|
|
Home ► E-Books ► PDF-versie ► |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
Contact:
info@rhegie.com |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
Spi.na.zie is net poep |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
Bladwijzers Hoofdstuk 1
٭ Hoofdstuk 2
٭ Hoofdstuk 3
٭ Hoofdstuk 4
٭ Hoofdstuk 5
٭ Hoofdstuk 6
٭ Hoofdstuk 7
٭ Hoofdstuk 8 ٭ |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
Ga je mee naar La.ri.lo? Deel 2 Door Ca.rin van A.ken en Piet Gie.len |
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Voor achtergronden van de methode en kennismakingstestje zie
de website: www.rhegie.com Copyright tekst Carin van Aken en Piet Gielen Copyright opzet met reliëfwoorden Piet Gielen 2006
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Hoofd.stuk 1 Spi.na.zie is net poep |
Luisterversie Overzicht ► |
Als je het overzicht open laat staan, kun je het bij elk hoofdstuk opnieuw gebruiken |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
" Wat een rot.dag " , zegt Pi.ka . " En van.a.vond e.ten we ook nog eens spi.na.zie. Spi.na.zie is net poep. Bah. " " Ik vind spi.na.zie lek.ker " , zegt Ka.pi. “Net groe.ne slag.room”. In.eens gaan hun wip.neu.zen de lucht in. Ze heb.ben dus een plan.ne.tje . Pi.ka is een meis.je. Ze heeft blon.de krul.len en een wip.neus . Ze steekt die neus vaak de lucht in . Ka.pi is een jon.ge.tje . Hij heeft blon.de
krul.len en een wip.neus . Ook hij steekt
die neus wel eens de lucht in .
Een twee.ling
, zeg je? Nee hoor. Dat dacht je maar. Dat den.ken veel men.sen. Van.daag is dit wel han.dig. Dat merk je zo wel. Ka.pi en Pi.ka zijn nog nooit bij el.kaar thuis ge.weest. Ze zijn ook geen fa.mi.lie. Maar bui.ten zijn ze al.tijd sa.men. “We rui.len eerst on.ze broe.ken”, zegt Pi.ka . “Dan on.ze shirts, en dan ook nog on.ze schoe.nen”. spreek uit sjurts Ze moe.ten erg la.chen. “Mijn schoe.nen zijn al.tijd dub.bel ge.strikt”, zegt Ka.pi. “Ik kan wel dub.bel strik.ken hoor”, zegt Pi.ka . “Wat een dom.me jon.gens.schoe.nen heb ik nu aan. Nu moet jij ook nog mijn haar.band om”. “Dat vind ik nou eens leuk”, lacht Ka.pi. Nu is Ka.pi Pi.ka . En Pi.ka is Ka.pi. En nu hoeft Pi.ka van.a.vond geen spi.na.zie te e.ten. Want ze gaan van.daag hun moe.ders en va.ders rui.len. Ze gaan voor een nacht in el.kaars huis wo.nen. Ze gaan eerst naar o.ma Knot, om te kij.ken of die iets in de ga.ten heeft. “Wil.len jul.lie een zacht koek.je of drie”, vraagt o.ma. “Wat ben je toch een knap meis.je met die haar.band om, Pi.ka ”. De ech.te Pi.ka moet zo hard la.chen, dat de tra.nen haar o.ver de wan.gen rol.len. “Je lacht die Pi.ka nu wel uit, Ka.pi. Maar je kunt be.ter je schoe.nen eens goed schoon ma.ken met al die lach.tra.nen.. Het zijn echt van die vui.le jon.gens.schoe.nen, Ka.pi”. Nu moet de ech.te Ka.pi kei.hard la.chen. O.ma is er in.ge.trapt. Of toch niet? “Er is iets “, zegt o.ma. “Hoe komt het ei.gen.lijk dat je na.gels zo schoon zijn, Pi.ka ?” O jee, dat zijn ze ver.ge.ten. De ech.te Pi.ka heeft al.tijd vie.ze na.gels. Ze ver.tel.len o.ma dan wat er aan de hand is. En o.ma helpt ze met de na.gels. De na.gels van de on.ech.te Pika moe.ten vuil wor.den. En die van de on.ech.te Ka.pi moe.ten schoon wor.den, en dat laat.ste is nog het mees.te werk. ”Toi toi kin.de.ren ”, zegt o.ma. En daar gaan ze. Ka.pi gaat nu naar het ge.le huis, waar Pika woont. “Dag Pika, zegt de moe.der te.gen Ka.pi. Hij vindt het in.eens een beet.je eng. Hij kijkt wat ban.gig naar de grond Heel zacht zegt hij: “Daaaag”. Dan hoort hij een zwa.re stem die roept: “Pika, schiet nou op. We zit.ten al aan ta.fel, en we wach.ten op jou.” Kapi loopt naar bin.nen . Hij ziet een vreem.de man aan ta.fel zit.ten. Dat is vast de va.der hier. Wat kijkt hij streng. Kapi durft bij.na niet te gaan zit.ten. “Toe ga ge.woon zit.ten en treu.zel niet zo. Ik weet wel dat je spi.na.zie niet zo lek.ker vindt. Maar dan hoef je nog niet zo te treu.ze.len.” “Ik zal jou een klein schep.je ge.ven”, zegt de moe.der. “Maar dan moet je dat wel he.le.maal op.e.ten.”” Hij gaat snel zit.ten, en heel snel eet hij zijn bord leeg. Kapi schrikt er zelf van. Hij durft niet meer naar de va.der en de moe.der te kij.ken. Hij kijkt voor.zich.tig naar de broek van Pika, die hij aan heeft. Daar heeft hij een klod.der spi.na.zie op ge.knoeid. Het was ook zo lek.ker. “Wie wil er nog een schep.je?” vraagt de moe.der. “Ik”, zegt Kapi. De va.der en de moe.der snap.pen er niks van. Al.le twee kij.ken ze Kapi aan. Kapi be.gint bij.na te hui.len. Je hóéft niet meer te e.ten”, zegt moe.der. ”Je bent zo stil, en nu eet je ook in.eens zo goed spi.na.zie. Wat is er aan de hand?” “Eh,…eh, ik weet het ook niet”, zegt Kapi. Na het e.ten wil hij weg. Kij.ken of hij weer kan rui.len met Pika. Maar daar komt niets van in. Hij moet de va.der hel.pen met af.was.sen. En dan moet hij som.men ma.ken op de com.pu.ter. Spreek uit kom.pjoe.ter Kon hij maar e.ven met Pika msn’ -en. Maar hij weet niet hoe dat hier gaat. En hij durft het ook niet te vra.gen. Een uur la.ter staat Kapi in de bad.ka.mer. De moe.der van Pika wil hem in bad doen. Zijn ge.zicht is vuur.rood van schrik. “Straks ziet ze dat ik geen meis.je ben”, denkt Kapi. “Ik kan wel al.leen in bad”, zegt Kapi. “Dat heb ik vaker ge.hoord, maar daar komt niks van in”, zegt de moe.der. “Zul.ke meis.jes als jij ver.ge.ten al.tijd hun o.ren te was.sen, en de sham.poo uit hun haar te spoe.len. spreek uit sjam.poo Daar gaan we”. Ze neemt Kapi bij de hand. Heel lang.zaam doet Kapi zijn kle.ren uit. Hij be.gint bij.na te hui.len. Als hij de kle.ren uit heeft, weet de moe.der niet hoe ze het heeft. “Maar je bent een jon.ge.tje. Je bént Pika niet. Wie ben jij? En waar is Pika?” “Pika is bij ons thuis. Wij e.ten geen spi.na.zie, en jul.lie wel. En ik vind spi.na.zie juist lek.ker, en Pika niet”, zegt hij zacht. De moe.der moet dan in.eens heel hard la.chen. De va.der komt naar bo.ven om te kij.ken, wat er al.le.maal zo leuk is. Als hij het ver.haal hoort, moet de va.der ook hard la.chen. . Kapi is nu he.le.maal op.ge.lucht, en be.gint te scha.te.ren. Be.ne.den gaat de bel. Hij hoort daar de stem van zijn va.der. De ech.te Pika is er ook bij, maar die heeft niet zo veel praat.jes, als an.ders. Haar ha.ren zijn nat. Ze is ook in bad ge.weest. En ze is toen ook be.trapt. Kapi’s ou.ders moes.ten ook erg la.chen. “Wat heb.ben we toch slim.me kin.de.ren”, zeg.gen ze te.gen de ou.ders van Pika. “Al.leen heb.ben ze bij hun plan.ne.tje niet aan het bad ge.dacht! Daar wa.ren wij ze te slim af.” |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
.
|
Maak je ei.gen te.ke.ning bij dit hoofd.stuk. Of zoek een clip.art.
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Hoofdstuk 1 woordenlijst |
nieuwe woorden |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
af.was.sen |
msn’ -en |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
al.le.maal |
o.ren |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ban.gig |
on.ech.te |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
be.gint |
on.ze |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
be.trapt |
op.e.ten |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
bij.en |
op.ge.lucht |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
broe.ken |
ou.ders |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
com.pu.ter |
rol.len |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
den.ken |
rot.dag
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
dom.me |
rui.len |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
dub.bel |
scha.te.ren |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ga.ten |
schep.je |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ge.dacht |
sham.poo |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ge.knoeid |
slag.room |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ge.strikt |
slim.me |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ge.ven |
snap.pen |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
groe.ne |
som.men |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
haar.band |
spoe.len |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
han.dig |
strik.ken |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Hoofd.stuk |
treu.ze.len |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
in.eens |
treu.zel |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
in.ge.trapt |
van.a.vond |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
in.sme.ren |
vie.ze |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
jon.gens.schoe.nen |
vra.gen |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
kei.hard |
vreem.de |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
kle.ren |
vui.le |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
klod.der |
vuur.rood |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
klod.der.tje |
wach.ten |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
koek.je |
wan.gen |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
laat.ste |
was.sen |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
lach.tra.nen |
wo.nen |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
lang.zaam |
za.ten |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
lek.ker |
zit.ten |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ma.ken |
zul.ke |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
meis.je |
zwa.re |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Hoofd.stuk 2 Ko.nink.lij.ke ho.ning
|
Luisterversie Overzicht ► |
Als je het overzicht open laat staan, kun je het bij elk hoofdstuk opnieuw gebruiken |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
In de tuin van
o.ma Knot staat een fleu.ri.ge
ka.bou.ter. Hij heeft gras.groe.ne slof.fen aan, een rood t-shirt en een blau.we kuit.broek. spreek uit tie-sjurt Hij heeft
een ra.re muts op zijn hoofd, net een bij.en.korf. De muts is knal.geel, O.ma heeft
hem ge.breid. De ka.bou.ter is er a.pe.trots op. Kapi en
Pika stap.pen de tuin in. De ka.bou.ter neemt zijn hoed af als een ech.te heer. Kapi en
Pika we.ten niet wat hen o.ver.komt “Wel.kom”,
zegt hij. “U ook “,grin.nikt Kapi Kapi en
Pika bui.gen hun wip.neu.zen
naar be.ne.den, want de ka.bou.ter is erg klein. “Waar.om
heeft u niet ge.woon een punt.muts op?”, vraagt Pika
nieuws.gie.rig. “Tja dat is
een heel ver.haal”, zegt de ka.bou.ter. Hij wrijft
eens o.ver het blaad.je, dat op zijn
neus ge.plakt zit. “Heeft dat blaad.je
op uw neus soms ook
met het ver.haal te ma.ken?”, vraagt
Kapi. “Wel ze.ker, ik zal
het jul.lie al.le.maal
ver.tel.len”, zegt hij. “Ga zit.ten,
en plak ook eens een blaad.je van die klei.ne
struik op je neus”. Dat doen ze
maar al te graag. Met een klod.der.tje spuug plak.ken
ze het blaad.je vast. En de wip.neu.zen gaan met blaad.je
en al om.hoog. De ka.bou.ter be.gint te ver.tel.len. “Ach.ter
in de tuin van o.ma Knot staat een bij.en.korf. Ik ben erg be.vriend met
de bij.en. Dat komt om.dat ik op
een keer het le.ven van de bij.en.ko.nin.gin
heb ge.red”. De
ka.bou.ter steekt trots zijn punt.baard.je om.hoog. “Ik heet trou.wens
Kol.lor”, zegt hij. “Aan.ge.naam.” “De Ko.nin.gin was
toen erg ziek. Ze was zo
plat als een eu.ro.cent. Ze was on.der de neus
van a.gent Blom te.recht ge.ko.men. Jon.ge a.gent Blom is na.me.lijk erg nieuws.gie.rig. Hij is ook
een ech.te
suf.ferd, en hij doet
vaak dom.me din.gen. Hij wil.de
wel eens we.ten, hoe zo’n bij.en.korf er van bin.nen uit ziet. Daar.om stak hij zijn neus er.in. Bo.ven.op
de Ko.nin.gin. De bij.en schrok.ken
er vre.se.lijk
van. En.ke.len
sta.ken van schrik in Bloms neus. Blom be.gon
te krij.sen als een po.li.tie.si.re.ne. En zijn o.gen draai.den
als blau.we zwaai.lam.pen. Hij ren.de hard
weg. O.ma Knot
moest na.tuur.lijk weer te hulp schie.ten. En de neus
met een dik.ke klod.der zalf in.sme.ren. In.tus.sen
za.ten de bij.en met een plat.te Ko.nin.gin. Zoe.men was er niet meer bij. Hun vleu.gel.tjes hing.en be.droefd naar be.ne.den. Ze wis.ten
zich geen raad. Bij.en kun.nen nu een.maal niet zon.der een Ko.nin.gin
le.ven. Wat te
doen? De Ko.nin.gin moest gauw be.ter wor.den. Maar hoe? Zelfs de slim.ste bij.en wis.ten
niet , hoe ze de Ko.nin.gin moes.ten hel.pen. Op een dag kreun.de
zij: “Al.leen ko.nink.lij.ke ho.ning kan mij hel.pen”. De bij.en de.den hun ui.ter.ste best om de ko.nink.lij.ke ho.ning te vin.den. El.ke dag trok.ken zij er.op uit maar ze von.den
geen drup.pel ko.nink.lij.ke ho.ning.” De
ka.bou.ter pau.zeer.de
e.ven. “Op een dag
rust.te ik toe.val.lig
uit bij de.ze boom. Ik hoor.de
een bij.tje zin.gen. “O, ge.ne.zen.de ko.nink.lij.ke ho.ning. Wel.ke bloem is uw wo.ning? O gou.den nec.tar, u wordt ge.zocht door el.ke bij en el.ke dar.” Ik vroeg: “Bij.tje,
waar.om zing je toch zo’n droe.vig zoem.lied?” Toen hoor.de
ik dus wat er aan de hand was. Ik ver.tel.de hem van de nacht.geur. Dat is de
naam van een prach.ti.ge
bloem. Je ruikt
die bloem al.leen ’s nachts. Hij geurt zo heer.lijk. als.of er wel hon.derd re.gen.boog.jes door je
neus wan.de.len. En die lek.ke.re geur komt van de …” “Ko.nink.lij.ke ho.ning”, roe.pen Kapi en Pika te.ge.lijk. “Pre.cies”,
ant.woordt ka.bou.ter Kol.lor trots. “Ik wees de
bij aan, waar de nacht.geur stond. De
Ko.nin.gin was bin.nen
en.ke.le
da.gen weer de ou.de, dat snap je wel. Al gauw zat
ze weer lek.ker rond op haar ko.nink.lij.ke …” “Kont”, roe.pen
Kapi en Pika te.ge.lijk. “Ik be.doel.de, op haar gou.den ho.ning.raat.troon”. “Heb.ben de bij.en u nog be.dankt?”
, vra.gen Kapi en Pika. “Ja ze.ker. Na
een week mocht de Ko.nin.gin van de bij.en dok.ter
weer naar bui.ten. Ze kwam met
al haar bij.en naar me toe. Ik plak.te
vlug een bloem.blaad.je
op mijn neus. An.ders zou.den
ze schrik.ken van mijn neus, en me prik.ken. Net als a.gent Blom. De bij.en zon.gen spe.ci.aal voor mij het
ko.nink.lij.ke zoem.lied. Dat wordt al.leen bij spe.ci.a.le ge.le.gen.he.den tot klin.ken ge.bracht. En ik kreeg
een schil.fer.tje
van de ho.ning.raat.troon in een doos.je. O.ma Knot was erg trots op mij. Ze brei.de spe.ci.aal voor mij de.ze muts, in de vorm
van een bij.en.korf. Ik ben er
heel blij mee. Ik hou veel
van kleur. Daar.om heet ik ook Kol.lor. Die naam ken.de
mijn moe.der van een was.poe.der. Sinds de ge.beur.te.nis.sen
hier, kom ik vaak
te.rug voor een praat.je. Met de
bij.en ,en met oma Knot. Kapi en
Pika vin.den het een mooi ver.haal. “Mis.schien
wil oma Knot voor ons ook wel
zo’n muts brei.en”, zeg.gen ze te.gen el.kaar. “Dan kun.nen
wij ook eens een praat.je ma.ken met de bij.en .. Als oma la.ter al.leen in de
tuin is, geeft ze
ka.bou.ter Kol.lor een knip.oog.je. “Ik brei
voor hen ook een bij.en.korf.muts”, zegt ze.
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
Maak je ei.gen te.ke.ning bij dit hoofd.stuk. Of zoek een clip.art.
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Hoofdstuk 2 |
woordenlijst |
nieuwe woorden |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
a.pe.trots |
ge.le.gen.he.den |
prik.ken |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
aan.ge.naam |
ge.ne.zen.de |
punt.baard.je |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ach.ter |
ge.plakt |
punt.muts |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
als.of |
ge.red |
re.gen.boog.jes |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
be.dankt |
ge.zocht |
ren.de |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
be.doel.de |
gou.den |
rust.te |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
be.droefd |
gras.groe.ne |
schil.fer.tje |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
be.gon |
grin.nikt |
schrik.ken |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
be.vriend |
heer.lijk |
schrok.ken |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
bij.en.ko.nin.gin |
hing.en |
slim.ste |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
bij.en.korf |
ho.ning |
slof.fen |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
bij.en.korf.muts |
ho.ning.raat.troon |
spe.ci.aal |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
bij.en.korf.muts.en |
hon.derd |
sta.ken |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
bij.tje |
hoor.de |
stap.pen |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
blaad.je |
ka.bou.ter |
suf.ferd |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
blau.we |
ken.de |
toe.val.lig |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
bloem.blaad.je |
klin.ken |
trok.ken |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
bo.ven.op |
knal.geel |
trou.wens |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
brei.de |
knip.oog.je |
t-shirt |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
brei.en |
Ko.nin.gin |
ver.tel.de |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
bui.gen |
ko.nink.lij.ke |
vleu.gel.tjes |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
da.gen |
Kol.lor |
von.den |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
de.den |
kreun.de |
was.poe.der |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
din.gen |
krij.sen |
we.ten |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
doos.je |
kuit.broek |
wel.kom |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
draai.den |
lek.ke.re |
wil.de |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
droe.vig |
mis.schien |
wis.ten |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
drup.pel |
na.me.lijk |
wo.ning |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
een.maal |
nacht.geur |
zeg.gen |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
el.ke |
nec.tar |
zin.gen |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
en.ke.le |
nieuws.gie.rig |
zoe.men |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
en.ke.len |
o.ver.komt |
zoem.lied |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
eu.ro.cent |
pau.zeer.de |
zon.der |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
fleu.ri.ge |
plak.te |
zon.gen |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ge.beur.te.nis.sen |
plat.te |
zwaai.lam.pen |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ge.breid |
po.li.tie.si.re.ne |
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Hoofd.stuk 3 De oud.ste boom ziet het niet meer zit.ten |
Luisterversie Overzicht ► |
Als je het overzicht open laat staan,
kun je het bij elk hoofdstuk opnieuw gebruiken. |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
In La.ri.lo, mid.den op het plein, staat een stok.ou.de boom. Hij zit nog
vol met bla.de.ren. De.ze boom is wel dui.zend jaar oud. Hij is heel
groot en dik. Je kunt er
wel met zijn tie.nen om.heen staan. Er is iets bij.zon.ders met de.ze boom. Hij geeft ie.der kind
van La.ri.lo
een leu.ke droom, ie.der.e
week. Zo zijn de kin.de.ren van La.ri.lo al.tijd vro.lijk. De ou.de boom is
ook heel wijs. De bur.ge.mees.ter komt hem soms om goe.de raad vra.gen. En als de kin.de.ren te wild zijn in de klas, vra.gen de le.ra.ren
hem ad.vies. Daar.om loopt al.les in La.ri.lo
op rol.le.tjes. De vo.gels heb.ben
het ge.mak.ke.lijk. De boom ver.telt
ze pre.cies, wan.neer ze ei.tjes moe.ten leg.gen. Hij zit al.tijd vol
met vo.gels. Nie.mand van La.ri.lo
kan hem mis.sen. Het is eind
no.vem.ber.
De eer.ste
sneeuw ligt er al in La.ri.lo. Maar er is
iets geks met de ou.de boom. Hij zit nog
vol met bla.de.ren. Nor.maal strooit hij die in de herfst ge.woon
weg. Je kunt dan
in die ho.pen bla.de.ren
leuk ver.stop.per.tje spe.len. De men.sen snap.pen
er niets van. Er ligt nog
geen blaad.je op de grond. Ie.der.een
van La.ri.lo gaat el.ke dag e.ven bij de boom kij.ken. Je zou bij.na den.ken
dat hij ziek is. Ook dok.ter Prik.graag
denkt dat. Daar loopt
hij al met zijn ste.thos.coop
naar het plein. “Al.le.maal stil we.zen, an.ders kan ik niks ho.ren”, zegt hij. Hij houdt
de ste.thos.coop
te.gen de dik.ke stam. “Er zit.ten
geen wa.ter.pok.ken of ma.ze.len op de bast. En ik hoor ook geen ge.ro.chel of zo. Een spui.tje helpt hier echt niet. Het zal wel met de boom.geest
te ma.ken heb.ben. Mis.schien is de boom moe en ver.drie.tig. In ie.der geval is
het een ern.stig pro.bleem. De kin.de.ren heb.ben ook al twee we.ken geen leu.ke
droom meer ge.had.” “Ik droom
niet meer leuk”, zegt Kapi. “Ja,
al.leen maar a.ke.li.ge dro.men”, zegt Pika. “Ik durf bij.na
niet meer te gaan sla.pen.” Zo is het
nu met al.le kin.de.ren
van La.ri.lo. De va.ders
en moe.ders wor.den er lang.za.mer.hand he.le.maal
krie.be.lig
van. De bur.ge.mees.ter kijkt be.zorgd. Hij heeft
stress. Wie moet
hij nu om raad vra.gen? Ie.der.een
in het ge.meen.te.huis heeft ru.zie. Dat komt om.dat ze al.le.maal dood.op zijn van de on.rus.ti.ge nach.ten van de kin.de.ren. De ver.ga.de.rin.gen
wor.den een puin.hoop. Ze ver.ga.de.ren tot ‘s
a.vonds laat. Maar ze kun.nen
het nooit eens wor.den. En ‘s mor.gens
zijn ze niet goed wak.ker. De vo.gels zijn
ook erg in de war. Ze vlie.gen
met tak.jes in het rond. Ze gaan een
nest.je bou.wen. Ter.wijl het al bij.na win.ter is. De ou.de boom be.moeit
zich er he.le.maal
niet mee. Dat zou hij
an.ders wel doen. Hij zou het
ver.bie.den, als de vo.gels dom.me din.gen
doen. “Als ze nou
maar geen ei.tjes gaan leg.gen”, zegt de ou.de a.gent Jo.per.mans be.zorgd. “Straks wor.den
de jon.ge vo.gel.tjes
snip.ver.kou.den. Of ze be.vrie.zen.” Ie.der.een
in La.ri.lo wordt steeds ze.nuw.ach.ti.ger. Al.les staat op zijn kop. En het gaat
zo maar door. A.gent Blom ver.geet de si.re.ne van de po.li.tie.wa.gen uit te zet.ten. Dat geeft
een ka.baal van je.wel.ste
in La.ri.lo. De bak.ker
laat voort.du.rend
brood aan.bran.den. De brand.weer
is al drie keer voor niets uit.ge.rukt naar de bak.ke.rij. Op school
is het ook niet leuk meer. De on.der.wij.zers zijn he.le.maal tureluurs van de druk.ke kin.de.ren. Al.les is af.ge.schaft. Ook de kring.ge.sprek.ken. De
kin.de.ren moe.ten de he.le dag de ta.fel van drie
op.zeg.gen. Ook de hoog.ste
klas. Bij gym.nas.tiek mo.gen ze al.leen maar hup.pen. Nou ja zeg. Het is al.le.maal heel ver.ve.lend. Al.leen in
het huis.je van Oma Knot is al.les rus.tig. Want oma is
op va.kan.tie. Van.daag komt ze trou.wens te.rug. Als ze daar
maar geen spijt van krijgt, want ze
weet nog van niets. Daar komt
de bus van drie uur. Hij stopt
bij het plein. Oma stapt
uit. Ze ziet me.teen
dat er iets niet klopt in La.ri.lo. Met de kof.fers
in de hand loopt ze naar de boom. Ze wordt nog
bij.na om.ver ge.re.den door a.gent Blom. Die kan nog
net uit.wij.ken, en knalt
dan te.gen een lan.taarn.paal. “Het komt al.le.maal door die stom.me
boom”, mop.pert hij. “Hij heeft
last van zijn boom.geest, en daar.door
staat heel La.ri.lo op zijn kop.” “Wat zijn jul.lie
toch een stel.le.tje
suk.kels”, zegt Oma. “Die boom
heeft er de ba.len van. Dat kun je
zo wel zien. Als je al dui.zend
keer je blaad.jes hebt la.ten val.len, dan wil je
ook eens wat an.ders. Dat snapt
een kind. We moe.ten
hem ge.woon een hand.je hel.pen. Een boom is
ook maar een boom. Breng jij
mijn kof.fers maar naar huis, Blom. Dan zal ik dat wel eens gaan re.ge.len.” Oma stapt
op de school af. De
kin.de.ren kun je al van ver ho.ren. 1 x 3 = 3 2 x 3 = 6 3 x 3 = 9 Van.uit de gym.zaal hoort ze: “ Hup hup hup “. “Zo kin.der.beul”, zegt Oma. Dat slaat
op de le.raar, die ze ste.vig
aan zijn kraag trekt. “Kun.nen jul.lie
niet ver.der dan tot drie tel.len? Le.ver mij eens zes maal der.tig kin.de.ren. En zes maal
drie lad.ders. En dat in 2
maal drie tel.len.” Al.le kin.de.ren stap.pen ver.vol.gens
ach.ter oma aan. Op naar het
plein. “We klim.men
met de lad.ders in de boom. En dan kie.te.len maar in de ok.sels on.der de tak.ken. En pluk rus.tig
aan de bla.de.ren. Gooi de bla.de.ren naar be.ne.den. Hup.sa.kee.” Kapi en
Pika klim.men me.teen de lad.der op. Oma zit een
tak ver.der.op. De boom zit
al gauw vol met wel der.tig
maal drie kin.de.ren. Dat heeft
hij nog nooit mee.ge.maakt. Het is een ge.krie.bel van je.wel.ste. De boom schiet
los uit zijn kou.de som.ber.heid, en be.gint
te grin.ni.ken
en te kraai.en van ple.zier. De tak.ken zwie.pen
heen en weer en de
kin.de.ren dei.nen vro.lijk mee. De bla.de.ren vlie.gen in het rond. Het he.le dorp is uit.ge.lo.pen. Het duurt niet
lang meer, voor de boom win.ter.kaal
is. De kin.de.ren zin.gen winterliedjes. De ou.de boom
moet hui.len. Hij ziet
weer hoe fijn het ei.gen.lijk
is op het plein. Hij
kan er weer dui.zend
jaar te.gen. Van.nacht zal hij de kinderen al.le.maal drie leu.ke dro.men ge.ven. En de
va.ders en moeders, die kun.nen
weer eens diep en rus.tig sla.pen.
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
Maak je ei.gen te.ke.ning bij dit hoofd.stuk. Of zoek een clip.art.
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Hoofdstuk 3
|
Woordenlijst |
nieuwe woorden |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
‘s a.vonds |
grin.ni.ken |
nor.maal |
van.uit |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
‘s mor.gens |
gym.nas.tiek |
ok.sels |
ver.bie.den |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
a.ke.li.ge |
gym.zaal |
om.heen |
ver.der.op |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
aan.bran.den |
hand.je |
om.ver |
ver.drie.tig |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ad.vies |
ho.pen |
on.der.wij.zers |
ver.ga.de.ren |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
af.ge.schaft |
hoog.ste |
on.rus.ti.ge |
ver.ga.de.rin.gen |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ba.len |
huis.je |
op.zeg.gen |
ver.geet |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
bak.ke.rij |
hup.pen |
ple.zier |
ver.stop.per.tje |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
bak.ker |
hup.sa.kee |
po.li.tie.wa.gen |
ver.ve.lend |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
be.moeit |
ie.der.een |
Prik.graag |
ver.vol.gens |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
be.vrie.zen |
ijs.stra.len |
pro.bleem |
vo.gel.tjes |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
be.vro.ren |
Jo.per.mans |
puin.hoop |
voort.du.rend |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
be.zorgd |
ka.baal |
re.ge.len |
wa.ter.pok.ken |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
bij.zon.ders |
kie.te.len |
rol.le.tjes |
wak.ker |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
bla.de.ren |
kin.der.beul |
ru.zie |
wan.neer |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
boom.geest |
kof.fers |
si.re.ne |
we.ken |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
brand.weer |
kou.de |
snip.ver.kou.den |
we.zen |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
bur.ge.mees.ter |
kraai.en |
som.ber.heid |
win.ter |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
daar.door |
krie.be.lig |
spe.len |
win.ter.kaal |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
dei.nen |
kring.ge.sprek.ken |
spui.tje |
ze.nuw.ach.ti.ger |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
der.tig |
lad.der |
ste.thos.coop |
zet.ten |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
dok.ter |
lan.taarn.paal |
ste.vig |
zwie.pen |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
dood.op |
lang.za.mer.hand |
stel.le.tje |
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
dro.men |
le.ra.ren |
stok.ou.de |
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
druk.ke |
le.raar |
stom.me |
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
dui.zend |
le.ver |
suk.kel |
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
eer.ste |
leg.gen |
tak.jes |
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ei.tjes |
leu.ke |
tak.ken |
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ern.stig |
ma.ze.len |
tel.len |
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ge.had |
me.teen |
ter.wijl |
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ge.krie.bel |
mee.ge.maakt |
tie.nen |
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ge.mak.ke.lijk |
mis.sen |
uit.ge.lo.pen |
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ge.meen.te.huis |
mo.gen |
uit.ge.rukt |
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ge.re.den |
nach.ten |
uit.wij.ken |
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ge.ro.chel |
nest.je |
va.kan.tie |
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
goe.de |
no.vem.ber |
van.nacht |
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Hoofd.stuk 4 Ro.de pie.ten |
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
Luisterversie Overzicht ► |
Als je het overzicht open laat staan,
kun je het bij elk hoofdstuk opnieuw gebruiken |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Van.daag komt Sin.ter.klaas op de school van La.ri.lo. De kinderen
gaan ver.kleed naar school. Ie.der.een
komt als ‘lieg.beest ‘. En de kinderen gaan al.le.maal een jok.ke.brok.ver.haal
ver.tel.len
aan de Sint. Op de
straat lo.pen twee kinderen. Hun ro.de wip.neus.jes ste.ken in de lucht. Hun ge.zich.ten zijn he.le.maal rood. Dat is niet
van de kou. Nee, ze zijn he.le.maal rood ge.schil.derd. Met de lip.pen.stift van Oma Knot. Ze heb.ben
een pie.ten.pak
aan. Daar gaan ro.de Kapi en ro.de Pika. Twee ro.de lieg.beest.pie.ten. Ze heb.ben
nu al lol. Ze vin.den
het ook een beet.je eng. Een jok.ke.brok.ver.haal
ver.tel.len
aan Sin.ter.klaas. Pika heeft
een bos.je tul.pen in de hand. Die zijn
voor de Sint. Om ne.gen uur zit
de he.le gym.zaal vol met lieg.bees.ten. De kinderen
zin.gen uit vol.le borst sin.ter.klaas.lied.jes. Het is wel
een vro.lijk ge.zicht, al die ver.kle.de kinderen. Daar wordt
op de deur ge.bonkt. En ja hoor,
er ko.men wel tien pie.ten te.ge.lijk
de gym.zaal bin.nen
. Al.le kinderen be.gin.nen
nu Turk.se lied.jes te zin.gen. En.ke.le
kinderen dan.sen er.bij, en zwaai.en
met zak.doek.jes
in de lucht. En weet je
wat? De Sint
danst met ze mee, en hij
zingt de lied.jes ook uit vol.le
borst mee. Er ko.men een
paar tra.nen in zijn o.gen. En weet je
hoe dat komt? De Sint
komt he.le.maal niet uit Span.je. Ie.der.een
die dat zegt, is een lieg.beest. De Sint
komt uit Tur.kij.e. Uit de ou.de stad My.ra, die nu Dem.re
heet. En daar.om
is de Sint blij en ont.roerd, nu hij Turk.se lied.jes
hoort. En dan stap.pen ro.de Kapi en
Pika naar vo.ren. Ze gaan de tul.pen aan.bie.den. “Dit zijn tul.band.bloe.men”, zegt Kapi. “Lieg.bees.ten”, roept de klas. “Dat zijn Hol.land.se tul.pen.” “Ik ge.loof
dat jul.lie zelf lieg.bees.ten zijn”, zegt de
Sint te.gen de klas. “Jul.lie we.ten ze.ker niet
dat tul.pen vroe.ger uit Tur.kij.e
kwa.men. Ik ben er
dan ook erg blij mee. Mijn moeder
vond ze ook heel mooi. Maar ver.tel
eens, hoe ko.men jul.lie
zo rood? Dit is voor
de eer.ste keer dat ik
ro.de pie.ten zie.” Nu moe.ten
zij hun jok.ke.brok.ver.haal ver.tel.len. “Nou”, zegt
Pika: “Wij wil.den
ons ver.kle.den
als zwar.te.piet. Toen was er
een van uw pie.ten ja.loers, en die deed
ro.de verf in de wa.ter.lei.ding bij ons. Het is die
piet daar. Daar.om zijn we nu knal.rood. Het gaat er
niet meer af.” “Dit is
zeer ern.stig”, zegt de Sint. “Die piet
moet in de zak. en mag er voor.lo.pig niet uit”. De ja.loer.se zwar.te.piet wordt spier.wit
van schrik. Dat vindt
hij niet leuk, want hij
wil geen wit mens zijn. Maar de
Sint zegt: “In de zak
jij. Kruip er maar zelf in”. Het wordt muis.stil
in de gym.zaal. Dit was ook
weer niet de be.doe.ling. Ze wa.ren ver.ge.ten, dat de Sint al.tijd ge.looft wat een kind zegt. Kapi en
Pika ge.ven de Sint een hand en gaan te.rug
naar hun plek.je. Ze zijn er
een beet.je be.duusd van. Dan gaat Roe.bie
naar vo.ren. “Waar.om
ben jij van.daag op mijn ver.jaar.dag als elf.je ver.kleed?”, vraagt de Sint. Roe.bie ver.telt haar ver.haal: “Vo.rig jaar kreeg ik van die piet daar po.ë.zie.plaat.jes van elf.jes in de schoen. Het zijn ra.re plaat.jes. Als je ze
in de al.bum plakt, vlie.gen de elf.jes weg. Floeps! En ik vind
ze nooit te.rug. Ik zoek dan
o.ver.al.” “Die piet
moet ook in de zak”, zegt de Sint. E.ven la.ter staat er weer een piet te bib.be.ren in de zak. De vol.gen.de jok.ke.brok is Mir.the. Ook een meis.je. Ze is ver.kleed
als ko.nijn. “Vo.rig jaar
kreeg ik een ko.nijn van die
piet daar met dat groe.ne pet.je. Maar het is
een ko.nijn met de slap.pe lach. Ook ’s
nachts. Wij kun.nen
er niet van sla.pen. Wij heb.ben
het he.le jaar geen oog dicht ge.daan. Mijn o.gen prik.ken he.le.maal
van de slaap.” Het duurt
niet lang, of de piet
met het groe.ne petje zit ook in de zak. Zo gaat het
maar ver.der, tot er ne.gen pie.ten
in de zak.ken zit.ten. Al.le.maal
op een rij. “Wat gek”,
zegt de Sint. “Ik dacht
dat ik met tien pie.ten hier was. Waar is
piet Kees ?” Al.le kinderen zoe.ken nu naar piet Kees. Ze kij.ken o.ver.al, maar hij is
niet te vin.den. “Als we nu
al.le.maal e.ven stil zijn”, zegt de Sint. “Dan kun.nen
we hem mis.schien ho.ren.” En in.der.daad. In de schoor.steen
is een be.nauwd ge.luid te ho.ren. Daar zit
piet Kees dus. Hij durft
er niet uit. Hij heeft schoor.steen.angst ge.kre.gen. En dat voor
een zwar.te.piet. “Wat doe
jij in de schoor.steen, piet Kees?”, vraagt de
Sint. “Ik, ik, ik.ke … wilde
niet in de zak. en nu durf
ik niet meer naar be.ne.den.
“ Tja daar
zit die ar.me piet dan. “Dat is me
wat”, zegt de Sint. “Er is nu
geen en.ke.le
piet meer vrij om ca.deau.tjes
uit te delen. spreek uit: ka.doo.tjes Dat wor.den
dit jaar geen ca.deau.tjes
voor de
kinderen van Larilo.” Ie.der.een
schrikt zich suf. Daar
zit.ten de lieg.bees.ten
van Larilo met hun a.par.te pak.jes aan . Hun mon.den han.gen o.pen. De Sint
moet vre.se.lijk
la.chen. “Dit was
dan mijn jok.ke.brok.ver.haal, ha, ha. “ Al.le pie.ten
uit de zak.ken. En piet
Kees ons to.neel.stuk.je is af. Ze zijn
hier wel wat ge.schrok.ken. Delen
jul.lie zo me.teen de ca.deau.tjes
maar uit. “ Maar eerst klim.men
drie pie.ten in de schoor.steen
op el.kaars schou.der. En ze ha.len piet
Kees naar be.ne.den. Die moet
heel erg la.chen, als hij
weer in de gym.zaal is. “Het was
een mooi jok.ke.brok.ver.haal “ , zegt hij. “Zwarte pie.ten
met schoor.steen.angst. Die be.staan
ge.woon niet.” En wil je we.ten welk ca.deau.tje Kapi en Pika
krij.gen? Ze krij.gen al.le.bei een bij.en.korf.muts. Met een ge.dicht.je van ka.bou.ter Kol.lor er.bij. “Hoe weet
Sint nou wat mijn fan.ta.sie.ver.haal is?”, vraagt Kapi aan Pika. Zou oma
Knot iets ver.klapt heb.ben? |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
Maak je ei.gen te.ke.ning bij dit hoofd.stuk. Of zoek een clip.art.
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Hoofdstuk 4 |
woordenlijst |
nieuwe woorden |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
a.par.te |
jok.ke.brok |
to.neel.stuk.je |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
aan.bie.den |
jok.ke.brok.ver.haal |
tul.band.bloe.men |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
al.bum |
knal.rood |
tul.pen |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
al.le.bei |
ko.nijn |
Tur.kij.e |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ar.me |
lieg.bees.ten |
Turk.se |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
be.doe.ling |
lieg.beest |
ver.jaar.dag |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
be.duusd |
lieg.beest.pie.ten |
ver.klapt |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
be.gin.nen |
lip.pen.stift |
ver.kle.de |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
be.nauwd |
Mir.the |
ver.kleed |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
be.staan |
mon.den |
ver.tel |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
bib.be.ren |
muis.stil |
vo.ren |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
bos.je |
My.ra |
vo.rig |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ca.deau.tjes |
ne.gen |
vol.gen.de |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
dan.sen |
o.ver.al |
vol.le |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Dem.re |
ont.roerd |
voor.lo.pig |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
elf.je |
pet.je |
vroe.ger |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
er.bij |
pie.ten |
wa.ter.lei.ding |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
fan.ta.sie.ver.haal |
pie.ten.pak |
wil.den |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ge.bonkt |
plaat.je |
wip.neus.jes |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ge.dicht.je |
plek.je |
zak.doek.jes |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ge.kre.gen |
po.ë.zie.plaat.jes |
zak.ken |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ge.luid |
Roe.bie |
zwaai.en |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ge.schil.derd |
schoor.steen |
zwar.te.piet |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ge.schrok.ken |
schoor.steen.angst |
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ge.zich.ten |
schou.der |
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
han.gen |
Sin.ter.klaas |
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Hol.land.se |
sin.ter.klaas.lied.je |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||