje, een gezellige
avond met vrienden doorbrengen. Je geest verzetten.
Mistige dag?
Het
is weer eens zo echte Nederlandse grijze, grauwe dag. Het is al moeilijk op
zo’n dag je ogen open te krijgen, laat staan enigszins op tijd je bed uit te
komen. Je stemming lijkt meteen voor de hele dag bepaald. Het wordt een
‘laat-me-alsjeblieft-met-rust-dag’. Uit bed stappend hoor ik haar: ‘Ik blijf
nog even liggen hoor, vannacht haast niet geslapen van de pijn, ik ben er wel 8
keer uit geweest, ik wordt er bijna depressief van’. Als een zielig vogeltje
ligt ze opgerold in bed. Als ’t al iets was, zakt mijn humeur nu – uit
medeleven meegetrokken in haar onbehagen en onlustgevoelens – tot een graad of
10 onder het vriespunt. Gelukkig zet deze treurnis zich niet letterlijk om in
vorst in de slaapkamer.
Neurobiologen ontdekten halverwege de
negentiger jaren van de vorige eeuw de z.g. ‘spiegelneuronen’. Door de stemming
van de ander wordt er bij jou een ‘knop’ aangezet die deze stemming weerspiegelt.
Als je ziet dat je partner somber is, wordt je zelf acuut door somberheid
overvallen. Dat heet met een mooie term ‘empathische resonantie’. Het kan ook
positief werken. Door lief en troostend voor je treurende partner te zijn
treedt bij haar of hem meteen een ‘troostsysteem’ in werking. Ook dan gaat er
een knop om.
Vanzelfsprekend
dacht ik hier niet meteen aan toen met grote tegenzin mijn bed uit kwam. Maar
na het gebruikelijke ritueel: gordijnen
in de woonkamer open doen, verwarming aan, water opzetten voor een pot thee,
enz. fleurde ik wat op. Zacht klassiek muziekje op de radio aan. Met het
toenemen van de temperatuur in huis verbetert mijn stemming. Omdat ik even op
weliswaar kleine afstand van haar ‘ellende’ ben, lijken de spiegelneuronen hun
werking verloren te hebben. Buiten trekt de mist op, er prikt zelf een
zonnestraaltje door de wolken. Mijn humeur gaat er op vooruit, de somberheid
van de ochtend is weggezakt. Ik maak een ontbijt voor haar en mezelf klaar.
Haal de krant uit de brievenbus. Met een dienblad waarop twee geurende kopjes
thee, een hartige boterham met kaas en tomaat en een jambeschuitje lagen, stap
ik opgewekt de slaapkamer binnen. ‘Goedemorgen lief, hier een heerlijk
ontbijtje om de dag te beginnen’. Dienblad op haar schoot, groot kussen in de
rug, ochtendkus, kleine schouder en nekmassage. Gordijnen open om de zon die
intussen helemaal te voorschijn gekomen is in de kamer binnen te laten. En ja
hoor, de spiegelneuronen doen hun werk. Haar slaperige, wat chagrijnige gezicht
klaart op, een blik van tevredenheid dwaalt over het ontbijt. Het ziet ernaar
uit dat de mistig begonnen dag in een zonnige veranderd is.
Dan
komt in me op: zouden spiegelneuronen voor de gek gehouden kunnen worden? Stel je
staat op met een chagrijnige kop, je loopt naar de spiegel en glimlacht
(weliswaar geforceerd, maar toch) een minuut lang naar jezelf. Leidt dat tot
een stemmingsverbetering? Of is de situatie die je creëert zo absurd dat je in
de lach schiet met hetzelfde effect, een beter humeur? Hoe dan ook maak vaker
positief gebruik van empathische resonantie!