|
Wim Rhebergen Gedichten en verhalen ► Home ► Contact: info@rhegie.com |
|
Gedichten Ben ik gek dat ik omdat ik gras eet? |
|
|
|
|
|
Inhoud Hij is een tak van de stoel voor het raam Een stoel waaruit iemand is opgestaan Oude, sterke, balorige vrouwen |
|
Hij
is een tak van de stoel voor het raam Hij is een tak van de stoel
voor het raam Achter zijn
hoge voorhoofdsogen gist het gister
volop, het wordt geheim gezoogd en daar is geen
vlaag van vandaag bij. In zijn waaien
zie zijn moeder zwaaien. Met haar grote
handen drukt zij haar jongen dicht tegen
haar bruisende borsten. Ze lacht en
schatert, schettert een lied door de lucht, licht in tegenlicht geworpen, als zij
beweegt, loopt en danst, weegt hij stil
zijn uur. Zie hoe hij de zon met zijn
verglaasde vingertoppen even aanraakt, aarde buiten
het lichaam, tijd voor tijd, water dempt nog
even het vuur. Ik kijk en zie
de draaiingen van knoestig hout, wilde
waaghalzerij, woestenij, kromgetrokken bewustzijn, vreemde
vrienden die altijd honger hebben en vogels. Hij heeft een
verbond gesloten met mensen die ik niet ken. Wie is de
moeder, die hem draagt? “Papa”,
roep ik. “Je weet toch wel wie ik ben?” Clothilde,
oude vrouw, hangt een beetje uit het raam
van haar lichaam, en de gaap
onder haar rokken is zo groot
geworden dat het lekt als het regent. Er is geen
beeld, geen omlijnde contour in de dingen
die gebeuren. Het zachte
tumult van de avond hoort ze niet, hoort ze niet. Een vormloze
engel hangt in de bewolkte hemel. Er komt regen.
En beneden sterft alles en spoelt met het
vastbesloten water van de rivier weg. Mevrouw A. is
een dolend mens. Ze is een boom
op mijn huid, ze graaft aan.
Als ik haar vraag: “Wat
zoekt u?”, antwoordt ze: “Ik ga
weg.” Ze gaat en ze komt terug. Ze zegt:
“Weet je wat ik wil? Ik wil in jou
een holletje maken, een klein, warm
holletje om te slapen en
nog wat te doen.” Dicht op de
aarde, omhuld door de blote wortels van het leven,
gekruld in haar tomeloze ziel, onder de
ingekeerde handen van de hemel, een dag te kort
en urenlang, met haar vergruizelde naam op haar
voorhoofd geplakt - gaat ze verder.
Altijd als ik
iets denk, gaat ze een
andere kant uit. Uiteenvouwen,
gladstrijken, koesteren, honderd
liefdes, duizend lichamen, geestesflarden,
dromen. De vogels
sneeuwen neer, de wereld wordt
wit. De man met de
droeve geest Alleen de man
met de droeve geest blijft achter. Wie heeft de
verschrikkelijke dame aan zijn bed gezet? Hij bidt en
schrijft geheime tekens in de lucht. Hij stenigt de
tijd. Maar ook de dood wacht niet op hem. Ik ben ranzig,
wit haar op een hagelwit
katoenen kussen van een
verbleekt bestaan. Ik moet goed op
mijn lichaam passen, niet vervuilen,
niet vermageren, niet verzinken
in onstuitbare slaap en urinelucht; ik moet
vechten, steeds weer
vechten niet opgeven, beminnen,
altijd beminnen, zeggen wie ik
ben, hoe ik heet, wat ik doe, zeggen dat ik van je
houd! Voor Cynthia, 10 juni 1986 Een stoel waaruit iemand is opgestaan Een stoel
waaruit iemand is opgestaan, is leeg. Een stoel
waaruit iemand is opgestaan, is soms zo leeg dat
iemand er nog zit. En je weet dat
je hebt gekend en liefgehad. Slechts een zingende
vogel is nodig om de kosmos te
doen overlopen van vrolijkheid
en levenslust. Maar hoe waar
is het ook dat er stille
plekken nodig zijn om de vogel te
horen zingen. En als er dan
niets meer is, vind je altijd
nog ergens in de ladekast
een vergeelde foto van iemand in
een stoel. Tijd komt, tijd
gaat. Soms blijft tijd hangen, als een
cliché, als een artefact, als een
verbijsterd besef ontsnapt aan
een niet te stuiten geheugenverlies. Hij stapte
luidkeels op zijn fiets. De pannen vlogen
van het dak. Het eeuwig licht viel als een
bak water over hem heen. Hij was een
jongen die erin geloofde. Als een
wildeman reed hij omhoog. Alles wat hij
had gezegd en gedaan, de hele
santenkraam van zijn leven rinkelde aan
zijn wiel met hem mee. Hij ging er
vandoor en wij bleven met
beide benen op de grond staan. Vandaag wordt
er niet gedanst, vandaag wordt
er begraven. Wat ik wil
zeggen: Er stierf een
mens en het was niet
anders dan zoals het
was voorgezwegen door de duizend
doden die haar waren
voorgegaan. Deze keer
betrof het een dun
satijnen vrouw, bijeengehouden
door een velijnen centuurtje, waarop de
woorden van haar kindheid als
actualiteiten waren geschreven. Ze was
ingevallen van moeheid verworden. Ze
zwierf over de vlakte
van het leven zonder een
houvast van stadsburelen en wegwijzers.
Ze stierf verdwaald. Oude, sterke, balorige vrouwen Oude, sterke, ballorige vrouwen, geronnen door
bloed en ervaring, moeders van het
zand, ze lopen met de vlag uit
en eten met handen en
voeten; ze graaien en
kaaien, dat het een
lieve lust is, likken, zoenen,
zuigen, snaaien met een
harde lach naar de vreemde
mannen in de buurt. Waar zijn hun
parmantige zonen die de wereld
regeren? Deze vrouwen
stoken vuur. Hoe zou de wereld
er zonder hen uitzien? Deze vrouwen
trotseren de dood; ze staan op, ze
gaan de deur uit, ze barricaderen
de straat. Ben ik gek? Omdat ik gras
eet en kiezels in
mijn mond stop? Zakken vol heb
ik van dingen die
ik zomaar vind. Ik ben in je
gladgeschoren hotel verdwaald. Jij
bedient me, schenkt een
glimlach voor me in. Pas op voor de
gek! Pas op voor
zijn helper! Ben ik ziek? Omdat ik weiger
te eten, weiger te
drinken? Pies en poep
zijn de helden van mijn
vrijheid, ik laat ze lopen. Met mijn
soldaten ben ik door het zand van je vingers
gekropen. Ik kondig een opstand aan. Ben ik
misdadig? Zeg het! Schrijf het in
je rapport! Jij zegt dat je
van me houdt. Ik betwijfel
dat in die eeuw van ons. |