Home    E-Books                                                                            PDF-versie

 

 

 

 

 

 

Contact: info@rhegie.com

 

 

 

 

 

 

 

Spi.na.zie is net poep

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bladwijzers

 

Hoofdstuk 1  ٭

Hoofdstuk 2  ٭

Hoofdstuk 3  ٭

Hoofdstuk 4  ٭

Hoofdstuk 5  ٭

Hoofdstuk 6  ٭

Hoofdstuk 7  ٭

Hoofdstuk 8  ٭

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ga je mee naar La.ri.lo?

Deel 2

 

 

Door Ca.rin van A.ken en Piet Gie.len

 

 

 

 

Voor achtergronden van de methode en kennismakingstestje zie de website:    www.rhegie.com

Copyright tekst  Carin van Aken en Piet Gielen     Copyright opzet met  reliëfwoorden Piet Gielen   2006

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofd.stuk 1  Spi.na.zie is net poep

 

 

 

 

Luisterversie

Overzicht

 

 

 

 

Als je het overzicht open

laat staan, 

kun je het bij elk hoofdstuk

opnieuw gebruiken

 

 

 

" Wat een rot.dag " , zegt Pi.ka  .

" En van.a.vond e.ten we

ook nog eens spi.na.zie.

Spi.na.zie is net poep. Bah. "

" Ik vind spi.na.zie lek.ker " ,

zegt Ka.pi.

“Net groe.ne slag.room”.

 

In.eens gaan hun wip.neu.zen

de lucht in.

Ze heb.ben dus een plan.ne.tje .

 

Pi.ka  is een meis.je.

Ze heeft blon.de krul.len en een wip.neus .

Ze steekt die neus vaak de lucht in .

 

Ka.pi is een jon.ge.tje .

Hij heeft blon.de  krul.len en een wip.neus .

Ook hij steekt die neus wel eens de lucht in .


Wat ?

Een twee.ling , zeg je?

Nee hoor. Dat dacht je maar.

Dat den.ken veel men.sen.

Van.daag is dit wel han.dig.

Dat merk je zo wel.

Ka.pi en Pi.ka  zijn nog nooit bij el.kaar thuis ge.weest.

Ze zijn ook geen fa.mi.lie.

Maar bui.ten zijn ze al.tijd sa.men.

 

“We rui.len eerst on.ze broe.ken”, zegt Pi.ka  .

“Dan on.ze shirts, en dan ook nog on.ze schoe.nen”.               spreek uit  sjurts

Ze moe.ten erg la.chen.

“Mijn schoe.nen zijn al.tijd dub.bel ge.strikt”, zegt Ka.pi.

“Ik kan wel dub.bel strik.ken hoor”, zegt Pi.ka  .

“Wat een dom.me jon.gens.schoe.nen heb ik nu aan.

Nu moet jij ook nog mijn haar.band om”.

“Dat vind ik nou eens leuk”, lacht Ka.pi.

 

Nu is Ka.pi Pi.ka  .

En Pi.ka  is Ka.pi.

En nu hoeft Pi.ka  van.a.vond geen spi.na.zie te e.ten.

Want ze gaan van.daag

hun moe.ders en va.ders rui.len.

Ze gaan voor een nacht

in el.kaars huis wo.nen.

 

Ze gaan eerst naar o.ma Knot,

om te kij.ken of die iets in de ga.ten heeft.

Wil.len jul.lie een zacht koek.je of drie”, vraagt o.ma.

“Wat ben je toch een knap meis.je

met die haar.band om, Pi.ka  ”.

De ech.te  Pi.ka  moet zo hard la.chen,

dat de tra.nen haar o.ver de wan.gen rol.len.

“Je lacht die Pi.ka  nu wel uit, Ka.pi.

 Maar je kunt be.ter je schoe.nen

eens goed schoon ma.ken

met al die lach.tra.nen..

Het zijn echt van die vui.le jon.gens.schoe.nen, Ka.pi”.

Nu moet de ech.te  Ka.pi kei.hard la.chen.

O.ma is er in.ge.trapt.

 

Of toch niet?

“Er is iets “, zegt o.ma.

“Hoe komt het ei.gen.lijk dat je na.gels zo schoon zijn, Pi.ka  ?”

O jee, dat zijn ze ver.ge.ten.

De ech.te  Pi.ka  heeft al.tijd vie.ze na.gels.

Ze ver.tel.len o.ma dan wat er aan de hand is.

 

En o.ma helpt ze met de na.gels.

De na.gels van de on.ech.te Pika moe.ten vuil wor.den.

En die van de on.ech.te Ka.pi moe.ten schoon wor.den,

en dat laat.ste is nog het mees.te werk.

 

 ”Toi toi kin.de.ren ”, zegt o.ma.

En daar gaan ze.

 

Ka.pi gaat nu naar het ge.le huis, waar  Pika woont.

“Dag Pika, zegt de moe.der te.gen Ka.pi.

 Hij vindt het in.eens een beet.je eng.

Hij kijkt wat ban.gig naar de grond

Heel zacht zegt hij: “Daaaag”.

Dan hoort hij een zwa.re stem die roept:

“Pika, schiet nou op. We zit.ten al aan ta.fel,

en we wach.ten op jou.”

Kapi loopt naar bin.nen  .

Hij ziet een vreem.de man aan ta.fel zit.ten.

Dat is vast de va.der hier.

Wat kijkt hij streng.

Kapi durft bij.na niet te gaan zit.ten.

“Toe ga ge.woon zit.ten en treu.zel niet zo.

Ik weet wel dat je spi.na.zie niet zo lek.ker vindt.

Maar dan hoef je nog niet zo te treu.ze.len.”

“Ik zal jou een klein schep.je ge.ven”, zegt de moe.der.

“Maar dan moet je dat wel he.le.maal op.e.ten.””

Hij gaat snel zit.ten,

en heel snel eet hij zijn bord leeg.

Kapi schrikt er zelf van.

 Hij durft niet meer naar de va.der en de moe.der te kij.ken.

Hij kijkt voor.zich.tig naar de broek

van Pika, die hij aan heeft.

Daar heeft hij een klod.der spi.na.zie op ge.knoeid.

Het was ook zo lek.ker.

“Wie wil er nog een schep.je?” vraagt de moe.der.

“Ik”,  zegt Kapi.

De va.der en de moe.der snap.pen er niks van.

Al.le twee kij.ken ze Kapi aan.

Kapi be.gint bij.na te hui.len.

Je hóéft niet meer te e.ten”, zegt moe.der.

”Je bent zo stil,

en nu eet je ook in.eens zo goed spi.na.zie.

Wat is er aan de hand?”

“Eh,…eh, ik weet het ook niet”, zegt Kapi.

 

Na het e.ten wil hij weg.

Kij.ken of hij weer kan rui.len met Pika.

Maar daar komt niets van in.

Hij moet de va.der hel.pen met af.was.sen.

En dan moet hij som.men ma.ken op de com.pu.ter.          Spreek uit kom.pjoe.ter  

Kon hij maar e.ven met Pika msn’ -en.

Maar hij weet niet hoe dat hier gaat.

En hij durft het ook niet te vra.gen.

 

Een uur la.ter staat Kapi in de bad.ka.mer.

De moe.der van Pika wil hem in bad doen.

Zijn ge.zicht is vuur.rood van schrik.

“Straks ziet ze dat ik geen meis.je ben”,

denkt Kapi.

“Ik kan wel al.leen in bad”, zegt Kapi.

“Dat heb ik vaker ge.hoord,

maar daar komt niks van in”, zegt de moe.der.

Zul.ke meis.jes als jij ver.ge.ten al.tijd hun o.ren te was.sen,

en de sham.poo uit hun haar te spoe.len.                                spreek uit sjam.poo

Daar gaan we”.

Ze neemt Kapi bij de hand.

Heel lang.zaam doet Kapi zijn kle.ren uit.

Hij be.gint bij.na te hui.len.

Als hij de kle.ren uit heeft,

weet de moe.der niet hoe ze het heeft.

 

“Maar je bent een jon.ge.tje.

Je bént  Pika niet.

Wie ben jij?

En waar is Pika?”

 

“Pika is bij ons thuis.

Wij e.ten geen spi.na.zie, en jul.lie wel.

En ik vind spi.na.zie juist lek.ker, en Pika niet”,

zegt hij zacht.

De moe.der moet dan in.eens heel hard la.chen.

De va.der komt naar bo.ven om te kij.ken,

wat er al.le.maal zo leuk is.

Als hij het ver.haal hoort,

moet de va.der ook hard la.chen. .

Kapi is nu he.le.maal op.ge.lucht,

en be.gint te scha.te.ren.

Be.ne.den gaat de bel.

 

Hij hoort daar de stem van zijn va.der.

De ech.te  Pika is er ook bij,

maar die heeft niet zo veel praat.jes,

als an.ders.

Haar ha.ren zijn nat.

Ze is ook in  bad ge.weest.

En ze is toen ook be.trapt.

Kapi’s ou.ders moes.ten ook erg la.chen.

“Wat heb.ben we toch slim.me kin.de.ren”,

zeg.gen ze te.gen de ou.ders van Pika.

Al.leen heb.ben ze bij hun plan.ne.tje

niet aan het bad ge.dacht!

Daar wa.ren wij ze te slim af.”

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maak je ei.gen te.ke.ning bij dit hoofd.stuk.  

Of zoek een clip.art.

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 1     woordenlijst

nieuwe woorden

 

 

af.was.sen

msn’ -en

 

al.le.maal

o.ren

 

ban.gig

on.ech.te

 

be.gint

on.ze

 

be.trapt

op.e.ten

 

bij.en

op.ge.lucht

 

broe.ken

ou.ders

 

com.pu.ter

rol.len

 

den.ken

rot.dag  

 

dom.me

rui.len

 

dub.bel

scha.te.ren

 

ga.ten

schep.je

 

ge.dacht

sham.poo

 

ge.knoeid

slag.room

 

ge.strikt

slim.me

 

ge.ven

snap.pen

 

groe.ne

som.men

 

haar.band

spoe.len

 

han.dig

strik.ken

 

Hoofd.stuk

treu.ze.len

 

in.eens

treu.zel

 

in.ge.trapt

van.a.vond

 

in.sme.ren

vie.ze

 

jon.gens.schoe.nen

vra.gen

 

kei.hard

vreem.de

 

kle.ren

vui.le

 

klod.der

vuur.rood

 

klod.der.tje

wach.ten

 

koek.je

wan.gen

 

laat.ste

was.sen

 

lach.tra.nen

wo.nen

 

lang.zaam

za.ten

 

lek.ker

zit.ten

 

ma.ken

zul.ke

 

meis.je

zwa.re

 

 

 

 

 

 

Hoofd.stuk 2    Ko.nink.lij.ke ho.ning

 

 

 

 

 

Luisterversie

Overzicht

 

 

Als je het overzicht open

laat staan, 

kun je het bij elk hoofdstuk

opnieuw gebruiken

 

 

 

 

In de tuin van o.ma Knot staat een fleu.ri.ge ka.bou.ter.

Hij heeft gras.groe.ne slof.fen aan,

een rood t-shirt en een blau.we kuit.broek.        spreek uit  tie-sjurt

Hij heeft een ra.re muts op zijn hoofd,

net een bij.en.korf.

De muts is knal.geel,

O.ma heeft hem ge.breid.

De ka.bou.ter is er a.pe.trots op.

Kapi en Pika stap.pen de tuin in.

De ka.bou.ter neemt zijn hoed af

als een ech.te  heer.

Kapi en Pika we.ten niet wat hen o.ver.komt

Wel.kom”, zegt hij.

“U ook “,grin.nikt Kapi

Kapi en Pika bui.gen hun wip.neu.zen naar be.ne.den,

want de ka.bou.ter is erg klein.

Waar.om heeft u niet ge.woon een punt.muts op?”,

vraagt Pika nieuws.gie.rig.

“Tja dat is een heel ver.haal”, zegt de ka.bou.ter.

Hij wrijft eens o.ver het blaad.je,

dat op zijn neus ge.plakt zit.

“Heeft dat blaad.je op uw neus

soms ook met het ver.haal te ma.ken?”,

vraagt Kapi.

“Wel ze.ker, ik zal het jul.lie al.le.maal ver.tel.len”,

zegt hij.

“Ga zit.ten, en plak ook eens een blaad.je

van die klei.ne struik op je neus”.

Dat doen ze maar al te graag.

Met een klod.der.tje spuug

plak.ken ze het blaad.je vast.

En de wip.neu.zen gaan met blaad.je en al om.hoog.

De ka.bou.ter be.gint te ver.tel.len.

 

Ach.ter in de tuin van o.ma Knot staat een bij.en.korf.

Ik ben erg be.vriend met de bij.en.

Dat komt om.dat ik op een keer

het le.ven van de bij.en.ko.nin.gin heb ge.red”.

De ka.bou.ter steekt trots zijn punt.baard.je om.hoog.

“Ik heet trou.wens Kol.lor”,

zegt hij. “Aan.ge.naam.”

“De Ko.nin.gin was  toen erg ziek.

Ze was zo plat als een eu.ro.cent.

Ze was on.der de neus van

a.gent Blom te.recht ge.ko.men.

Jon.ge a.gent Blom is na.me.lijk erg nieuws.gie.rig.

Hij is ook een ech.te  suf.ferd,

en hij doet vaak dom.me din.gen.

Hij wil.de wel eens we.ten,

hoe zo’n bij.en.korf er van bin.nen  uit ziet.

Daar.om stak hij zijn neus er.in.

Bo.ven.op de Ko.nin.gin.

De bij.en schrok.ken er vre.se.lijk van.

En.ke.len sta.ken van schrik in Bloms neus.

Blom be.gon te krij.sen als een po.li.tie.si.re.ne.

En zijn o.gen draai.den als blau.we zwaai.lam.pen.

Hij ren.de hard weg.

O.ma Knot moest na.tuur.lijk weer te hulp schie.ten.

En de neus met een dik.ke klod.der zalf in.sme.ren.

 

In.tus.sen za.ten de bij.en met een plat.te Ko.nin.gin.

Zoe.men was er niet meer bij.

Hun vleu.gel.tjes hing.en be.droefd naar be.ne.den.

Ze wis.ten zich geen raad.

Bij.en kun.nen nu een.maal niet

zon.der een Ko.nin.gin le.ven.

Wat te doen?

De Ko.nin.gin moest gauw be.ter wor.den.

Maar hoe?

Zelfs de slim.ste bij.en wis.ten niet ,

hoe ze de Ko.nin.gin moes.ten hel.pen.

Op een dag kreun.de zij:

Al.leen ko.nink.lij.ke ho.ning kan mij hel.pen”.

De bij.en de.den hun ui.ter.ste best

om de ko.nink.lij.ke ho.ning te vin.den.

El.ke dag trok.ken zij er.op uit

maar ze von.den geen drup.pel ko.nink.lij.ke ho.ning.”

De ka.bou.ter pau.zeer.de e.ven.

“Op een dag rust.te ik toe.val.lig uit bij de.ze boom.

Ik hoor.de een bij.tje zin.gen.

“O, ge.ne.zen.de ko.nink.lij.ke ho.ning.

 Wel.ke bloem is  uw wo.ning?

 O gou.den nec.tar,

 u wordt ge.zocht

 door el.ke bij en el.ke dar.”

Ik vroeg: “Bij.tje,

waar.om zing je toch zo’n droe.vig zoem.lied?”

Toen hoor.de ik dus wat er aan de hand was.

Ik ver.tel.de hem van de nacht.geur.

Dat is de naam van een prach.ti.ge bloem.

Je ruikt die bloem al.leen ’s nachts.

Hij geurt zo heer.lijk.

als.of er wel hon.derd re.gen.boog.jes

door je neus wan.de.len.

En die lek.ke.re geur komt van de …”

Ko.nink.lij.ke ho.ning”, roe.pen Kapi en Pika te.ge.lijk.

Pre.cies”, ant.woordt ka.bou.ter Kol.lor trots.

“Ik wees de bij aan, waar de nacht.geur stond.

De Ko.nin.gin was bin.nen  en.ke.le da.gen

weer de ou.de, dat snap je wel.

Al gauw zat ze weer lek.ker rond

op haar ko.nink.lij.ke …”

“Kont”, roe.pen Kapi en Pika te.ge.lijk.

“Ik be.doel.de, op haar gou.den ho.ning.raat.troon”.

 

Heb.ben  de bij.en u nog be.dankt?” ,

vra.gen Kapi en Pika.

“Ja ze.ker. Na een  week mocht de Ko.nin.gin

van de bij.en dok.ter weer naar bui.ten.

Ze kwam met al haar bij.en naar me toe.

Ik plak.te vlug een bloem.blaad.je op mijn neus.

An.ders zou.den  ze schrik.ken van mijn neus,

en me prik.ken.

Net als a.gent Blom.

De bij.en zon.gen spe.ci.aal voor mij

het ko.nink.lij.ke zoem.lied.

Dat wordt al.leen bij spe.ci.a.le ge.le.gen.he.den  

tot klin.ken ge.bracht.

En ik kreeg een schil.fer.tje

van de ho.ning.raat.troon in een doos.je.

O.ma Knot was erg trots op mij.

Ze brei.de spe.ci.aal voor mij de.ze muts,

in de vorm van een bij.en.korf.

Ik ben er heel blij mee.

Ik hou veel van kleur.

Daar.om heet ik ook Kol.lor.

Die naam ken.de mijn moe.der van  een was.poe.der.

Sinds de ge.beur.te.nis.sen hier,

kom ik vaak te.rug voor een praat.je.

Met de bij.en ,en met oma Knot.

 

Kapi en Pika vin.den het een mooi ver.haal.

Mis.schien wil oma Knot voor ons

ook wel zo’n muts brei.en”,

zeg.gen ze te.gen el.kaar.

“Dan kun.nen wij ook eens een praat.je ma.ken met de bij.en ..

 

Als oma la.ter al.leen in de tuin is,

geeft ze ka.bou.ter Kol.lor een knip.oog.je.

 

“Ik brei voor hen ook een bij.en.korf.muts”, zegt ze.

 

 

 

 

 

 

Maak je ei.gen te.ke.ning bij dit hoofd.stuk.  

Of zoek een clip.art.

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 2   

woordenlijst

nieuwe woorden

 

 

 

 

 

a.pe.trots

ge.le.gen.he.den  

prik.ken

 

aan.ge.naam

ge.ne.zen.de

punt.baard.je

 

ach.ter

ge.plakt

punt.muts

 

als.of

ge.red

re.gen.boog.jes

 

be.dankt

ge.zocht

ren.de

 

be.doel.de

gou.den

rust.te

 

be.droefd

gras.groe.ne

schil.fer.tje

 

be.gon

grin.nikt

schrik.ken

 

be.vriend

heer.lijk

schrok.ken

 

bij.en.ko.nin.gin

hing.en

slim.ste

 

bij.en.korf

ho.ning

slof.fen

 

bij.en.korf.muts

ho.ning.raat.troon

spe.ci.aal

 

bij.en.korf.muts.en

hon.derd

sta.ken

 

bij.tje

hoor.de

stap.pen

 

blaad.je

ka.bou.ter

suf.ferd

 

blau.we

ken.de

toe.val.lig

 

bloem.blaad.je

klin.ken

trok.ken

 

bo.ven.op

knal.geel

trou.wens

 

brei.de

knip.oog.je

t-shirt

 

brei.en

Ko.nin.gin

ver.tel.de

 

bui.gen

ko.nink.lij.ke

vleu.gel.tjes

 

da.gen

Kol.lor

von.den

 

de.den

kreun.de

was.poe.der

 

din.gen

krij.sen

we.ten

 

doos.je

kuit.broek

wel.kom

 

draai.den

lek.ke.re

wil.de

 

droe.vig

mis.schien

wis.ten

 

drup.pel

na.me.lijk

wo.ning

 

een.maal

nacht.geur

zeg.gen

 

el.ke

nec.tar

zin.gen

 

en.ke.le

nieuws.gie.rig

zoe.men

 

en.ke.len

o.ver.komt

zoem.lied

 

eu.ro.cent

pau.zeer.de

zon.der

 

fleu.ri.ge

plak.te

zon.gen

 

ge.beur.te.nis.sen

plat.te

zwaai.lam.pen

 

ge.breid

po.li.tie.si.re.ne

 

 

 

 

 

 

Hoofd.stuk 3   

 

De oud.ste boom ziet het niet meer zit.ten 

 

 

 

Luisterversie

Overzicht

 

 

 

 

Als je het overzicht open

laat staan,             

kun je het bij elk hoofdstuk

opnieuw gebruiken.

 

 

 

In La.ri.lo, mid.den op het plein,

staat een stok.ou.de boom.

Hij zit nog vol met bla.de.ren.

De.ze boom is wel dui.zend jaar oud.

Hij is heel groot en dik.

Je kunt er wel met zijn tie.nen om.heen staan.

Er is iets bij.zon.ders met de.ze boom.

Hij geeft ie.der kind van La.ri.lo een leu.ke droom,

ie.der.e week.

Zo zijn de kin.de.ren van La.ri.lo al.tijd vro.lijk. 

De ou.de boom is ook heel wijs.

De bur.ge.mees.ter komt hem soms om goe.de raad vra.gen.

En als de kin.de.ren te wild zijn in de klas,

vra.gen de le.ra.ren hem ad.vies.

Daar.om loopt al.les in La.ri.lo op rol.le.tjes.

De vo.gels heb.ben het ge.mak.ke.lijk.

De boom ver.telt ze pre.cies,

wan.neer ze ei.tjes moe.ten leg.gen.

Hij zit al.tijd vol met vo.gels.

Nie.mand van La.ri.lo kan hem mis.sen.

 

Het is eind no.vem.ber.

De eer.ste sneeuw ligt er al in La.ri.lo.

Maar er is iets geks met de ou.de boom.

Hij zit nog vol met bla.de.ren.

Nor.maal strooit hij die in de herfst ge.woon weg.

Je kunt dan in die ho.pen bla.de.ren

leuk ver.stop.per.tje spe.len.

De men.sen snap.pen er niets van.

Er ligt nog geen blaad.je op de grond.

Ie.der.een van La.ri.lo gaat el.ke dag

e.ven bij de boom kij.ken.

Je zou bij.na den.ken dat hij ziek is.

Ook dok.ter Prik.graag denkt dat.

Daar loopt hij al met zijn ste.thos.coop naar het plein.

Al.le.maal stil we.zen, an.ders kan ik niks ho.ren”,

zegt hij.

Hij houdt de ste.thos.coop te.gen de dik.ke stam.

“Er zit.ten geen wa.ter.pok.ken of ma.ze.len op de bast.

 En ik hoor ook geen ge.ro.chel of zo.

 Een spui.tje helpt hier echt niet.

 Het zal wel met de boom.geest te ma.ken heb.ben.

 Mis.schien is de boom moe en ver.drie.tig.

In ie.der geval is het een ern.stig pro.bleem.

De kin.de.ren heb.ben ook al twee we.ken

geen leu.ke droom meer ge.had.”

“Ik droom niet meer leuk”, zegt Kapi.

“Ja, al.leen maar a.ke.li.ge dro.men”, zegt Pika.

“Ik durf bij.na niet meer te gaan sla.pen.”

Zo is het nu met al.le kin.de.ren van La.ri.lo.

De va.ders en moe.ders wor.den er lang.za.mer.hand

he.le.maal krie.be.lig van.

 

De bur.ge.mees.ter kijkt be.zorgd.

Hij heeft stress.

Wie moet hij nu om raad vra.gen?

Ie.der.een in het ge.meen.te.huis heeft ru.zie.

Dat komt om.dat ze al.le.maal dood.op zijn

van de on.rus.ti.ge nach.ten van de kin.de.ren.

De ver.ga.de.rin.gen wor.den een puin.hoop.

Ze ver.ga.de.ren tot ‘s a.vonds laat.

Maar ze kun.nen het nooit eens wor.den.

En ‘s mor.gens zijn ze niet goed wak.ker.

 

De vo.gels zijn ook erg in  de war.

Ze vlie.gen met tak.jes in het rond.

Ze gaan een nest.je bou.wen.

Ter.wijl het al bij.na win.ter is.

De ou.de boom be.moeit zich er he.le.maal niet mee.

Dat zou hij an.ders wel doen.

Hij zou het ver.bie.den,

als de vo.gels dom.me din.gen doen.

“Als ze nou maar geen ei.tjes gaan leg.gen”,

zegt de ou.de a.gent Jo.per.mans be.zorgd.

“Straks wor.den de jon.ge vo.gel.tjes snip.ver.kou.den.

Of ze be.vrie.zen.”

 

Ie.der.een in La.ri.lo wordt steeds ze.nuw.ach.ti.ger.

Al.les staat op zijn kop.

En het gaat zo maar door.

A.gent Blom ver.geet de si.re.ne van de po.li.tie.wa.gen uit te zet.ten.

Dat geeft een ka.baal van je.wel.ste in La.ri.lo.

De bak.ker laat voort.du.rend brood aan.bran.den.

De brand.weer is al drie keer

voor niets uit.ge.rukt naar de bak.ke.rij.

Op school is het ook niet leuk meer.

De on.der.wij.zers  zijn he.le.maal tureluurs

van de druk.ke kin.de.ren.

Al.les is af.ge.schaft.

Ook de kring.ge.sprek.ken.

De kin.de.ren moe.ten de he.le dag

de ta.fel van drie op.zeg.gen.

Ook de hoog.ste klas.

Bij gym.nas.tiek mo.gen ze al.leen maar hup.pen.

Nou ja zeg.

Het is al.le.maal heel ver.ve.lend.

 

Al.leen in het huis.je van Oma Knot is al.les rus.tig.

Want oma is op va.kan.tie.

Van.daag komt ze trou.wens te.rug.

Als ze daar maar geen spijt van krijgt,

want ze weet nog van niets.

 

 

Daar komt de bus van drie uur.

Hij stopt bij het plein.

Oma stapt uit.

Ze ziet me.teen dat er iets niet klopt in La.ri.lo.

Met de kof.fers in de hand loopt ze naar de boom.

Ze wordt nog bij.na  om.ver ge.re.den door a.gent Blom.

Die kan nog net uit.wij.ken,

en knalt dan te.gen een lan.taarn.paal.

“Het komt al.le.maal door die stom.me boom”,

mop.pert hij.

“Hij heeft last van zijn boom.geest,

en daar.door staat heel La.ri.lo

op zijn kop.”

“Wat zijn jul.lie toch een stel.le.tje suk.kels”,

zegt Oma.

“Die boom heeft er de ba.len van.

Dat kun je zo wel zien.

Als je al dui.zend keer je blaad.jes hebt la.ten val.len,

dan wil je ook eens wat an.ders.

Dat snapt een kind.

We moe.ten hem ge.woon een hand.je hel.pen.

Een boom is ook maar een boom.

Breng jij mijn kof.fers maar naar huis, Blom.

Dan  zal ik dat wel eens gaan re.ge.len.”

 

Oma stapt op de school af.

De kin.de.ren kun je al van  ver ho.ren.

1 x 3 = 3

2 x 3 = 6

3 x 3 = 9

Van.uit de gym.zaal hoort ze: “ Hup hup hup “.

 

“Zo kin.der.beul”, zegt Oma.

Dat slaat op de le.raar,

die ze ste.vig aan zijn kraag trekt.

Kun.nen jul.lie niet ver.der dan tot drie tel.len?

Le.ver mij eens zes maal der.tig kin.de.ren.

En zes maal drie lad.ders.

En dat in 2 maal drie tel.len.”

 

Al.le kin.de.ren stap.pen ver.vol.gens ach.ter oma aan.

Op naar het plein.

 

“We klim.men met de lad.ders

in  de boom.

En dan kie.te.len maar

in de ok.sels on.der de tak.ken.

En pluk rus.tig aan de bla.de.ren.

Gooi de bla.de.ren naar be.ne.den.

Hup.sa.kee.”

Kapi en Pika klim.men me.teen de lad.der op.

Oma zit een tak ver.der.op.

De boom zit al gauw vol

met wel der.tig maal drie kin.de.ren.

Dat heeft hij nog nooit mee.ge.maakt.

Het is een ge.krie.bel van je.wel.ste.

De boom schiet los uit zijn kou.de som.ber.heid,

en be.gint te grin.ni.ken en te kraai.en van ple.zier.

De tak.ken zwie.pen heen en weer

en de kin.de.ren dei.nen vro.lijk  mee.

De bla.de.ren vlie.gen in het rond.

Het he.le dorp is uit.ge.lo.pen.

Het duurt niet lang meer, voor de boom win.ter.kaal is.

De kin.de.ren zin.gen winterliedjes.

 

De ou.de boom moet hui.len.

Hij ziet weer hoe fijn het ei.gen.lijk is op het plein.

Hij kan  er weer dui.zend jaar te.gen.

 

Van.nacht zal hij de kinderen al.le.maal

drie leu.ke dro.men ge.ven.

En de va.ders en moeders,

die kun.nen weer eens diep en rus.tig sla.pen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maak je ei.gen te.ke.ning bij dit hoofd.stuk.  

Of zoek een clip.art.

 

 

 

 

Hoofdstuk 3

Woordenlijst

nieuwe woorden

 

 

 

 

 

 

‘s a.vonds

grin.ni.ken

nor.maal

van.uit

 

‘s mor.gens

gym.nas.tiek

ok.sels

ver.bie.den

 

a.ke.li.ge

gym.zaal

om.heen

ver.der.op

 

aan.bran.den

hand.je

om.ver

ver.drie.tig

 

ad.vies

ho.pen

on.der.wij.zers

ver.ga.de.ren

 

af.ge.schaft

hoog.ste

on.rus.ti.ge

ver.ga.de.rin.gen

 

ba.len

huis.je

op.zeg.gen

ver.geet

 

bak.ke.rij

hup.pen

ple.zier

ver.stop.per.tje

 

bak.ker

hup.sa.kee

po.li.tie.wa.gen

ver.ve.lend

 

be.moeit

ie.der.een

Prik.graag

ver.vol.gens

 

be.vrie.zen

ijs.stra.len

pro.bleem

vo.gel.tjes

 

be.vro.ren

Jo.per.mans

puin.hoop

voort.du.rend

 

be.zorgd

ka.baal

re.ge.len

wa.ter.pok.ken

 

bij.zon.ders

kie.te.len

rol.le.tjes

wak.ker

 

bla.de.ren

kin.der.beul

ru.zie

wan.neer

 

boom.geest

kof.fers

si.re.ne

we.ken

 

brand.weer

kou.de

snip.ver.kou.den

we.zen

 

bur.ge.mees.ter

kraai.en

som.ber.heid

win.ter

 

daar.door

krie.be.lig

spe.len

win.ter.kaal

 

dei.nen

kring.ge.sprek.ken

spui.tje

ze.nuw.ach.ti.ger

 

der.tig

lad.der

ste.thos.coop

zet.ten

 

dok.ter

lan.taarn.paal

ste.vig

zwie.pen

 

dood.op

lang.za.mer.hand

stel.le.tje

 

 

dro.men

le.ra.ren

stok.ou.de

 

 

druk.ke

le.raar

stom.me

 

 

dui.zend

le.ver

suk.kel

 

 

eer.ste

leg.gen

tak.jes

 

 

ei.tjes

leu.ke

tak.ken

 

 

ern.stig

ma.ze.len

tel.len

 

 

ge.had

me.teen

ter.wijl

 

 

ge.krie.bel

mee.ge.maakt

tie.nen

 

 

ge.mak.ke.lijk

mis.sen

uit.ge.lo.pen

 

 

ge.meen.te.huis

mo.gen

uit.ge.rukt

 

 

ge.re.den

nach.ten

uit.wij.ken

 

 

ge.ro.chel

nest.je

va.kan.tie

 

 

goe.de

no.vem.ber

van.nacht

 

 

 

 

 

 

 

Hoofd.stuk 4     Ro.de pie.ten

 

 

 

 

 

Luisterversie

Overzicht

 

Als je het overzicht open

laat staan,             

kun je het bij elk hoofdstuk

opnieuw gebruiken

 

 

Van.daag komt Sin.ter.klaas op de school van La.ri.lo.

De kinderen gaan ver.kleed naar school.

Ie.der.een komt als ‘lieg.beest ‘.

En de kinderen gaan al.le.maal

een jok.ke.brok.ver.haal ver.tel.len aan de Sint.

 

Op de straat lo.pen twee kinderen.

Hun ro.de wip.neus.jes ste.ken in de lucht.

Hun ge.zich.ten zijn he.le.maal rood.

Dat is niet van de kou.

Nee, ze zijn he.le.maal rood ge.schil.derd.

Met de lip.pen.stift van Oma Knot.

Ze heb.ben een pie.ten.pak aan.

Daar gaan ro.de Kapi en ro.de Pika.

Twee ro.de lieg.beest.pie.ten.

Ze heb.ben nu al lol.

Ze vin.den het ook een beet.je eng.

Een jok.ke.brok.ver.haal ver.tel.len aan Sin.ter.klaas.

Pika heeft een bos.je tul.pen in de hand.

Die zijn voor de Sint.

 

Om ne.gen uur zit de he.le gym.zaal vol met lieg.bees.ten.

De kinderen zin.gen uit vol.le borst sin.ter.klaas.lied.jes.

Het is wel een vro.lijk ge.zicht, al die ver.kle.de kinderen.

 

Daar wordt op de deur ge.bonkt.

En ja hoor, er ko.men wel tien pie.ten

te.ge.lijk de gym.zaal bin.nen  .

Al.le kinderen be.gin.nen nu Turk.se lied.jes

te zin.gen.

En.ke.le kinderen dan.sen er.bij,

en zwaai.en met zak.doek.jes in de lucht.

En weet je wat?

De Sint danst met ze mee,

en hij zingt de lied.jes ook

uit vol.le borst mee.

Er ko.men een paar tra.nen in zijn o.gen.

En weet je hoe dat komt?

De Sint komt he.le.maal niet uit Span.je.

Ie.der.een die dat zegt,

is een lieg.beest.

De Sint komt uit Tur.kij.e.

Uit de ou.de stad My.ra,

die nu Dem.re heet.

En daar.om is de Sint blij en ont.roerd,

nu hij Turk.se lied.jes hoort.

En dan stap.pen ro.de Kapi en Pika naar vo.ren.

Ze gaan de tul.pen aan.bie.den.

“Dit zijn tul.band.bloe.men”, zegt Kapi.

Lieg.bees.ten”, roept de klas.

“Dat zijn Hol.land.se tul.pen.”

 

“Ik ge.loof dat jul.lie zelf lieg.bees.ten zijn”,

zegt de Sint te.gen de klas.

Jul.lie we.ten ze.ker niet dat tul.pen

vroe.ger uit Tur.kij.e kwa.men.

Ik ben er dan ook erg blij mee.

Mijn moeder vond ze ook heel mooi.

Maar ver.tel eens,

hoe ko.men jul.lie zo rood?

Dit is voor de eer.ste keer

dat ik ro.de pie.ten zie.”

 

Nu moe.ten zij hun jok.ke.brok.ver.haal ver.tel.len.

“Nou”, zegt Pika:

“Wij wil.den ons ver.kle.den als zwar.te.piet.

Toen was er een van uw pie.ten ja.loers,

en die deed ro.de verf in de wa.ter.lei.ding bij ons.

Het is die piet daar.

Daar.om zijn we nu knal.rood.

Het gaat er niet meer af.”

“Dit is zeer ern.stig”, zegt de Sint.

“Die piet moet in de zak.

en mag er voor.lo.pig niet uit”.

De ja.loer.se zwar.te.piet

wordt spier.wit van schrik.

Dat vindt hij niet leuk,

want hij wil geen wit mens zijn.

Maar de Sint zegt:

“In de zak jij. Kruip er maar zelf in”.

Het wordt muis.stil in de gym.zaal.

Dit was ook weer niet de be.doe.ling.

Ze wa.ren ver.ge.ten, dat de Sint

al.tijd ge.looft wat een kind zegt.

Kapi en Pika ge.ven de Sint een hand

en gaan te.rug naar hun plek.je.

Ze zijn er een beet.je be.duusd van.

 

Dan gaat Roe.bie naar vo.ren.

Waar.om ben jij van.daag op mijn ver.jaar.dag

 als elf.je ver.kleed?”, vraagt de Sint.

Roe.bie ver.telt haar ver.haal:

Vo.rig jaar kreeg ik van die piet daar

po.ë.zie.plaat.jes van elf.jes in de schoen.

Het zijn ra.re plaat.jes.

Als je ze in de al.bum plakt,

vlie.gen de elf.jes weg.

Floeps!

En ik vind ze nooit te.rug.

Ik zoek dan o.ver.al.”

“Die piet moet ook in de zak”, zegt de Sint.

E.ven la.ter staat er weer een piet

te bib.be.ren in de zak.

 

De vol.gen.de jok.ke.brok is Mir.the.

Ook een meis.je.

Ze is ver.kleed als ko.nijn.

Vo.rig jaar kreeg ik een ko.nijn

van die piet daar met dat groe.ne pet.je.

Maar het is een ko.nijn met de slap.pe lach.

Ook ’s nachts.

Wij kun.nen er niet van sla.pen.

Wij heb.ben het he.le jaar geen oog dicht ge.daan.

Mijn o.gen prik.ken he.le.maal van de slaap.”

Het duurt niet lang,

of de piet met het groe.ne petje zit ook in de zak.

 

Zo gaat het maar ver.der,

tot er ne.gen pie.ten in de zak.ken zit.ten.

Al.le.maal op een rij.

 

“Wat gek”, zegt de Sint.

“Ik dacht dat ik met tien pie.ten hier was.

Waar is piet Kees ?”

Al.le kinderen zoe.ken nu naar piet Kees.

Ze kij.ken o.ver.al,

maar hij is niet te vin.den.

“Als we nu al.le.maal e.ven stil zijn”, zegt de Sint.

“Dan kun.nen we hem mis.schien ho.ren.”

En in.der.daad.

In de schoor.steen is een be.nauwd ge.luid te ho.ren.

Daar zit piet Kees dus.

Hij durft er niet uit.

Hij heeft schoor.steen.angst ge.kre.gen.

En dat voor een zwar.te.piet.

“Wat doe jij in de schoor.steen, piet Kees?”,

vraagt de Sint.

“Ik, ik, ik.ke … wilde niet in de zak.

en nu durf ik niet meer naar be.ne.den. “

Tja daar zit die ar.me piet dan.

 

“Dat is me wat”, zegt de Sint.

“Er is nu geen en.ke.le piet meer vrij

om ca.deau.tjes  uit te delen.                                     spreek uit: ka.doo.tjes

Dat wor.den dit jaar geen ca.deau.tjes

voor de kinderen van Larilo.”

Ie.der.een schrikt zich suf.

Daar zit.ten de lieg.bees.ten van Larilo

met hun a.par.te pak.jes aan .

Hun mon.den han.gen o.pen.

 

De Sint moet vre.se.lijk la.chen.

“Dit was dan mijn jok.ke.brok.ver.haal,

ha, ha. “

Al.le pie.ten uit de zak.ken.

En piet Kees ons to.neel.stuk.je is af.

Ze zijn hier wel wat ge.schrok.ken.

Delen jul.lie zo me.teen de ca.deau.tjes maar uit. “

 

Maar eerst klim.men drie pie.ten

in de schoor.steen op el.kaars schou.der.

En ze ha.len piet Kees naar be.ne.den.

Die moet heel erg la.chen,

als hij weer in de gym.zaal is.

“Het was een mooi jok.ke.brok.ver.haal “ ,

zegt hij.

“Zwarte pie.ten met schoor.steen.angst.

Die be.staan ge.woon niet.”

 

 

En wil je we.ten welk ca.deau.tje

Kapi en Pika krij.gen?

Ze krij.gen al.le.bei een bij.en.korf.muts.

Met een ge.dicht.je van ka.bou.ter Kol.lor er.bij.

“Hoe weet Sint nou wat mijn fan.ta.sie.ver.haal is?”,

vraagt Kapi aan Pika.

 

Zou oma Knot iets ver.klapt heb.ben?

 

 

 

 

Maak je ei.gen te.ke.ning bij dit hoofd.stuk.  

Of zoek een clip.art.

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 4

    woordenlijst

              nieuwe woorden

 

 

 

 

 

a.par.te

jok.ke.brok

to.neel.stuk.je

 

aan.bie.den

jok.ke.brok.ver.haal

tul.band.bloe.men

 

al.bum

knal.rood

tul.pen

 

al.le.bei

ko.nijn

Tur.kij.e

 

ar.me

lieg.bees.ten

Turk.se

 

be.doe.ling

lieg.beest

ver.jaar.dag

 

be.duusd

lieg.beest.pie.ten

ver.klapt

 

be.gin.nen

lip.pen.stift

ver.kle.de

 

be.nauwd

Mir.the

ver.kleed

 

be.staan

mon.den

ver.tel

 

bib.be.ren

muis.stil

vo.ren

 

bos.je

My.ra

vo.rig

 

ca.deau.tjes

ne.gen

vol.gen.de

 

dan.sen

o.ver.al

vol.le

 

Dem.re

ont.roerd

voor.lo.pig

 

elf.je

pet.je

vroe.ger

 

er.bij

pie.ten

wa.ter.lei.ding

 

fan.ta.sie.ver.haal

pie.ten.pak

wil.den

 

ge.bonkt

plaat.je

wip.neus.jes

 

ge.dicht.je

plek.je

zak.doek.jes

 

ge.kre.gen

po.ë.zie.plaat.jes

zak.ken

 

ge.luid

Roe.bie

zwaai.en

 

ge.schil.derd

schoor.steen

zwar.te.piet

 

ge.schrok.ken

schoor.steen.angst

 

 

ge.zich.ten

schou.der

 

 

han.gen

Sin.ter.klaas

 

 

Hol.land.se

sin.ter.klaas.lied.je