Wim Rhebergen

 

Interviews

Home

 

Contact: info@rhegie.com

zomer 2008

 

 

 

Xaverius

 

franciscaan - priester

 

 

 

 

 

 

 

Franciscus van Assisi

 

Xaverius. franciscaan en priester

 

Een Brabantse jongen

 

die voor het priesterschap koos

 

die naar Nieuw-Guinea ging en zich sterk maakt voor de onafhankelijkheid van de Papoea's

 

die door de Indonesiërs werd opgepakt en gevangen gehouden

 

die in Brazilië ging actief betrokken was bij sociale- en educatieve projecten

 

die in Brazilië in conflict geraakte met zijn eigen orde

 

die als pastor in de jeugdgevangenis vele jeugdige delinquenten hielp

 

die bestuursactiviteiten op zich nam ten behoeve van de gay-community in Amsterdam

 

die na zijn pensionering de psycholoog Jung ontdekte en nadacht over zijn leven

 

Inhoud

 

Inleiding

Hoofdstuk 1 Brabant

Hoofdstuk 2 Nieuw-Guinea

Hoofdstuk 3 Brazilië

Hoofdstuk 4 Nederland

Slot


Pdf-versie Xaverius

 

 


 

Inleiding

 

Hij overleed nu iets meer dan een jaar geleden.

Met zijn neef ben ik naar de begrafenis geweest.

De provinciaal van zijn orde zei dat de broeders hem niet altijd begrepen.

Hij heette de vrienden van minderbroeder-franciscaan en priester Xaverius van harte welkom. Een speciale groet had hij voor hen, die niet gewend waren om in een kerk te zitten.

Hij bedoelde de criminelen en de homoseksuelen, wist ik van Xaverius, of te wel Xaaf, contacten die hij uit zijn Amsterdamse periode had behouden.

Bij de condoleance zag ik de secretaresse van het klooster. Ze had een kamer bij de entree en opende voor mij de deur als ik bij Xaaf op bezoek kwam. Xaaf zei een goede relatie met haar te hebben. In het laatste gesprek met hem zwaaide hij met de teksten die ik hem in de loop van de tijd had toegestuurd en zei hij dat de secretaresse er wel raad mee wist. Toen ik haar vroeg of hij nog met die teksten bij haar was geweest, schudde zij nee.

 

Mijn eerste bezoek

Mijn eerste bezoek aan Xaaf was begin november 2006. Ik wilde hem graag interviewen en zijn neef legde voor mij het contact. Ik was welkom.

Toen ik bij het klooster aanbelde, stond hij al op me te wachten. Hij voerde me naar de huiskamer van de broeders en haalde voor mij een kopje koffie uit de keuken. Ik mocht een koekje uit de koekjestrommel nemen. Het ritueel zou zich elke keer als ik bij hem kwam, herhalen.

Ons gesprek vond plaats op zijn kamer op de tweede verdieping. Vanuit het hoge raam keek ik uit over de stad, met de Utrechtse Dom als een vinger Gods in het licht van de openbrekende lucht, waar de stad zich gehorig omheen leek te scharen. Beneden lag de kleine kloostertuin in donkergrijze en zwarte tinten.

Hij verontschuldigde zich: "De herfstbladeren moeten nodig weg geharkt worden!"

Ik legde uit wie ik was en wat de bedoeling van het interview was. Hij stemde ogenblikkelijk in en begon maar meteen een overzicht te geven van de verschillende perioden in zijn leven. " Brabant, Nieuw Guinea, Brazilië, Amsterdam en nog wat," zei hij.

"Mijn mooiste tijd was in Amsterdam, toen ik als priester in het Jeugdhuis van Bewaring werkte. "Hallo pater, ben je er weer!", riepen ze als ze me zagen.

In Amsterdam voelde ik me vrij. Ik kon doen en laten wat ik wilde. Ik had er vrienden."

 

Mijn tweede gesprek

Mijn tweede gesprek vond  twee weken later plaats en hij zei enthousiast: "Ik heb met mijn medebroeders over jou gesproken. Ik heb hen gezegd dat ik iemand gevonden, had, die mijn levensverhaal op papier wil zetten. Ze willen nu dat je ook bij hen komt. Maar ik heb hen wel gewaarschuwd: "Eerst ben ik aan de beurt!"

Hij gniffelde. "Ik vertel alles wat je wilt weten. Laat ik met mijn kinderjaren beginnen. Mijn ouders waren eenvoudige, hardwerkende mensen. Toen ze begonnen, hadden ze niets en toen ik het huis uitging, hadden ze een goedlopende kruidenierswinkel in den Bosch. Hun droom is tijdens hun leven werkelijkheid geworden. En dat is heel mooi!"

 

Mijn derde gesprek

En toen kwam het fatale, derde gesprek. Hij wachtte me weer op en zei al bij de koffie: "Ik heb goed nieuws en slecht nieuws voor jou, maar ik vertel pas als we boven op mijn kamer zijn." Het goede nieuws was dat hij een cadeautje voor me had. "Zen Wijsheden". Ik sloeg open en las hem de tekst voor op de opengeslagen bladzijde: "De bloem is niet rood, de weide is niet groen."

Hoe toevallig is de wijsheid?

Het slechte nieuws was dat het interview niet op internet gepubliceerd mocht worden. Een medebroeder had hem gewaarschuwd. Internet is één en al seks en criminaliteit. "Beste Xaaf, als priester hoor je in die wereld niet thuis. Als je dat wel doet, krijg je grote moeilijkheden."

Hij had zijn deelname aan het interview aan de provinciaal voorgelegd. 

De provinciaal had hem een korte tijd aangekeken en had toen gezegd het met de medebroeder eens te zijn.

De provinciaal wilde hem echter ter wille zijn en deed een compromisvoorstel.

"Als het interview wat voorstelt, kunnen we het zelf als een brochure uitgeven.

Maar..." - Xaaf pauzeerde even  en keek me doordringend aan - "de provinciaal had er aan toegevoegd dat er dan wel wat aan geloofsverkondiging gedaan moest worden. Zou ik dat wel willen? Per slot van rekening was ik geen gelovige."

Ik zei: "Ik schrijf op wat u zegt!"

Hij keek even voor zich uit en zei toen: "Dan begin ik opnieuw. Mijn ouders waren eenvoudige, hardwerkende mensen."

 

Xaaf als verteller

Xaaf vertelde gedetailleerd en boeiend. Als ik hem enige verduidelijking of aanvulling vroeg, antwoordde hij zo goed mogelijk. De twee eerste gesprekken, voordat het gesprek met de provinciaal had plaats gevonden, was hij spontaan en enthousiast. Hij sprak snel, want er was zoveel te vertellen. De ene herinnering riep het andere op en al die herinneringen moesten in een verhaal bij elkaar komen. Soms zei hij: "Hierop kom ik nog wel uitvoeriger terug."

Hij was soms verwonderd dat ik zo weinig van de katholieke kerk en van het kloosterleven wist. Mogelijke discussiepunten die ik aandroeg, waren geen discussiepunten. Had hij ooit aan God getwijfeld? Nee, hij had nooit aan God getwijfeld! Waarom zou je aan God moeten twijfelen?

Na het gesprek met de provinciaal was hij evenwel voorzichtiger. Hij woog zijn woorden en brak zijn verhalen soms af omdat het niet van belang was. Hij had ook de neiging om sommige verhalen opnieuw te vertellen. "Ja, ik weet het, ik heb het verhaal al verteld, maar ik moet het beter vertellen."

Hij verontschuldigde zich dat hij niet de goede woorden vond. Dit fenomeen herhaalde zich in versterkte mate toen hij de eerste conceptteksten onder ogen kreeg. "Ik weet het, het zijn mijn woorden, het ligt ook niet aan jou, maar de woorden zijn niet goed."

Hij begon het verhaal opnieuw te vertellen, vaak in dezelfde bewoordingen en met dezelfde afloop: "Het is niet goed zoals ik het zeg." Vertwijfeld riep hij eens uit: "Waarom vertel ik het niet anders?"

Ik troostte hem. "Ik begrijp uw verhaal heel goed. Ik weet niet waarnaar u op zoek bent, maar volgens mij vertelt u het prima. Op een gegeven moment vroeg ik hem: "Denkt u misschien dat de geloofsverkondiging ontbreekt?"

"Mijn priesterschap heeft zich ontwikkeld en heeft steeds meer het kenmerk van dienstbaarheid aan de behoeftige mens gekregen," zei hij met nadruk.

In Mattheus 25 zegt Christus: "Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven, Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest, naakt en gij hebt Mij gekleed, ziek en gij hebt Mij bezocht,  Ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt tot Mij gekomen.... want Ik zeg u, in zoverre gij dit aan één van mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan." Dat is de kern van mijn priesterschap. Daaraan hoeft niets toegevoegd te worden."

Maar hij bleef ontevreden over het verhaal. Toen zei hij plotseling: "Maak jij dan een verhaal over een priester zoals ik, maar verander mijn naam. Verzin er desnoods wat bij als je dat goeddunkt. Ik heb je alles wat ik te zeggen heb, verteld."

Pauze.

"Ja, doe dat", drong hij opnieuw aan. "Dan kun je met de tekst doen wat je wilt, het kan me niet schelen, ik vertrouw je. Geef me de naam Xaverius, genoemd naar de grote missionaris Franciscus Xaverius, die over de hele wereld trok. Hij is ook in de Molukken geweest en in India en Japan. In zijn naam staat Franciscus genoemd. En natuurlijk is het heel erg jammer dat hij geen Franciscaan, maar  een Jezuïet was."

Hij lachte. "Ja, stel me niet teleur, schrijf over Xaverius, kies je eigen woorden en trek je van niemand iets aan. Mensen hoef je niet te gehoorzamen. Als je hart maar zuiver is. Ik ben ook altijd mijn eigen weg gegaan en heb het geloof daardoor nooit verloren, maar juist behouden."

 

Ons laatste gesprek

En toen kwam het allerlaatste gesprek, een afscheidsgesprek, ongeveer een maand voor zijn dood. Hij had alle papieren die ik in de loop van de tijd hem toegestuurd had, in een mapje bij elkaar gedaan en zei: "Volgens mij heb ik nu een boek." 

Hij zei dat hij van de gesprekken met mij had genoten en dat ik nu maar zelf moest uitzoeken wat ik met de teksten zou doen. Hij zei nadrukkelijk dat hij het fijn zou vinden als ik er wat mee zou doen, maar ik was niets aan hem verplicht en als ik er een andere draai aan wilde geven, was het ook goed.

Ik antwoordde hem dat ik op dat ogenblik nog niet wist wat ik met de teksten zou gaan doen, maar als ik er wat mee zou doen, zou ik zijn persoon respecteren.

Ik bedankte hem wat hij mij in deze gesprekken had toevertrouwd.

 

Het besluit om de teksten uit te werken, een verantwoording

Zijn neef, die ik steeds van mijn vorderingen op de hoogte had gesteld, vroeg mij na zijn dood of ik de notities die ik had gemaakt, nog wilde uitwerken. Ik aarzelde. Hij drong aan. Zijn oom was tegenover hem altijd enthousiast geweest over de gesprekken met mij. Zijn oom zou het op prijs stellen als ik alsnog het verhaal zou voltooien, zo verzekerde hij mij.

Na een jaar lang gewacht te hebben heb ik de notities die ik had gemaakt, weer te voorschijn gehaald. Ik ging schrijven over Xaverius - met mijn eigen woorden, maar in zijn geest en gebruik makend van wat hij had gezegd. Hij heeft vele teksten van deze beschrijving gezien en becommentarieerd, ook de geromantiseerde, maar niet alle.

Sommige woorden van hem heb ik uitgewerkt om duidelijk te maken van wat hij bedoelde. Dit geldt met name voor de innerlijke monoloog, die hij weliswaar aanduidde, maar niet zo expliciet als ik die beschreven heb.

Een enkele opmerking in dit verband over het conflict met zijn orde in Brazilië en zijn activiteiten in de Amsterdamse tijd. Hij had de neiging om daarover terughoudend te zijn en vroeg zich af of het wel noodzakelijk was ze in het verhaal op te nemen. Hij wilde geen conflict over slechts een verhaal, want een verhaal is dat nooit waard!

Een verhaal is geen mensenleven. Voor een mens ga ik door het vuur, maar woorden zijn maar woorden.

Ik - Wim Rhebergen - heb gekozen om beide episoden wel te beschrijven en concreet in te vullen, concreter dan hij me dat zelf vertelde. Ik weet niet wat hij van mijn invullingen gevonden zou hebben, maar hij was niet kinderachtig en - daarvan ben ik overtuigd - zijn zij geschreven zoals hij ze verteld zou kunnen hebben.

 

 

 

 

 

 

Utrecht - Maliebaan

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 1 Brabant

 

Gisteravond ging ik even naar buiten. Ik had behoefte aan wat frisse lucht. Ik sloot de deur omzichtig achter me en liep richting Maliebaan, daar waar de kardinaal woonde. Onderwijl  echode het officie van Maria nog in mijn hoofd. Deze Utrechtse buurt, waarin het klooster ligt, is in de 19e eeuw gebouwd en kent een grote architectonische variatie. Steeds als ik door de straten loop, valt me dat op. Naast monumentale gebouwen zijn er ook eenvoudige arbeiderswoningen. Na jaren van verpaupering zijn ze in het kader van de stadsvernieuwing gerenoveerd en nu zeer begeerd. Tegenwoordig wonen in deze wijk mensen met geld. Ik denk vaak dat de mensen tegenwoordig niet beseffen hoe goed ze het hebben.

 

Mijn ouders waren arm. Mijn moeder vertelde hoe zij vanuit het Brabantse gehucht waar ze woonde, 's winters op schaatsen naar de markt in Den Bosch ging om eieren te verkopen. In die kleine boerendorpjes in het Brabantse had men het niet breed. Het was heel hard werken en armoe lijden.

Toen Philips in Eindhoven arbeiders nodig had, trokken vele Brabantse boerenzonen en hun vrouwen naar deze stad om er een nieuw bestaan op te bouwen. Ook mijn vader en moeder verhuisden na hun trouwen naar die stad. Mijn vader kon aan de slag bij een grossier in kruidenierswaren. Hij bracht op paard en wagen kruideniersproducten bij de winkeliers. Mijn vader kon goed met paarden omgaan en daaraan had hij zijn baan te danken.

Ik ben in Eindhoven geboren, of althans in een dorpje, dat nu tot dat stadsconglomeraat behoort. Een van mijn eerste herinneringen is dat ik in een grote mand op de fiets van mijn vader zit.

Mijn vader is gelukkig nooit werkloos geweest. Het is hem in zekere zin zelfs voor de wind gegaan. Hij had op een gegeven moment zelf een kruidenierswinkeltje. Eerst was dat nog in opdracht van de grossier, maar later werkte hij zelfstandig. Mijn vader wist van aanpakken. Nee, ik heb het in mijn jeugd met zo'n hardwerkende vader en moeder erg goed gehad.

In Indonesië en Brazilië heb ik echte armoede leren kennen. Mensen die geen habbekrats bezitten, die honger hebben en elke dag opnieuw maar moeten afwachten wat er naar hen toekomt; zij die leven van de kruimels die van de tafel van de rijken vallen om met een Bijbelwoord te spreken.

Utrecht is altijd een rijke stad geweest. Dat voel je als je door de straten loopt. Rijkdom is altijd oneerlijk verdeeld. Waar rijken zijn, zijn er ook armen en de armen zijn altijd talrijker dan de rijken, vroeger en nu.

In Utrecht zetelen vanouds de bisschoppen. De stad staat vol met kerken en kloosters. Vroeger meer dan nu overigens. De kerk is altijd rijk geweest en de kerk zal ook altijd rijk blijven.

Persoonlijk hecht ik niet aan rijkdom. Ik ben er totaal ongevoelig voor. Ik ben franciscaans priester, een bedelmonnik; ik heb mijn hele leven nooit iets van waarde gehad. Ja, op een gegeven moment heb ik wat foto's gehad, maar toen ik me realiseerde dat niemand er belangstelling voor had, heb ik ze verscheurd en weggegooid. Verbleekte plaatjes waren het geworden.  Ik vroeg me verwonderd af waarom ik die foto's zoveel jaren met me meegesleept had.

Het weggooien voelde als een bevrijding.

Je vraagt me of ik nog wat foto's heb. Nee, dus. Hij lachte: geen foto's, geen verhaal en geen roem.

Ik bleef gisteren op mijn wandeling hangen voor de etalage van een boekenzaak. Er waren weer nieuwe titels. Stapels boeken blonken in het licht. Ik houd van lezen, althans nu hij wat ouder ben en eindelijk de tijd heb om te lezen. Ik lees gelovige boeken. Geen boeken over moord en doodslag, en geen oppervlakkig sensatie. Ik houd van gedegen literatuur, boeken met inhoud, gedachten, filosofieën, theorieën over het bestaan. Nee, het hoeft niet altijd over het geloof te gaan. Ik houd ook van boeken over psychologie bijvoorbeeld. Weet je wat ik toen mezelf afvroeg. Ik vroeg me af of mijn leven een psychologisch drama was?

Hoe komt een mens op zo'n vraag?

De menselijke psyche is een draaikolk, er kan van alles boven komen drijven. Mijn leven is niet meer dan het leven van welk mens ook, al heb ik nog zoveel gezien en meegemaakt.

Ik vertel je nu wel van alles, maar ik vraag me af wat mijn woorden waard zijn?

Ik ben niet bijzonder. Ik ben er eigenlijk ook niet over uit of ik mijn hele leven nu aan jou bloot moet leggen. Ik heb ja gezegd, maar wat ik nu ben begonnen lijkt me ook een dwaas idee, gevaarlijk voor mijn zielenrust. Je wordt er ijdel van.

Ik heb vannacht over je gedroomd, maar misschien niet over jou, maar meer over de aandacht die je me geeft. Ik ben dat niet gewend. Die aandacht streelt me. Als ik niet oppas, groeit er in mij een gevaarlijk gevoel van verhevenheid, eigendunk en misplaatste trots. Ik voel dat al als ik het gekrabbel van je pen hoor. De aandacht die je geeft, doet me goed, maar roept ook een wantrouwen bij me op. Ik ben een eenvoudig mens die heb gedaan wat er van me verwacht werd. Dat moet je opschrijven. Ik heb gedaan wat er van mij verwacht werd. En maak van mij alsjeblieft geen heilige!"

 

Roeping

Hij pauzeerde, stond op, keek uit het raam, stak een sigaret op en zei: "Wie a zegt, moet b zeggen. Ik heb altijd mijn trots behouden - niet in negatieve zin, een sterk besef van persoonlijke waardigheid. Hij heb mijn hoofd nooit gebogen, ook niet voor de leiders van de kerk.

Ik heb ze weerstaan als zij iets van me vroegen dat niet strookte met mijn innerlijke overtuiging. Een mens hoort uit overtuiging te leven.

Ik heb met de blik op de hemel mijn eigen weg gekozen. Ik ben het conflict nooit uit de weg gegaan. Ik ben sterk gebleven, trouw aan mijn roeping. Ik ben daar dankbaar voor, want ook dat is genade.

Bij de orde van Franciscus voel ik me thuis.

Nu ik wat ouder ben geworden, denk ik vaak terug aan mijn kinderjaren. In de kinderjaren worden de eerste contouren van je eigen zelf zichtbaar.

Eerst zijn die contouren aarzelend en voorzichtig, breekbaar, maar mettertijd worden ze krachtiger en taaier. De kinderjaren bevatten woorden, die later uitgroeien en onontkoombaar worden. Ik zeg woorden, geen antwoorden.

Waarom heb ik verkozen franciscaan te worden?

Oom Theo, de broer van zijn moeder, was mijn heeroom. Oom Theo kwam regelmatig bij ons thuis. Hij was een graag geziene gast. Ik voelde dat oom Theo voor niemand bang was. Als hij de kamer binnenkwam, leek het alsof iedereen vrolijker werd; misschien zeg ik het verkeerd: niet vrolijker, maar meer ontspannen en gelukkiger, als het ware even bevrijd van de druk van het  dagelijks bestaan.

Vooral mijn moeder leek als hij er was, de ernst van zich af te werpen en begon druk te praten en koffie of thee te zetten. Zij en haar broer hadden samen altijd veel te bepraten.

Als ik oom Theo zag aankomen, sloop ik zo snel als ik kon de kamer in, want ik wilde er bij zijn. De bruine pij van de franciscaan, met zijn wit koord en aan dat koord een grote rozenkrans, intrigeerde me. Het waren voorwerpen van de wereld, waarin oom Theo woonde.

Als ik dichtbij oom Theo stond, rook ik die andere wereld ook, een geheimzinnige geur, die me een beetje misselijk maakte, maar niet echt natuurlijk, want daarvoor was die wereld te heilig en te verheven.

Die wereld van oom Theo was voor mij niet helemaal onbekend, want  het was de wereld van de kerk, het voorportaal van de hemel.

Ik was misdienaar en als ik mijn toog en superplie aantrok, dan voelde ik ook welhaast lijfelijk hoe ik werd opgezogen door iets wat groter was dan ik zelf.

Het was net alsof die gewaden van de kerk een mantel van genade waren, een omhulsel, waarin de heerlijkheid van God en de engelen daalde en die me ook afschermde van de gewone wereld van alledag.

De duisternis van mijn kleine hart verbleekte in het licht van de hemel.

En hoe gering ook, ik besefte dat ik als misdienaar een rol had in het toneelstuk van God. Dat toneelstuk was de echte wereld.

Ik was als kind er al van doordrongen dat deze wereld met al haar zorgen en tekortkomingen een schijnwereld was. Deze wereld zou eens voorbijgaan.

Een licht straalt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen.

Als kind begreep ik  dat wanneer ik in de donkere kerk het licht aandeed, de duisternis in een luttel moment verdwenen was. Alles werd goud en blonk.

Goud was de kleur van de hemel. In mijn fantasieën wist ik precies hoe de wereld eruit zag. Alle kleuren van de regenboog waren daar met een dun vernislaagje goud bedekt, met als gevolg dat alle kleuren dieper en intenser werden en begonnen te schitteren en te fonkelen in het licht van God.

De rol van misdienaar is bescheiden, dan wist ik wel, maar ik dankte God dat ik in de rol van misdienaar deel had aan het wonder, dat zich voor mijn ogen steeds weer voltrok.

Ik bracht de kelk en de hostie naar het altaar. Ik droeg de kannetjes met water en wijn naar de priester. Ik zorgde ervoor dat de priester zijn handen kon wassen en dat de priester aan het einde van de plechtigheid alles weer schoon kon maken.

Ik kende de gezichten van de kerkgangers, die trouw elke dienst aanwezig waren en devoot de handelingen van de priester ondergingen. Ik wist ook welke mensen maar zo nu en dan kwamen, soms wat verdwaald en met een vleug schaamte.

Met trouwerijen waren de mensen vrolijk en uitbundig, bij begrafenissen ernstig en verdrietig en als er een kind gedoopt werd, rommelig, omdat iedereen dan met al zijn aandacht bij het kind hadden, dat soms alle duivelen bij elkaar kon krijsen. Ik maakte het allemaal mee.

Door mijn gewaad voelde ik me beschermd voor de heftigheid van de emoties, ook mijn eigen emoties.

En zo was het natuurlijk ook met mijn oom Theo. Oom Theo leefde in de wereld van God en als hij naar ons nederig huisje kwam, was dat de gunst van een heilige.

Er waren nog meer wonderlijkheden. Als oom Theo dan op een gegeven moment opstapte om naar zijn wereld terug te keren, ging ik mee om het buskaartje voor hem te kopen. Een franciscaan raakt geen geld aan. Dat staat in de regels van Franciscus. De herinnering aan al die momenten dat ik naast oom Theo stond om op de bus te wachten, zijn me dierbaar. En als de bus dan kwam en met oom Theo wegreed, zwaaide ik tot de bus uit het zicht verdween.

 

God, zeg me wat ik doen moet

"Mijn ouders waren beide gelovig katholiek en hebben me leren bidden".

Nee, dat wil ik niet. Je moet de zin veranderen in: "Mijn ouders waren beide gelovig katholiek en hebben me als kind iedere zondag naar de kerk meegenomen." 

Hij keek me aan. "Ja", lachte hij enigszins bedremmeld: "Het luistert nauw".

Ik vroeg hem uitleg. "Hebben uw ouders u niet leren bidden? Wie heeft u leren bidden? Of wat is bidden eigenlijk? Misschien begrijp ik het woord bidden niet goed. Bidt elk mens niet op bepaalde momenten in zijn leven?"

"In de kerk wordt gebeden, en in het klooster. Dag en nacht wordt daar door de zusters en broeders gebeden. In mijn opleiding als priester heb ik lessen gehad over het gebed en de gebeden van het geloof. Bidden, ik weet er alles van, maar het eigenlijke bidden is genade.

Bidden is het zoeken en het ervaren van de intimiteit met God.

Christus leert ons te bidden, de kerk leert ons te bidden, maar toch denk ik dat het bidden een wonder is dat ons gegeven wordt. En God is vrijgevig.

Ik denk dat mensen overal en altijd kunnen bidden ook al zijn ze onbekend met de woorden van de kerk. Ik heb als kind God gebeden toen ik uitzag naar het moment dat Hij mij zou roepen." 

 

Xaverius keerde terug naar zijn kindertijd en zag zichzelf in de bossen en hei spelen, samen met wat vriendjes uit de buurt. Hij trok weinig op met zijn oudste broer Walther, die vier jaar ouder was. Zijn drie jongere broers vond hij te jong om mee te spelen.

Hij had zijn eigen vrienden en ze bouwden hutten in de nabijgelegen bossen en later voetbalden ze op een braakliggend veldje. Hij realiseerde zich dat hij een prachtige jeugd had gehad.

 

"Geloof ik in roeping?" Hij koos zijn woorden voorzichtig uit: "Tegenwoordig denk ik daar vaak over na. Ik vraag mij zelf af: Wie heeft mij geroepen. Door wie ben ik geroepen? Wat heb ik gehoord?

In mijn kindertijd en jeugd zijn er verschillende aanleidingen geweest om de keuze voor het priesterschap te maken. Ik weet niet of er een bepaald moment in mijn leven aan te wijzen is."

Hij zweeg en staarde voor zich uit en zei: "Ik bid nog steeds zoals ik als kind gebeden heb: "God, zeg me wat ik doen moet?"

 

Van Eindhoven naar Den Bosch

"1935, ik was tien jaar. We zaten aan de tafel voor het middageten. Mijn vader zat aan het hoofdeinde van de tafel, mijn moeder aan de andere kant. Ik zat naast zijn broer Walther, en tegenover mij zaten Jules, Bert en Arnold. Na het gebed uitgesproken te hebben deelde mijn vader mee dat wij binnenkort naar Den Bosch zouden verhuizen. Hij wilde daar een eigen zaak beginnen. Alles was al in kannen en kruiken en een lang gekoesterde wens van hem ging daarmee in vervulling.

Ik was niet verrast. De mededeling van mijn vader was voor mij een bevestiging wat ik eigenlijk al wist. Niet dat daarover met mij gesproken was, daarvoor was ik te jong, maar omdat je dat als kind nu eenmaal voelde. Later heb ik Walther gevraagd of die van de plannen van zijn ouders had geweten.

"Ja", had Walther gezegd en ik heb gereageerd met: "Ik wist het ook wel!" Ik hoor het mezelf nog zeggen.

Mijn vader was ambitieus en mijn moeder steunde hem daarin. Ik heb bewondering voor hen. Het was crisistijd en toch hebben ze het aangedurfd.

Van de verhuizing kan ik me weinig herinneren. Hoe ik van mijn vrienden afscheid heb genomen, herinner ik me niet. Misschien heb ik helemaal geen afscheid genomen en was ik zo maar vertrokken. Ja, dat is heel goed mogelijk.

Als ik terugdenk, zie ik mezelf in een vreemde klas zitten met een vriendelijk kijkende onderwijzer, de 'meester'. Ik zat naast een jongen met rood haar en voor hem zat Louise, die een strik in haar haar had.

Wat ik me ook nog herinner was, dat ik de ene onvoldoende na de andere kreeg. Hoe dat kwam, begreep ik niet.

Ik was weliswaar nooit een hartstochtelijke leerling geweest, naar zo'n regen van onvoldoendes was toch wel nieuw voor mij. Toch leed ik er niet onder.

Mijn hoofd zat vol met indrukken van de vreemde nieuwbouwwijk, van de nieuwe winkel van zijn vader en het grote huis, waar we nu woonden.

Ik had direct enkele Bossche vrienden, met wie ik na schooltijd de stad door struinde. Er was altijd wel iets nieuws te ontdekken. Ondeugend waren we niet echt, maar wel wild en ongedisciplineerd, ongrijpbaar.

Mijn ouders hadden het druk met de winkel en wisten vaak niet waar ik uithing. Ze werkten dag en nacht. Als ik thuis was, moest ik meehelpen, evenals zijn broers trouwens. Ik hielp vaak mijn moeder met het wassen van de vaat en het vegen van de winkel.

Het was een opluchting voor mij toen vanuit de school geadviseerd werd om de klas nog maar eens over te doen. De school in Den Bosch sloot niet goed aan bij die van Eindhoven, werd er gezegd."

Hij glimlachte geruststellend: "Het blijven zitten was voor mij geen trauma."

Ik was geen studiehoofd, maar ik wilde wel verder studeren. Oom Theo kwam met een advies. Hij zei het voorzichtig. Voelde ik ervoor om naar het Franciscaans klooster in Megen te gaan?

Het gymnasium stond bekend om zijn uitstekende gymnasiumopleiding en begeleiding van studenten. Ik zou me er thuis voelen. Na de opleiding zou ik zelf kunnen beslissen wat ik na de opleiding zou doen. Ik legde me met mijn keuze voor het gymnasium niet voor de rest van leven vast.

Had ik de capaciteiten om zo'n opleiding te volgen? Nee, dat had ik niet. Of nog niet. De oplossing diende zich vanzelf aan. Ik zou de zevende klas van de lagere school kunnen volgen, bijlessen kunnen nemen in de vreemde talen en me kunnen voorbereiden op zelfstandigheid. En zo duurde het nog een jaar voordat ik naar het franciscaans gymnasium in Megen vertrok.

 

Megen

 

 

Kloosterkerk

 

 

Latijnse school Megen

 

 

Bruurke

 

 

Megen

Mijn ouders - die waren de eerster peiler in mijn bestaan, Megen was de tweede. Vanaf de eerste dag was ik onder de indruk van die mannen in pijen, die in dat grote gebouw onverstoorbaar en ingetogen, volgens de eigen rite leefden.

Hier heerste devote rust, volstrekte toewijding en vrede.

Dit was de echte wereld, de wereld van oom Theo en God, die altijd al als een magneet op me inwerkte. Ik voelde me gelukkig en heb nooit heimwee gehad.

 

Megen was een klein, schilderachtig oud stadje in een kronkel van de Maas.

Voor de schippers die de Maas bevoeren, was Megen een steen des aanstoots.

Het gezegde luidde: "Megen hier, Megen daar, 'k wou dat Megen naar de bliksem waar." Het stadje lag precies tussen Den Bosch en Nijmegen in, ten Noorden van Oss en ademde naar haar rijke historie.

Eertijds hadden de Kelten zich op de zandkoppen en oeverwallen gevestigd, dichtbij de vruchtbare rivierklei, dat was bij benadering twee eeuwen voor Christus. Later waren de Romeinen gekomen en hadden de stad waarschijnlijk haar naam gegeven. Magus, dat is veld, plaats, stad; of Magos, doorwaadbare plaats.

In de middeleeuwen was Megen de hoofdstad van het graafschap Megen en behoorde bij het domein van de hertog van Brabant.

Megen kreeg in het jaar 1375 stadsrechten en in verband met haar strategische ligging aan de Maas werd er een sterke burcht gebouwd.

De stad werd tijdens de tachtigjarige oorlog volledig platgebrand, 1583.

Megen kreeg daarna nooit meer de luister die ze had. Maar haar zelfstandigheid bleef behouden. In 1645 arriveren de minderbroeders-franciscanen en zij begonnen een paar jaar later met bouwen van een klooster.

De Staten-Generaal in Den Haag met haar protestante inslag protesteerden tegen deze enclave van Katholicisme, maar konden gezien de zelfstandigheid van Megen de bouw ervan niet tegenhouden.

In 1689 is de kerk ingewijd. De Latijnse school dateert van 1645 - en deze school was het gymnasium waar ik dus ging studeren.

In 1720 komen de Clarissen naar het graafschap.

Direct na de Napoleontisch tijd verloor Megen jaar zelfstandigheid en werd ze ingelijfd in het Koninkrijk der Nederlanden. Het betekende het einde van de roemruchte geschiedenis van het stadje. Megen raakte in de vergetelheid.

Ik kan je dit nu allemaal vertellen omdat ik het voor jou in een boekje opgezocht heb, maar toen ik er was, had ik je dat niet zo gedetailleerd kunnen vertellen. Maar ik voelde dat wel!

Ik hield onmiddellijk van het stadje met haar kerken en kloosters en haar verering voor de heilige Bruurke. Ja, Megen heeft haar eigen heilige gekregen. Evardus Witte heette hij en hij ligt begraven in de naar hem genoemde kapel. De mensen roepen zijn hulp nog steeds in, precies zoals ze dat deden toen hij nog huisschilder en portier van het klooster was. Als men bij hem kwam en hem vroeg of hij voor hen wilde bidden, was zijn antwoord altijd: "Nee, dat wil ik niet, maar we kunnen wel samen bidden." Ik heb hem toen ik Megen was, nog wel gezien. Zo'n man spreekt mij aan. Om de eenvoud. Ik beken: Ook ik heb wel eens op een stil moment een briefje in  zijn handen gelegd en om genade gebeden, opdat mijn opleiding aan het gymnasium met succes mocht voltooien.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gebed van Franciscus

 

Heer, maak van mij een instrument van uw vrede,
zodat ik liefde verspreid waar men elkaar haat,
dat ik vergeef waar men elkaar beledigt,
dat ik verenig waar men strijdt,
dat ik de waarheid spreek waar dwaling heerst,
dat ik het geloof breng waar twijfel terneer drukt,
dat ik hoop wek waar vertwijfeling heerst,
dat ik Uw licht ontsteek waar duisternis is,
dat ik vreugde breng waar leed woont.

Heer, laat mij er naar streven niet dat ik getroost word,
maar dat ik troost breng,
niet dat ik begrepen word,
maar dat ik de ander versta,
niet dat ik geliefd word,
maar dat ik liefheb.

Want wie geeft, ontvangt,
wie zich zelf vergeet, die vindt,
wie vergeeft, hem wordt vergeven
en wie sterft, ontwaakt ten eeuwigen leven.

Amen.

 

 

Opgenomen in een kostgezin

Toen ik er was, speelde het klooster in de kleine gemeenschap, die Megen is, nog altijd een belangrijke rol. Aan het gymnasium was geen internaat verbonden. De studenten werden in plaatselijke kostgezinnen ondergebracht.

In dergelijke kosthuizen zaten dan rond de 10 à 12 jongens, afkomstig uit alle klassen van het gymnasium.

Ik werd geplaatst bij een zekere  tante Bertha - zo liet ze zich althans noemen. Tante Bertha had een dochter, Louise, die ook in huis was.

Tante Bertha was een moeder voor ons. Ze had het voortdurend had over haar jongens. Toen ik aankwam en ze me mijn bed aanwees, zei ze lief dat ik maar moest zeggen wanneer ik het koud had en een extra deken wilde.

Ik moest er even aan wennen dat zij, wanneer ik naar het gymnasium haastte, vroeg of ik mijn haren wel had gekamd.

Tante Bertha was het kosthuis begonnen nadat haar man was gestorven. Louise hielp haar in de huishouding.

Louise had verkering met Bart, een boerenjongen die in Margharen woonde, een dorpje verderop. Zondags zag ik hen samen wandelen. Waar ze naar toe gingen, wist ik niet.

Tante Bertha zorgde voor het eten. Om acht uur was er het ontbijt. Ik moest dan gewassen en aangekleed zijn. Om half een was er het middageten. Het was eten wat de pot schafte. En 's avonds was er dan de broodmaaltijd.

Louise zorgde voor het schoonhouden van het huis. Ze deed ook de was. Ik moest zelf mijn bed opmaken. Een keer per week werd een laken verschoond.

Ik moest het onderlaken in de wasmand op de gang doen en het bovenlaken daarna als onderlaken gebruiken. Ik kreeg elke week twee schone handdoeken en een washandje. Als ik mijn kleren wilde laten wassen, kon ik die ook in de wasmand doen. Ik moest mijn eigen spullen opruimen en bij elkaar houden en kreeg daarvoor een plank in de kast aangewezen.

Als ik aan die tijd terugdenk, ben ik nog steeds onder de indruk van dit systeem. Het is beter dan een internaat, waar alles voor mijn gevoel door de grootschaligheid onpersoonlijker is. Het was een heerlijke tijd bij tante Bertha en Louise.

 

Oorlog

De wereld raakte vlam, maar in Megen werd daar niet over gesproken. Ja, je hoorde wel eens wat over de ontwikkelingen in Duitsland en Polen, maar dat was allemaal ver weg en had niets met Megen te maken.

En toen, vrijdag 10 mei 1940 in de vroege ochtend, vielen de Duitsers Nederland binnen. Ik ging die dag net zoals de andere leerlingen naar het gymnasium.

Er werd gewoon les gegeven. Maar toen plotseling een wagen met Duitse soldaten door de straten van Megen reed, sprong iedereen op en vloog naar het raam om maar een glimp van de vijand te mogen zien. Wat ik toen zag, ben ik nooit vergeten. We hebben er toen overigens nauwelijks over gepraat. Even later werden de lessen weer gewoon hervat en leek het voorbij.

Wat was oorlog eigenlijk? We hadden nauwelijks een idee.

De leraren maakten wel eens een opmerking over wat er in Nederland aan het gebeuren was, maar het drong nauwelijks tot ons door. We gingen op in onze eigen kleine wereld van school en kerk.

Een klein incident  maakte me wel onrustig. Ik was er getuige van dat de klokken van de kloosterkerk neergehaald werden om te voorkomen dat de vijand ze zou omsmelten tot wapentuig. Maar dat was later in de oorlog.

's Avonds toen ik in de kerk zat en naar het beeld van Franciscus keek, zocht ik troost bij het gebed van Franciscus, dat ik woordelijk kende. Heer, maak van mij een instrument van uw vrede.

Het zijn mooie woorden. Je moet ze opschrijven en in de tekst verwerken.

Ik wist van de erge dingen die gebeurden, maar sloot me er ook in zekere zin van af en verdiepte me in mijn boeken. Wat kon ik ook doen? Wat moest ik doen? Was mijn weg niet de weg van contemplatie en verstilling, van meditatie en gebed?

Ik was dankbaar dat ondanks alle gruwelijke verhalen die ook in Megen in die oorlogstijd de ronde deden, ik goed te eten had, en vrienden.  Op een dag kwam een boer met  een heel varken op zijn nek naar het klooster om iedereen van eten te voorzien. Dat gebeurde vaker. We konden op de boeren rekenen. De voedselvoorziening was in Megen geen probleem.

 

Walther

Vakantie. Samen met mijn kameraad besloten we om die vrije dagen bij mijn ouders in Den Bosch door te brengen. Den Bosch is een mooie stad. Ik was verbaasd dat mijn vader ons bij het station stond op te wachten. Dat had hij nog nooit gedaan. Er was iets gebeurd. Ik merkte dat hij van streek was.

Hij zei dat Walther door de Duitsers was opgepakt en nu in Vught gevangen zat. Hij zou naar Duitsland worden getransporteerd. Mijn vader herhaalde verschillende malen dat hij nooit had geweten dat Walther in het verzet zat, en als hij dat wel geweten zou hebben, hij het hem ten strengste had verboden. Walther was verraden. De hele verzetsgroep, waarbij Harry was aangesloten, was verraden.

Thuis zag ik mijn moeder met betraande ogen en mijn vader schreeuwde en tierde, stampte wanhopig en machteloos het huis door en was niet tot bedaren te brengen.

Afschuwelijk. De volgende dag reisde ik, samen met mijn kameraad, naar Vught. Ik had een tas met wat voedingsmiddelen bij me.

Het was onmogelijk Walther uit de gevangenis halen en van de dood redden. We hebben van alles geprobeerd. Ik heb nog brieven geschreven, maar dat haalde niets uit. Walther is drie maal ter dood veroordeeld. Eerst tijdens zijn verblijf in Vught, daarna in Utrecht toen hij naar Amersfoort was overgeplaatst en volgens mij ook nog een keer in Duitsland toen hij in Mauthausen zat. Wij kregen een brief dat hij dood was.

Eind mei 1945 keerde Walther terug, vel over been, nog geen 46 kilo zwaar. Toen de Engelsen het kamp dreigden te bevrijden, had er in het kamp een schijnfusillade plaatsgevonden. Men had alle ter doodveroordeelden gedwongen een afscheidsbrief naar huis te schrijven om ze daarna naar de executieplaats te voeren, waar op hen in het zicht van de nederlaag met losse flodders was geschoten. Zo kwam Walther uit het concentratiekamp.  In elk mensenleven gebeuren er wonderen. Walther heeft bij zijn terugkomst nog anderhalf jaar met een dubbele longontsteking in het ziekenhuis van Roermond gelegen. Toen hij naar Den Bosch terugkeerde, kwamen zijn verraders hem feliciteren. Toen pas is de zaak uitgezocht en werd duidelijk wie het verraad had gepleegd. Ja, wij kenden verraders."

 

Wil je Franciscaan worden?

"De slag om Arnhem, Market Garden, begon zondag 17 september 1944 om half twaalf met een bombardement op Arnhem en duurde tot 25 september.

Het gehele gebied rond Arnhem en Nijmegen was bij de oorlogshandelingen betrokken. Megen, dat dichtbij Nijmegen lag, was niet meer veilig.

De rector gaf ons de opdracht thuis te blijven en de ontwikkelingen verder af te wachten. Het gymnasium werd tijdelijk gesloten.

Ik zat bij mijn ouders in den Bosch. Elke dag gebeurde er wat. Ons huis werd door granaatvuur getroffen, voor en achter. De granaten schoten dwars door ons huis. Alle ruiten werden uit de raamspanningen geslagen. Overal lag het puin, alleen de koffiepot op tafel bleef overeind staan. Eind oktober 1944 werd Den Bosch werd door de geallieerden bevrijd, maar de oorlog bleef dichtbij. Aan de overkant van de Maas bij Hedel zaten de Duitsers. Ik zag de vliegtuigen overvliegen.

 

De oorlog betekende voor mij geen aantasting van mijn geloof, veeleer was het omgekeerde het geval. Ik zag de waanzin. Ik zag hoe de mensen wild om mij heen vochten. Veel soldaten waren niet veel ouder dan ik was. Ik vocht ook, maar anders. Er kwam een zekere radicaliteit in mijn leven. Ik koos voor Franciscus, de man die in de wereld van het geweld vrede wilde stichten. Zijn boodschap was zo eenvoudig,  zo klaar en onontkoombaar waar, dat ik dacht:: zo wil ik ook leven, ik wil in de voetsporen van Franciscus gaan.

 

Toen het leven na de bevrijding weer wat ordelijker werd, begon de opleiding in Megen weer, naar ik meen was dat in juni of juli 1945. Ik kreeg nog ongeveer twee maand les om mijn opleiding af te ronden en moest ik mijn keuze officieel kenbaar maken. De rector riep mij voor een persoonlijk onderhoud bij zich en vroeg: "Wil je Franciscaan worden?"

Ik kon recht uit mijn hart spreken. Ik had er al zo vaak over nagedacht.

O ja, hij zei nog dat hij me vrij liet. Ik kon ook een vrouw kiezen, trouwen en kinderen krijgen. En hij zei dat wanneer ik priester wilde worden, ik ook voor het celibaat koos, maar dat wuifde ik weg. Met het celibaat was ik in die tijd helemaal niet bezig.

Ik zou ook de maatschappij kunnen ingaan, carrière kunnen maken, rijk kunnen worden. Hij benadrukte dat ik hem of de orde tot niets verplicht was.

Ik kon ook een andere orde kiezen. Tijdens de Goede Week had ik verschillende kloosters bezocht. Ik kende de orde van de Benedictijnen, die in Oosterhout zaten en kende de Trappisten in Zundert.  Het was voor mij evident dat ik Franciscaan zou worden. Na het gesprek met de rector voelde ik me blij, gelukkig, opgetogen. Ik weet niet hoe ik dat moet zeggen. Het was een gevoel van verrukking, extase, diepe tevredenheid. Ik dankte God dat Hij me had geroepen. Van de keuze die ik toen maakte, heb ik nooit spijt gehad."

 

Het klooster

"Alle studenten, die zoals ik voor een leven in het klooster hadden gekozen, werden begin september in een vrachtwagen naar een klooster in Venray gebracht. Het was prachtig weer. De zon scheen en ik voelde hoe de wind zacht over mijn gezicht streek. Het leek me alsof de wereld zich zoals slang vervelde. Het oude werd afgescheurd en het nieuwe, dat te voorschijn kwam, was jong, fris, vitaal, uitdagend.

De oorlog was voorbij, Nederland was vrij. Ineens werd ik me bewust van een gevoel dat ik nooit gekend had, een gevoel dat ineens zo vanzelfsprekend en natuurlijk was dat het raadsel was waarom ik het niet eerder had ontdekt. Ik leefde naar mijn toekomst toe. Het was geestelijk, lichamelijk, ja, het was seksueel, hoewel ik dat woord eigenlijk toen schuwde en niet in mijn mond wilde nemen. Ik voelde bevrijding en schudde welhaast lijfelijk alle menselijke angsten en bekrompenheid van me af. Het was een verbijsterend gevoel, dat niettemin me heel vertrouwd en nabij voorkwam, alsof het altijd al in mij had bestaan en nu uit de wortels van mijn bestaan omhoog rees en mij in bezit nam. Ik werd een nieuw mens. 

We reden op die vrachtwagen dus naar Venray. Venray was door de oorlog bijna volledig verwoest. De grote kerk "Sint P­etrus Banden" had zijn toren verloren en het centrum van Venray was zwaar beschadigd. Ook het franciscaans klooster, waar wij werden ondergebracht. Het klooster had echter een inmiddels een provisorisch herstelde vleugel en daar werden we gehuisvest.

Met mij waren er nog 29 andere noviciaten, zeg maar eerstejaarsstudenten van de priesteropleiding. Vier van hen kwamen uit Megen, de overigen kwamen van andere kloosteropleidingen.

7 september 1945 treed ik bij de Franciscanen in Venray in. De datum staat in mijn geheugen gegrift. Ik heb deze datum heb ik nooit vergeten. Ik denk dat dat te maken heeft met de enorme betekenis die deze dag voor me had. Eigenlijk weet ik dat wel zeker.

Het is bevestiging van mijn keuze, een genade die je toevalt, een geschenk, zo heb ik het althans ervaren.

De inkleding gebeurde na een week van retraite tijdens een apart daarvoor georganiseerde liturgische viering. We kregen de bruine pij uitgereikt. Het was geen nieuwe pij, maar een reeds gebruikte.

De inkleding gebeurt volgens de voorgeschreven regels. Zo werd er bijvoorbeeld officieel door de diaken aan de toehoorders gevraagd of iemand bezwaren had tegen de voorgedragen kandidaten.

Bij mijn 'inkleding' waren maar weinig mensen van buiten het klooster aanwezig. Familie of vrienden van buiten waren niet uitgenodigd. Het was in beginsel een intern gebeuren binnen de kloostergemeenschap. Alle medebroeders deden aan de plechtigheid mee.

 

Zoals ik al zei, het klooster was in de oorlog zwaar getroffen en de wederopbouw ging stap voor stap. Iedere noviciaat kreeg een cel toegewezen. Deze was ongeveer 2 bij 3 meter groot, net voldoende voor een tafel en een stoel en een bed. Er stond een kastje om wat ondergoed te bewaren. Verder was er een wasbak. Een spiegel ontbrak. Dat hoefde ook niet, want hadden de zogenaamde grote kruisschering. Het haar op ons hoofd was weggeschoren behalve een kleine kruin. Onze cellen hadden die eerste drie maanden nog geen ramen van glas, maar van mica. Als het flink regende en woei, werd alles nat. Er was in die begintijd ook geen verwarming. Echt koud hadden we het niet. De grote mantel die we om ons heen sloegen, eigenlijk niet meer dan een zware lap stof, hield ons warm, ook al liepen we op blote voeten in onze sandalen. We liepen zelfs met die blote voeten in de sneeuw, een hilarische ervaring.

Het leven van een noviciaat is tamelijk rustig en geordend. Je leeft volgens een vast dagschema, dat 's morgens om zes uur begint met de lauden.

Daarna het officie van Maria en de viering van de heilige mis.

En zo waren er vijf vastgestelde tijden per dag, waar we samen in het grote koor zaten en het officie baden.  Iedere dag kregen we een lexio - een les van de novicemeester, die we magister noemden. 

De les behandelde meestal over het gebed en alles wat daarmee samenhing. En natuurlijk ook over de leefwijze van de novice.

We leefden afgesloten van de wereld. Bezoek van buiten was ons verboden.

We spraken onderling ook niet met elkaar. Het was ons ook niet geoorloofd om elkaar in de cel op te zoeken. We zagen elkaar in de refter.

En als er dan door de gardiaan 'colloquium' werd geroepen, mocht je met elkaar praten.

Ondanks dat we als novices geen of heel weinig verbaal contact met elkaar hadden, was de onderlinge groepsverband heel sterk. Er was een sterk gevoel van saamhorigheid. We begrepen elkaar en hadden op onze eigen manier ook veel lol met elkaar. Dat gevoel van saamhorigheid, intimiteit tussen jongens en mannen met een zelfde ziel, is nooit bij mij weggegaan. Het heeft me later ook in moeilijke situaties sterk gemaakt. Je kunt zeggen dat het een soort basis is, waarop je altijd terug kunt vallen.

Een enkele maal mochten we onder de begeleiding van de magister in groepsverband samen in de tuin van het klooster wandelen. Dat was voor ons een uitje. Door de oorlog was er geen omheining meer tussen de kloostertuin en de nabijgelegen straat. De magister zag erop toe dat we niet aan de verleiding toegaven om op straat te lopen.

Eén voorval herinner ik me nog als de dag van gisteren. In het klooster lag her en der nog bouwafval. Iemand van ons stak er de fik in, niet wetend dat dit een enorme brand zou veroorzaken. Binnen vijf minuten stond de brandweer voor de deur. We vonden het geweldig. Eindelijk gebeurde er eens wat!

We leerden de drie geloften die ons gemeenschapsleven bepalen: de geloften van de armoede, de zuiverheid en de gehoorzaamheid. Maar daarnaast het lopen manus in manicis en de houdingen bij het bidden.

Met manus in manicis wordt bedoeld dat men met de handen in de mouwen loopt, een manier van lopen dat waardigheid uitdrukt. Mijn ervaring is dat deze manier van lopen de mens innerlijk rustig maakt, evenwichtig, sterk. Lichaamshouding en innerlijke gesteldheid worden door deze manier van bewegen op elkaar als het ware afgestemd. Het is een notie, die ik later in mijn leven als van groot belang heb leren inzien.

Ik noem een ander voorbeeld. Het is anders wanneer men met gesloten ogen voorovergebogen bidt en wanneer men de armen naar boven heft en de ogen naar de hemel richt. Bij de eerste houding keer je je naar binnen, bij de tweede stel je je open en neem je een ontvangende houding aan. Beide houdingen zijn goed, daar gaat het niet om, maar de werking ervan is anders.

Nog een ander voorbeeld is het knielen en het op de grond liggen, bijvoorbeeld bij de priesterwijding. Het zijn vormen van onderwerping aan God, eerbetoon aan Hem die dat toekomt.

In de lichaamshouding drukt zich de psyche van de mens zich uit, en ook omgekeerd, door een bepaalde manier van bewegen en verstillen kan men de psyche beïnvloeden. Wie zich door anderen laat opjagen, wordt ook zelf opgejaagd en onrustig. En het is ook aanstekelijk gedrag. Wie zich opgejaagd voelt, jaagt anderen ook op. Het zijn van die cirkels, die een hele samenleving in de ban kunnen houden.

 

In het klooster heb ik de stilte leren kennen.

De afsluiting van de buitenwereld, zoals ik die heb meegemaakt, is voor mij het begin geweest van een proces van inkeer en zelfonderzoek.

Het is niet gemakkelijk, niet vanzelfsprekend.

Het is een proces van confrontatie met je eigen zelf, dat wanneer je ermee begint, niet weet wat je allemaal op die weg kunt tegenkomen.

Je leert de onrust van je ziel kennen. De turbulentie van gedachten en gevoelens, verlangens, driften.

De voortdurende behoefte aan geluid en kabaal duidt mijns inziens vaak op een leegheid van de ziel, op angst voor eenzaamheid en alleen zijn. Ik heb van de stilte leren houden. De stilte maakt me rustig.

Nog steeds is het op mijn kamer vaak stil. De radio bijvoorbeeld staat mij niet aan, behalve wanneer ik naar het nieuws wil horen of naar muziek wil luisteren. Weet je dat wanneer je naar muziek wilt luisteren, je stil moet zijn, ook innerlijk stil, ontvankelijk.

Ken je het verhaal van de profeet Eila. Het staat in I Koningen 19 vers 9 vv. Elia ontmoet God, niet bij een geweldige en sterke wind, niet bij een aardbeving, niet bij het vuur van de bliksem, maar bij het suizen van een zachte koelte.

Hoe waar is dat verhaal!

Als ik over mijn leven verder vertel, zul je merken dat ik de dynamiek van de wereld als geen ander ken, maar het leven in de stilte dat ik in het klooster heb leren kennen, is daarbij een kracht voor me geweest. En nu ik ouder ben, helemaal. Het is vaak stil in mijn kamer, maar ik luister. Ik hoop dat je begrijpt wat ik bedoel.

 

Nog iets over de voedselsituatie zo direct na de oorlog. Ik merkte toen pas dat ik in de oorlog ondervoed was geraakt. Ik at iedere morgen zo'n 10 à 12 sneden brood, met vet en stroop. Het ging vanzelf. Mijn lichaam vroeg er als het ware om. Weliswaar had ik tijdens de oorlog geen honger geleden, maar ik moest mijn lichaam weer op peil brengen. Pas met de kerst werd mijn eetpatroon weer wat normaler. Het middageten was uitstekend. De termijn - zoals we dat noemen - van Venray was erg groot. De zogenaamde termijnbroeders gingen de boer op om voedsel voor het klooster te verzamelen. Mensen schreven dan een bonnetje, waardoor de termijnbroeders bij de winkeliers voedsel voor het klooster konden inkopen. De winkeliers werden dan later door de mensen die de bon hadden afgegeven, betaald. Het is een organisatie die verwijst naar het karakter van de orde. Franciscanen zijn van oorsprong bedelmonniken. In die tijd woonden er in Venrayse klooster naast onze groep novices nog zo'n 120 Franciscanen, onder wie veel missionarissen, die nog niet naar hun missiegebied konden afreizen.