Home

Interviews

 

Contact: info@rhegie.com

 

 

 

Wim Rhebergen, maart 2008

 

 

 

Margriet Ehlen

 

Componist

 

Muziek is de wereld van buiten de tijd

 

 

 

 

 

2003

 

Ignis Caritas

 

Toen roos en vlier in bloei geschoten

Orfeo met hart en harp

wandelde over het water, in

cadans met de maan en de wolken,

de glans van de sterren voorbij,

had de nacht duizend ogen,

had de nacht duizend oren.

De dieren kwamen te voorschijn,

de een na de ander, tot

het getal vol was en de maand rond.

Ze wisten:

Kom, o vuur van liefde, kom

Vuur van God,

Geest van God,

geef mij licht,

geef mij kracht,

geef mij troost,

troost,

met de klok mee,

breng mij thuis.

 

Tekst en muziek van Margriet Ehlen

 

 

Frank Steyns, stadsbeiaardier in Maastricht, speelt  Ignis Caritas op het carillon van de Sint Servaesbasiliek.

 

Partituur Ignis Caritas

 

Binnenkort verschijnt een cd van haar werken, te bestellen bij de

Stichting Limburgse Componisten.

 

 

Margriet Ehlen, componist

 

 is geboren 28-9-1943 in Heerlen.

 

Ze schreef een groot aantal liederen en kleine koorwerken op teksten van o.a. Wiel Kusters, Gerrit Achterberg (Eurydice),  Emily Dickinson, Anna Bijns, en Elly de Waard.

In 1992 componeerde ze muziek bij Boeddhistische teksten: 'The Dhammo is like a lucid Lake' en 'Dhammo Rahado Akaddamo'.

Voorts componeerde ze voor orgel, klavecimbel, carillon en kleine kamermuziekbezettingen.

"For the distant" is een mini-opera (2003).

 

Voor haar poëzie ontving zij in 1997 de Peter Kempkens literatuurprijs van de provincie Limburg, in 1998 de poëzieprijs van de stad Sittard en verder (1995-1999) vier Veldeke onderscheidingen.

 

Zij was een van de oprichters van

Stichting Limburgse Componisten.

 

Als muziekdocente was zij achtereenvolgens verbonden aan de Pedagogische Academie in Maastricht, het Bisschoppelijk College in Sittard en aan de Pedagogische Academie Thomas Morus in Rotterdam.

 

Toelichting van Margriet Ehlen

op haar compositie Antifoon (1966)

 

Antifoon (1996) is geïnspireerd op de antifoon O Quam mirabilis van de middeleeuwse mystica Hildegard von Bingen (1098-1179). Deze antifoon, waarvan Hildegard zowel tekst als muziek schreef, is een mystieke aanschouwing van het Alwetende hart van de Godheid, die zijn schepping ziet samengebald in het gelaat en de gestalte van de mens. Het hemelse visioen van Hildegard vormt, volledig geciteerd, het uitgangspunt van mijn compositie. Dit statische gegeven heb ik doorsneden met commentaar van de feministe Anna Bijns (1493-1575). In haar rederijkersrefreinen zet Anna strijdbare, maatschappijkritische scheldkanonnades neer. Ik heb gekozen voor een van haar laatste refreinen, ‘O ongenadige dood, bloedgierige beeste!’, die de stokregel draagt: ‘O dood, hoe bitter is uw gedinken!’. Op deze wijze krijgt mijn ‘Antifoon’ gestalte, in beurtzang tussen twee sterke middeleeuwse vrouwen. Het visioen van het liefdevolle, alwetende hart van God wordt zeven keer gebroken door de pijn en bitterheid van de dood. Tekst en muziek van Hildegard zijn intact gebleven zoals ze 850 jaar geleden genoteerd werden, ritmisch zeer vrij, vloeiend, fantasievol. Het gedicht van Anna heb ik voorzien van een muzikale laag: vaste notatie, maar ook met improvisatiemogelijkheden en performanceacts. Deze muziek is te beschouwen als commentaar in de tijd, 425 jaar later gecomponeerd in retrospectief. Met beide vrouwen, Hildegard en Anna, heb ik mij volledig geïdentificeerd.

 

 

 

 

De wereld van buiten de tijd

Muziek is de wereld van buiten de tijd. Klanken omringen je in die wereld boven en beneden, voor en achter en aan beide zijden. Dat voel ik als ik componeer. De muziek zit in mijn hoofd. Als componist moet je luisteren.

Ik hoor de klanken en dan schrijf ik heel geconcentreerd noot voor noot.

Ik hoef niet te eten, ik hoef geen boodschappen te doen, ik lees de krant niet. De wereld buiten mij is als het ware geblokkeerd en heeft geen vat op mij.

Ik ben uit de tijd getild en verkeer - ja, zo zou je het misschien wel kunnen zeggen - in een hypnotische trance.

Deze uiterste concentratie is voor mij essentieel om niet te blijven hangen in fysieke beperkingen en het rijk van de absolute vrijheid te kunnen betreden. De rest is niet van belang. Ik kan overal componeren. Ik heb heel wat stukken gecomponeerd op het strand ergens is Spanje. Ik heb geen instrument nodig om te weten hoe het klinkt. Later speel ik het op de piano, maar dat is slechts ter controle. Ik wil geen fouten maken.

 

Mijn eerste compositie

Mijn eerste compositie maakte ik op veertienjarige leeftijd. Een oratorium. Ja, het was jeugdige overmoed. Ik schreef het voor mijn leraar Gerard Kockelmans en de klas, waarin ik zat, moest het uitvoeren.

Ik hield van Gerard Kockelmans. Hij gaf me gratis pianoles omdat ik zo moest huilen. Ik wilde niet naar die rotkweekschool.

Ik schreef vierstemmig voor het koor. Bij de uitvoering dirigeerde ik en speelde tegelijkertijd de pianopartij. Het orkest werd gevormd door de blokfluiters en een klokkenspeler. De blokfluiters waren net met hun blokfluitlessen begonnen, maar konden toch al vijf noten spelen. Ik heb mijn compositie daarop aangepast. Het hele oratorium had ik in een mum van tijd geschreven. Twee jaar later schreef ik voor een mannenkoor een reeks van composities. Ik vond die zware klanken zo mooi.

 

Illegaal

De conservatoriumopleiding in Maastricht had mijn hart, maar ik was daar illegaal. Het was verboden om twee dagopleidingen tegelijkertijd te volgen. Officieel deed ik de kweekschoolopleiding op de Agnietenberg in Sittard. Toen al had ik het gevoel dat ik in mijn leven moest opschieten.

Voortdurend reisde ik met de trein op en neer en moest me als het ware in tweeën splijten. Sommige lessen volgde ik maar half. Ik ging eerder weg of ik kwam pas later, als de les al lang begonnen was.

In de vijftien minuten durende treinreis schreef ik mijn fuga's. Het was het huiswerk voor Louis Toebosch, die contrapunt doceerde. Ach had de trein toen maar vertraging gehad, dan zouden die fuga's nog mooier geworden zijn!

In 1966 verhuisde ik naar Rotterdam. Ik deed koordirectie bij Jan Eelkema aan de Kurt Thomas Schule, vernoemd naar de Duitse componist, dirigent en pedagoog Kurt Thomas (1904 - 1973).

Daarna studeerde ik aan het Amsterdams Conservatorium bij Robert Heppener compositie. Ik woonde toen in Ede.

Daarna ben ik weer naar Zuid-Limburg vertrokken, en woon nu in Mheer, een mooi rustig historisch dorpje, met veel privacy.

 

Over de hedendaagse muziek

Ik zou in dit verband een citaat van Prokofieff willen noemen. Prokoffieff had het zoals bekend in zijn leven niet gemakkelijk. Hij maakte de Communistisch Revolutie mee, de opkomst van Stalin en de Tweede Wereldoorlog. Hij stierf op de dag dat ook Stalin stierf, 4 maart 1953. Hij had Rusland verlaten toen het land ten prooi viel aan de Communistische Revolutie. Hij kon het land niet vergeten en keerde in 1933 terug. Hij moest telkenmale zijn muziek verdedigen tegen de kritiek van het daar heersende sociaal realisme, dat heldere, voor het hele volk begrijpelijke en geliefde muziek van de componisten eiste.

In een van zijn autobiografische notities typeert Prokofieff zijn muziek in vijf woorden: zijn muziek is klassiek, modernistisch, motorisch, lyrisch en grotesk. Prokofieff zegt voorts: "Ik heb het belang van de melodie nooit in twijfel getrokken.... Een melodie te vinden die zelfs de minst geoefende luisteraar meteen begrijpt en toch origineel is, vormt de lastigste opdracht voor de componist."

Zijn eerste symfonie wordt de Klassieke Symfonie genoemd. Hij baseert zich op Haydn. Maar wat je hoort is geen Haydn. Prokofieff wil een 20ste eeuwse componist zijn met moderne klanken. Zijn muziek bestaat uit een aaneenschakeling van aansprekende melodieën, maar het wemelt zogezegd van 'foute' noten. Maar vergis je niet: de melodie blijft centraal staan. En dat nu is in mijn visie het manco van de hedendaagse muziek. Men heeft de melodie als kernelement uit de muziek verwijderd. Daarmee is de luisteraar de herkenning ontnomen. De luisteraar zoekt naar herkenning, houvast, begin, voortgang en einde. Aan een kakofonie van geluiden heeft de luisteraar niets. Het is hoog tijd dat de componist weer respect voor de luisteraar toont.

Ik ben optimistisch. Ik denk dat de tijd van de kakofonie voorbij is.

 

Muziek is persoonlijk

Als ik dit zeg, heeft dat vooral betrekking op mijn eigen muziek. Voor mij is muziek persoonlijk. Ik zal niet over anderen oordelen. Elke componist mag zijn eigen muziek schrijven. Ook al vind ik die muziek niet mooi, dan kan het toch zo zijn dat die bij die persoon past en dat hij of zij dat op die manier moet schrijven. Wat mij zelf betreft: Ik houd van sterke melodieën en ik schrijf zonder aarzelen in bijvoorbeeld D groot. Als het zo moet zijn, dan moet het zo zijn.

Ik wijs in dit verband op Claude Vivier, een modern componist, die steeds zijn eigen weg ging en wat zich dat betreft niets van anderen aantrok. Zijn werk was als zijn leven. Hij werd in 1948 in Canada geboren en groeide op bij zijn adoptieouders. Zijn vader was priester, maar heeft het wat de jongen betreft laten afweten. Hij stierf in 1983 in zijn hotel in Parijs, vermoord door een minnaar die hij op straat had opgepikt. Op zijn piano vond men na zijn dood de laatste compositie, waaraan hij werkte: "Glaubst du an die Unsterblichkeit der Seele?" De muziek van deze Claude Vivier is fascinerend. Het is muziek buiten de tijd, vrij. De melodieën doen wat zij willen, ze zingen en gaan maar door en nemen je als luisteraar mee. Schitterend en zeer emotioneel.

 

Er slaapt een lied in alle dingen

 

Schläft ein Lied in allen Dingen,

die da träumen fort und fort,

und die Welt hebt an zu singen,

triffst du nur das Zauberwort

 

Er slaapt een lied in alle dingen,

die daar eeuwig verder dromen,

en de wereld begint te zingen,

vind jij maar dat toverwoord.

 

Dat schreef Joseph von Eichendorff (1788-1857), een  Duitse, romantische dichter die vele teksten schreef voor grote componisten. Hij zei: "De dichter is het hart van de wereld."

In mijn muziek neem ik gedichten en andere teksten vaak tot uitgangspunt van een nieuw verstaan. Ik probeer niet slechts klanken toe te voegen aan dat wat er al bestaat, maar het gaat mij erom de onderliggende, emotionele laag in klanken te concretiseren. Muziek is een diepe, onderliggende dimensie, die altijd en overal aanwezig is, verborgen en ondergronds. Er slaapt een lied in alle dingen. Het is de opdracht van de componist om dit lied te onthullen. Componeren is voor alles luisteren en horen. Ook kan ik zeggen: voelen, inleven, openstaan. Of nog anders, om met Eichendorff te spreken: De componist  moet het toverwoord vinden. De componist staat aan het begin. De uitvoerend kunstenaar en niet te vergeten de luisteraar zetten dat proces voort. In feite is het proces pas voltooid, als de compositie klinkt.

 

 

 

 

 

Margriet Ehlen

verzamelde en documenteerde de compositorische nalatenschap van Gerard Kockelmans

en was betrokken bij het verzamelen van de partituren van Andrée de Bonhomme.

 

 

http://home.planet.nl/~harme066/plaatjes_Andree/andree_groene_lijst.png

 

 

Andrée de Bonhomme

 

 

 

Andrée Bonhomme

Andrée Bonhomme werd 1 december 1905 in Maastricht geboren en stierf 1 maart 1982 in Brunsum. Haar eerste compositie schreef ze toen ze tien jaar was. In 1928 kwam ze in contact met de Franse componist Darius Milhaud. Jarenlang reisde ze elke zomer naar Parijs, waar Milhaud haar compositieles gaf. De meester had getuige de briefwisseling grote waardering voor haar. Zij sprak hem in de brieven aan als: 'tres cher maître' en hij haar als 'ma cher élève, ma cher amie.'

Tijdens de 2e wereldoorlog weigert ze de niet-jood verklaring te tekenen en wordt spelend in het Limburgs Symfonieorkest geen lid van de Kultuurkamer. Als gevolg daarvan wordt ze met onmiddellijke ingang ontslagen. Haar lijfspreuk is: "Si tu veux être libre et fort ... travaille!"

Haar muziek is impressionistisch van karakter en tonaal. Als ze na de oorlog les krijgt van de 12-toonskunstenaar Matty Niël, leerling van de befaamde Anton Webern, is het gedaan met haar compositietechniek. Margriet Ehlen: "De fuga's die ze onder invloed van Matty Niël schrijft, zijn braadworsten". Het klikt niet tussen haar en Matty Niël, van wie bekend is dat hij een mannenman was.

Andrée Bonhomme stond tijdens haar leven bekend als een virtuoos pianiste en was verbonden aan de Heerlense Muziekschool. In 1972 kreeg ze een hersenbloeding en deze maakte dat ze afstand nam van haar vak. Ze werd opgenomen in een rusthuis in Brunsum, weigerde nog langer concerten te bezoeken en naar muziek te luisteren. En na verloop van tijd hielden de contacten met haar vroegere collega's en vrienden op te bestaan.

In 1980 echter zoekt een oud-leerling van haar, Lodewijk Bos, haar in het rusthuis op. Bos studeerde op dat ogenblik zang aan het Utrechts conservatorium en muziekwetenschappen aan de universiteit. Hij zegt te overwegen om op haar werk te promoveren. Aan deze Lodewijk Bos geeft Andrée een doos met al haar werk mee. Hij mocht daarmee doen wat hij wilde.  Margriet Ehlen wist in 1990 Lodewijk Bos op te sporen.

Margriet Ehlen: "Lodewijk Bos woonde na veel in het buitenland te hebben gezeten, weer in Utrecht. Een lieve jongen. Hij was nu bezig met de organisatorische kanten van de muziekpraktijk en zei niet meer in de partituren geïnteresseerd te zijn. Als ik wilde, mocht ik ze meenemen. Alles bleek er nog te zijn. Hij had al die jaren niets met de nalatenschap van Andrée Bonhomme gedaan, maar deze - en dat valt in hem te prijzen - wel zorgvuldig bewaard. De enkele brieven die ooit door de familie naar hem waren verzonden, had hij nooit ontvangen. Hij was uiterst vriendelijk, zong voor mij en zei: "Hier is de kist. Neem mee wat je nodig denkt te hebben." Ik heb alles meegenomen. Het archief van Andrée Bonhomme is compleet en ligt nu in het Haags gemeentemuseum en als schaduwarchief in Maastricht.

 

 

CheckStat