|
De verhalen
van Haryati werden opgetekend door Wim Rhebergen Tweede interview
Haryati ► Interviews ► Home ► Contact: info@rhegie.com juli 2007 |
|
Haryati - dat betekent letterlijk “Dag
van het Hart” en dat mag mijn naam zijn als ik de
verhalen uit mijn jeugd vertel. De orchideeën zijn geschilderd door Haryati.
|
|
|
|
|
|
Opgegroeid in de Gordel van Smaragd Haryati
werd op 18 mei 1926 geboren in Kediri (Oost-Java), Indonesia. Ze woonde op
verschillende plaatsen in Indonesië. Haar vader
werd regelmatig overgeplaatst in verband met zijn werk als ambtenaar van de
Belastingdienst. Ze woonde onder
meer in Surabaja (Java), waar ze de R.K. Kleuterschool bezocht, in Bandjarmassin (Borneo, nu Kalimatan),
Magelang (Midden-Java), Djakarta (West-Java) en Medan (Sumatra). In verband
met het Europees Verlof van de vader reist het gezin in 1935 met de boot naar
Nederland. Zij wonen een jaar in Den Haag en keren daarna weer naar
Indonesië terug. De verhalen
hebben betrekking op de periode van vlak vóór de Tweede
Wereldoorlog tot vlak erna. Op de foto
staat mijn moeder in de achterste rij, 2e van rechts, 3e van links.
|
|
In ons huis woonden twee
grootmoeders. De een - van vaders zijde - was Gereformeerd en las de hele dag
de Bijbel en de andere van moederszijde was Islamitisch. De eerste noemden
wij Oma Mien en de tweede Mbah. Ze hadden beiden
hun eigen vertrek in ons huis en verbleven daar het grootste deel van de hele
dag. Oma Mien was een Indische met
Europese voorouders; Mbah was een Javaanse pur sang. Ze verschilden totaal
van elkaar. Oma Mien at met het gezin mee.
Mbah at altijd op haar kamer de door haar zelf
bereide maaltijden. Ze gebruikte eigen keukengerei, want met ons
keukengarnituur werd regelmatig varkensvlees
bereid. Mbah at als Islamitische geen varkensvlees,
dat was taboe, haram
zoals ze dat zei. Als kind vond ik het heerlijk
om bij Mbah te zijn. Wij - dat wil zeggen mijn
broertjes, zusjes en ik - vlijden ons vaak dicht tegen haar aan en zij voerde
ons lekkere hapjes: bolletjes rijst, vlees en groente in elkaar gedraaid. Ze
legde ze met haar hand, die een lepel vormde, in onze mond. Het was allemaal
heel dichtbij en intiem, een giving. Mbah rook ook heel speciaal, geurig. Dat kwam door de verse
bloem in haar haar, waardoor ze er ook altijd mooi
en lief uit zag. En ze vertelde
ons sprookjes. Iemand wilde heel rijk worden. Hij ging naar de Slang,
een mythische figuur die je alles wat je wenste tegen zijn prijs gaf. De man
vroeg de Slang of hij hem wilde helpen. Ja, dat wilde de Slang wel, maar hij
moest wel betalen als de Slang hem daarom zou vragen. De man stemde in en
werd rijk en vermogend. Op het toppunt van zijn rijkdom zocht de Slang hem op
en herinnerde hem aan zijn belofte. De Slang wilde zijn ziel. Die arme man!
De Slang nam zijn ziel en de man stierf een jammerlijke dood. Mbah was een bijzondere vrouw. Ze pruimde sirihblad. Ze had die altijd bij zich
en zoals wij een koekje of een chocolaatje eten, nam zij een sirihpruim. Dat
was overigens nog een heel gedoe, omdat het precies volgens de voorschriften
moest gebeuren. Ze had een koperen plateautje
met een kom daaronder. Op het plateau stonden enkele potjes met kalk, een
speciale pit, djambi en iets waarvan ik niet meer
weet hoe het heette. Met een lepeltje werd het blad met de kalk dun
ingesmeerd en voorzien van genoemde ingrediënten opgevouwen en in de
mond gestopt. En dan begon ze te kauwen. Af
en toe spoog ze dan rood spul uit in haar spuwbakje (kwispedoor). Haar tanden kleurden daardoor rood. Ze hield
trouwens ook van pruimtabak, waarmee ze haar rode tanden schoonveegde. Ook nog bijzonder was dat haar
tanden gevijld waren. Ze geloofde dat op zo'n manier de boze
geesten werden afgeweerd. Haar oorlellen waren helemaal
uitgelebberd door de grote oorstekers - de goebeng. Het waren niet zulke kleine
gaatjes als bij oorbellen, maar grote, forse gaten voor die joekels. Mbah aanbad mijn vader. Hij was immers zo goed voor haar
door te zeggen dat zij in zijn huis mocht wonen, tezamen met haar dochter en
kleinkinderen. Ze was dankbaar en zeer bescheiden. Ze stierf toen ik veertien
was. Het gebeurde in alle stilte, precies zoals dat bij haar paste. Hoe oud ze is geworden, weet
niemand. Ook zij zelf wist niet hoe oud ze was. Zij is Islamitisch begraven,
in haar witte bidkleed, waarin ze elke dag haar gebeden zei, vijf keer
volgens de regels van de Islam. Ik heb, toen ze gestorven was, bij haar
gewaakt. In Indonesië wordt de
dode niet alleen gelaten totdat de begrafenis heeft plaats gevonden. Nee, ik
vond het niet eng. Het voelde natuurlijk en vertrouwd aan en hoewel ze
gestorven was, was ze er toch ook. En zo is zij bij mij gebleven tot op de
dag van vandaag. Zij is er voor mij nog steeds, ook nu ik ver weg in
Nederland woon. Mijn moeder had veel meer dan
mijn vader een affiniteit met het mysterie van het leven. Mijn vader was Gereformeerd.
De leer stond bij hem voorop. Voor mijn moeder maakte het niet uit welke
godsdienst iemand had. Ze ging met mijn vader vaak naar de kerk, maar voor
haar gold vooral dat God overal was en bij iedereen. Mijn moeder las ook veel
spirituele boeken. Krishnamurti, Raspoetin, Islamitische en Boeddhistische geschriften. Ze leerde ons liefde en respect te hebben
voor de ander en in harmonie te leven. Wat u niet wilt dat u geschiedt, doe
dat dan ook een ander niet. En geef de ander wat je kunt missen. Een bedelaar
verliet ons huis nooit zonder iets te krijgen. "Wees blij", zei ze,
"dat je wat kunt geven!”
Deze levenshouding hing mijn vader ook aan. In Nederland heb ik wel eens
het gevoel dat men denkt: Als ik iets geef, heb ik het zelf niet meer. Bij
mijn ouders leerde je te geven. Ik weet niet of dit iets met het klimaat te
maken heeft, maar dat denk ik wel eens. De mensen in Nederland leven
met de deuren en ramen dicht. Toen ik later bij mijn schoonouders was, hoorde
ik ze altijd roepen: "Deuren dicht!" En dat moest natuurlijk ook, want zodra
de deur openging, woei een koude windvlaag de kamer in en weg was alle
warmte. Deze houding heeft zich naar mijn gevoel ook geestelijk in de hoofden
vastgezet. Ieder leeft in zijn eigen huisje en houdt de deur naar buiten
gesloten. En dat in tegenstelling tot Indië,
waar alle deuren en ramen altijd wijd open stonden, letterlijk en figuurlijk.
Onze bedienden mochten we
nooit aanroepen met “Hé, jij daar" of zoiets, maar altijd
bij de naam en met respect. Het gaat om de toon waarop je iemand aanspreekt. We leerden ook om niet boos te
blijven als er iets voorgevallen was. Als ons iets dwars zat, moesten we dat
zeggen. Wrok vergiftigt de ziel. Ja, later heb ik als
volwassene mijn moeder wel eens het verwijt gemaakt dat ze vroeger altijd
zoveel mensen, vreemden voor ons kinderen, om zich heen had. Hierdoor had ik
het gevoel dat ze ons te weinig aandacht gaf. Wat ik tegen haar zei was een
overwinning op mezelf. Toen ik het haar vertelde, bleef ze kalm en zei dat ze
zich dat nooit gerealiseerd had. Het universum is een
onuitputtelijke bron van kracht, liefde, energie en licht. Ik heb dat van
mijn moeder geleerd. De mens krijgt, als hij dat nodig heeft, hulp uit het
universum. Mijn moeder leerde me dat je in je bidden steeds moet beginnen met
je dank uit te spreken voor het licht dat je hebt mogen ontvangen. Als je het
licht ontvangt, begin je zelf te stralen en word je zelf licht. Geef licht in
mijn hart en licht in
mijn ziel, licht op mijn
tong, licht in mijn
ogen, en licht in
mijn oren. Geef licht aan
mijn rechter-, licht aan mijn
linkerkant; licht achter
mij en licht voor
mij, licht boven
mij en licht onder
mij. Geef licht in
mijn bloed, licht in mijn
vezels, licht in mijn
haar en licht in
mijn huid. Geef mij
licht, omring mij met
licht versterk mijn
licht, maak mij tot
licht. Het is een tekst van Mohammed,
die ik nog dagelijks uitspreek. We leerden van haar om elke
avond, voordat we naar bed gingen, stil te worden en ons af te vragen wat we die
dag hadden gedaan en gezegd. Wat was goed geweest en wat hadden we niet goed
gedaan? We leerden de dag te prijzen voor het goede en we leerden vergeving
te vragen voor de fouten die we hadden gemaakt. In Indië
wordt het in luttele momenten duister als de zon ondergaat. De aarde
verandert. De aardelucht stijgt op.
Exotische geuren bedwelmen je. De nacht ruikt in Indië
zo anders dan de dag. Het lijkt alsof de natuur dan pas ontwaakt. Men hoort
geluiden die men overdag nooit hoort: een concert van duizenden cicaden,
geritsel van bladeren en dieren. In de verte hoor je een hond blaffen. En als
je omhoog kijkt, zie je de maan en de ontelbare sterren, die aan de hemel
flonkeren. Een diffuus schijnsel, dat geheimzinnig de aarde verlicht. Nee, ik
was nooit bang. Ik vond de Indische avonden en nachten heerlijk en vol
belofte. Met volle maan wandelden we
vaak buiten. Als kind vond ik het zo bijzonder dat de maan altijd bij ons was
en maar bleef schijnen waar we ook liepen. We maakten er een spelletje van en
probeerden de maan voor te zijn, maar constateerden dan dat hij ons altijd
voor was. We wandelden met onze ouders
naar een Chinees barretje verderop, waar we geglazuurde beschuit met suiker
kregen. Verrukkelijk! Als ik eraan denk, proef ik het nog, zo lekker knapperig
en zoet was het. Maar thuis moesten we dan opnieuw onze tanden poetsen. Daar
zag mijn moeder op toe. En ook mijn vader en die was heel streng. Wat je ook rook, was de
brandlucht van de klapperbast. De bast van de klapperbomen gooide men op de
vuurtjes, die overal gestookt werden, om de insecten af te houden. Om die
vuren zag je de schimmen van de mensen, die elkaar verhalen vertelden en
onderwijl pruimden en later hun pruim in het vuur spuwden. Als de volle maan scheen,
prevelde ik als kind: "Maantje, maantje, geef mij een beetje licht, maak
mij licht....." Met de hand maakte ik rondjes over mijn gezicht en ik
voelde hoe de energie tot mij kwam en ik begon te gloeien. Ook dit hebben wij
van mama geleerd. Ik ken nog een ander gebed: Bismillah hailolah Sopo sing weruh aku,
welas ambè aku Welas-welas pengasiané Allah Bismillah heroman herohim De Heer zij
mij genadig Wie mij ziet,
heeft mededogen met mij, Wie mij ziet
houdt van mij, Wie mij ziet
helpt mij, Mededogen is
een gift van God Dank u Heer. Mijn ouders lieten na een
verhuizing ons huis inwijden door zeven hadjis.
Hadjis zijn gelovigen die in Mekka geweest zijn. Elke Islamiet verlangt eenmaal
in zijn leven een reis naar Mekka te maken. Jarenlang wordt daarvoor
gespaard, want de reis is duur. Ben je eenmaal in Mekka geweest, dan wordt
dat door de gelovigen erkend. Ik zie de hadjis nog voor me, in hun
traditionele kleding en hun fluwelen pitjies (hoofddeksels).
Zij kwamen op verzoek van mijn moeder ons huis inwijden. Mijn vader, die
weliswaar Gereformeerd was, gunde haar haar
levensvisie en liet haar begaan. Het was, als mijn moeder dat zo graag wilde,
vanzelfsprekend. Ik was bij die inwijding. Nog
zie ik voor me hoe de hadjis zich, voordat het ritueel begon, reinigden. Ze
spoelden hun mond, maakten met water hun gezicht schoon, ook hun neus, ogen
en oren, en wasten hun voeten tot boven hun enkels en hun handen tot aan de
elleboog - altijd van rechts naar links. Daarna rolden ze hun matjes uit en
bogen voorover, knielden, zaten en stonden weer op; onderwijl spraken ze hun
gebeden uit, Islamitische gebeden in de Arabische taal, heilige klanken waar
we de betekenis niet van begrepen, maar wel door aangeraakt werden. Aan het
eind van de sessie werden ze beloond met een gevlochten bamboemandje, dat
gevuld was met rijst en gerechten en een rijksdaalder. Het was een brekat
zoals we in Indië zeiden, een offergave. Later heeft mijn moeder nog
eens een hadji geraadpleegd - met
minder succes overigens - maar dat komt nog. Afscheid van Bandjarmassin
Mijn moeder was een vrouw met
grote didactisch gaven. Ze gaf les aan Indonesische meisjes en jonge vrouwen,
die veiligheidshalve door hun man of broer naar ons huis werden begeleid. Ze
leerde hen lezen, schrijven, handwerken en haken. Op deze foto staan mijn
moeder en haar leerlingen geportretteerd. Dit is een foto gemaakt bij het
afscheid van Bandjarmassin. Hij was belastingambtenaar en
werkte op kantoor. Soms bezocht hij andere dorpen om daar belastingen te
taxeren. Als hij op kantoor zat, kwam hij om twee uur 's middags thuis. Hij
had dan de hele ochtend vanaf een uur of zeven al gewerkt. In Indië
wordt er om twee uur, als de zon op het hoogste punt staat, rust gehouden. Mbah, mijn oma, die tegen 14.00 uur altijd op de uitkijk
stond, zag mijn vader dan al van ver aankomen en waarschuwde de bedienden dat
de grote baas eraan kwam en het tijd werd om het eten op te dienen. Voor haar
was mijn vader nu eenmaal de heer van het huis. Ze zag er op toe dat mijn
moeder uitgerust en fris was om mijn vader te verwelkomen. Mijn moeder baadde
zich van tevoren en was heerlijk schoon als hij binnenkwam. Ze rook altijd
heerlijk naar Mayazeep en Éclatpoeder.
Mijn ouders groetten elkaar met heftige omhelzingen en dikke zoenen; het
waren twee tortelduiven. Vervolgens gingen ze samen
lunchen. In Indië is de lunch altijd een warme
maaltijd. Daarna gingen ze samen naar bed om wat te rusten. Ik werd vaak
gevraagd - ik was ongeveer 9 jaar - om hem te masseren en moest dan met mijn
blote voeten over hem heen lopen, net zo lang totdat hij in slaap viel. Mijn
vader vond dat heerlijk relaxerend. Mijn moeder, die naast hem lag, las
hem voor. Het gebeurde wel eens dat mijn vader de slaap niet kon vatten. Mijn
moeder zei dan tegen me: "Ga nu maar lekker spelen, kind, het is nu wel
genoeg." Mijn vader werd door mijn
moeder letterlijk in de watten gelegd. Zij ontpitte de druiven, schilde het
fruit, ontgraatte de vis en legde kleren voor hem
klaar. Omgekeerd liet hij mijn moeder het geld beheren. Mijn moeder stopte in
de borstzak van mijn vaders djas toetoep
(wit kakipak met wit hoog boord) elke dag een rijksdaalder om bijvoorbeeld op
kantoor zijn collega's op een kop koffie te trakteren. Soms had hij wat geld
over en kocht hij op weg naar huis voor mijn moeder mooie gekleurde
gladiolen. Als hij voor zijn werk op reis was geweest, bracht mijn vader
altijd de specialiteiten van het dorp mee: zakken rambutan,
rijpe manga's of klengkeng - dat zijn kleine zoete vruchten die
lijken op lyche. Eerst kregen wij onze portie van
het meegebrachte fruit en daarna aten mijn vader en moeder gezamenlijk van
het heerlijke fruit. Hierbij wilden ze niet door ons gestoord worden. Wij
hadden toch ook onze portie al gehad?! Mijn ouders hadden samen vele
intieme momenten. Bijvoorbeeld ’s morgens, na het scheren, placht mijn
vader de oksels van mijn moeder te scheren. Niet zelden werd hij daarbij
opgewonden. Ze trokken zich dan terug en wij hoorden achter de slaapkamerdeur
het gegiechel van mijn moeder. Even later kwam mijn vader weer als een
haantje uit de kamer. 's Zondags deed mijn vader een eetverzoek. Als mijn
moeder dan naar de keuken ging, bleef hij haar achtervolgen en hoorden we
mijn moeder zeggen: "Jongen, niet nu, straks!" Mijn broertjes, zusjes en ik
hielden ervan om ‘s zondags in de vroege ochtend bij mijn ouders in bed
te kruipen. Wij vonden het heel fijn om dicht tegen hen aan te kroelen. Ze
hadden een heel groot bed met veren; het was heel erg leuk om in het bed
trampoline te springen. Ja, dat vonden ze goed. Mijn moeder zei dan tegen
mijn vader: "Ach laat ze toch, het zijn nog kinderen." Maar als het
haar wat te gortig werd omdat wij te druk werden, riep ze: "Ruhe!" Ja, dan sprak ze Duits. Dat was niets
bijzonders als ze af en toe een woord uit een andere taal bezigde. Zo noemde
ze ons regelmatig 'the little ones".
Als ze iets tegen mijn vader wilde zeggen wat wij niet mochten horen, dan
deed ze dat in het Engels. Wij spitsten natuurlijk onze oren….! Mijn vader en ik plaagden
elkaar zo nu en dan. Hij begon me dan te kietelen en ik kroelde van plezier.
Mijn moeder zag het aan, maar toen ik ongeveer twaalf jaar was en al een
beetje vrouw, zei ze tot mijn vader: "Jong, denk aan de dertigduizend
realen!" Ze had hem ooit een verhaal voorgelezen, waarin het spel tussen
vader en dochter te ver was doorgevoerd en de man een straf van dertigduizend
realen werd opgelegd. Het was voor haar een typerende manier om mijn vader te
waarschuwen dat hij de grenzen van het spel moest bewaken. Mijn vader knipte elke zondag
ook onze nageltjes. We zaten buiten in de tuin op een tikar, een fijngevlochten
mat van geurig riet. Hij riep ons dan een voor een bij zich. Mijn moeder stond in de
keuken en kon even ongestoord
haar gang gaan. Ja, zij bestuurde het huishouden en haar man op een subtiele
manier. Mijn vader hield van uitgaan.
Tennissen, biljarten, dansen, schaken, naar voetbal kijken. Mammie had heel
vaak een dikke buik en bleef thuis. Ze gunde pappie zijn uitjes. Als ik 's
nachts wakker werd, was mammie nog op en bekeek ze de modebladen met zachte
grammofoonmuziek, gedraaid op "His Master's Voice", op de achtergrond. Dan vroeg ik
haar, nadat ik te horen kreeg dat pappie nog niet thuis was: "Zijn alle
pappies zo????" Ik vond mijn moeder zo 's
avonds alleen thuis zielig. Het volgende voorval herinner
ik me nog heel goed. Mijn vader kwam op een avond heel laat thuis en had een
jong meisje bij zich. Hij had de hele avond met haar gedanst - tegen betaling
- en toen op het einde van de avond bleek dat ze geen onderdak had, had hij
spontaan gezegd: "Kom toch mee naar mijn huis, mijn vrouw zal je kleren
en een slaapplaats geven." Mijn moeder wist van niets en
zag ze beide komen, maar toen ze het verhaal van het meisje hoorde, kreeg zij
medelijden en verzorgde haar. Ik denk dat zowel pap als mam een goed gevoel
hadden dat zij dit jonge kind konden helpen. Nu na zoveel jaren bewonder ik
mijn moeder nog meer. Ze gunde mijn vader het beste en had een hart voor
andere mensen. Ze heeft het meisje nog extra
geld meegegeven, toen ze de andere dag weer vertrok. In 1935 kreeg mijn vader
Europees verlof. Wij gingen voor een jaar naar Nederland. Al onze spullen
werden op de vendu verkocht. Met de boot voeren we van Bandjarmassin
naar Surabaja. Op Java ging ik samen met mijn
ouders naar het graf van onze grootvaders en de andere graven om afscheid te
nemen. Maar er was nog iets. Mijn ouders waren respectievelijk 35 en 30 jaar
oud en hadden zes kinderen. Moeder wilde eigenlijk geen kinderen meer. In Bandjarmassin had ze al onze huisarts dokter Ramshorst geraadpleegd, maar die lachte haar uit en zei:
“Maar mevrouwtje, u bent kerngezond en kunt nog wel 10 kinderen
krijgen!”. Omdat dat consult geen soelaas gaf, bezocht ze in Surabaja, zonder dat mijn vader er iets van afwist, een
hadji. Ik mocht met haar mee. De hadji gaf haar een flesje water, waarover
hij wat gepreveld had. Mijn moeder moest elke ochtend van dit water een glas
drinken, zei hij, en dan zou het allemaal goed komen. Ze fluisterde mij toe:
"Pappie hoeft maar even naar mij te kijken, of ik ben al weer
zwanger!”. Op de boot naar
Nederland was mijn moeder voortdurend misselijk en mijn broertje Joke werd in
Den Haag geboren. Mijn vader was een flamboyante
man, die tijdens de bootreis veel met tante Deetje
omging. En dat ging in den Haag door. Mijn moeder en ik trokken vaak met
elkaar op. We voerden na mijn schooltijd de eendjes in het park en gingen
naar films, waarin Shirley Temple
speelde. Ik genoot en bespeurde niets
van het verdriet van mijn moeder. Veel en veel later begreep ik dat ze veel
verdriet moet hebben gehad van het uitgaan van pappie met tante Deetje. Op de terugreis heeft mijn
moeder mijn vader voor de keuze gesteld. "Je moet nu maar zeggen of je
bij Deetje wilt blijven of bij mij." "Bij jou
natuurlijk!", zei vader spontaan. "Dan lijkt het me
verstandig", zei mijn moeder subtiel, "dat je tegen je bazen zegt
dat je niet in een plaats komt, waar ook tante Deetje
is." Mijn moeder had begrip voor de
behoeften van mijn viriele vader. Zij wilde geen kinderen meer en
voorbehoedsmiddelen waren toen nog onbekend. Mijn moeder vroeg tante Joe, een Indonesische vrouw, of ze met mijn vader wilde
slapen. Voor die tijd had ze al een Chinese weduwvrouw gepolst. Tante Joe wilde wel, maar mijn vader wilde haar niet. "Als
ik een andere vrouw wil, dan zoek ik die wel zelf", zei hij. Mijn moeder werd opnieuw
zwanger. Chris werd geboren. Hij werd haar liefdesbaby. Na de oorlog Mijn vader zat tijdens de
oorlog in een concentratiekamp in Japan. Wij - zijn kinderen - groeiden
zonder hem op. De generatiekloof tussen hem en ons was daardoor groot
geworden. Het weer accepteren van het vaderlijk gezag ging niet vanzelf. Ik
denk dat het voor zowel mijn vader als mijn broers een geven en nemen was.
Voor de meisjes ging het wat gemakkelijker. Ergens heb ik een foto, waar mijn
vader en de jongens als een hechte eenheid op staan. De foto ontroert me. Ik
zie het resultaat van geduld, mededogen en vergeving. Na de oorlog heeft mijn vader
ook alles gedaan om ons een goede schoolopleiding te geven. Hij nam zelfs onmogelijke
baantjes aan, terwijl hij voorheen als ambtenaar van de belastingdienst toch
een gerespecteerde status had. Ja, voor mam en de kinderen deed hij alles.
Iedereen mocht hem graag, zodat hij gelukkig nog snel een baan bij het
kadaster kreeg. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Van links naar rechts: Tante Lotte, Oma Mien,
Arend, Hendrik Daniel (mijn
vader), Antonia, mijn grootvader,
Eduard. |
|
Tante Lotte, de zus van mijn oma van moederszijde, trouwde, toen zij 15
was, met oom Kolmus, een imponerende, forse man met snor, die – voor
zover ik mij herinner - altijd in een zwarte pantalon van prachtige stof liep
met zo'n brede cumberband, rood of paars. Een
witzijden, geplisseerd overhemd completeerde de outfit. Hij
was rijk geworden in de suiker. Mijn
tante kreeg vanaf haar dertiende van hem les in lezen en schrijven. Ze was
zeer leergierig en adoreerde haar leraar. Toen hij een oogje op haar liet
vallen en haar tot de zijne wilde maken, stemde zij ogenblikkelijk toe. Een
nieuwe wereld ging voor haar open. Door
hem leerde ze de elite kennen. Zo
hoorde ze op een goede dag van enkele belangrijke Chinese aannemers dat het
zeer lucratief was om, als ze wat eigen geld had, dit te investeren in
onroerend goed. Ze
nam het advies ter harte en kocht huizen en land. Ze
ontwikkelde zich in korte tijd tot een slimme zakenvrouw. Daarnaast begon ze
ook jonge Chinese bruiden te adviseren en voor te bereiden op het komend
huwelijk. Ze
leerde hen hoe ze zich tegenover de man moesten gedragen en hoe ze zich
moesten kleden en opmaken. Mijn
tante was inmiddels zo rijk, dat ze de duurste stoffen en parfums uit Parijs
liet komen om de dochters van rijke Chinezen als bruid aan te kleden. Ze
liet zich graag betalen met briljanten en andere juwelen. Als
kind vond ik het heerlijk om bij mijn tante te logeren. Zij
had veel boeken. Ik
herinner me nog de sprookjes van Duizend-en-één
nacht, die ik met rode oortjes zat te lezen. Het
waren heerlijke tijden, ook als mijn tante in de sado, een voertuig dat door
één of twee mooi verzorgde paarden wordt voortgetrokken, bij
ons op bezoek kwam en ons op van alles trakteerde. Op
zekere dag liep een jonge Javaanse vrouw met een kind op haar arm langs het
huis van mijn tante. Toen ze me mijn tante zag, voer ze vreselijk tegen haar
uit. "U
denkt dat u alles in het leven hebt, maar dit kind is van mij en uw
man", zei ze. "Kijk maar eens hoe die op hem lijkt!" Mijn
tante zei kordaat: "Geef mij dat kind dan maar. Jij bent nog jong en
kunt nog wel een Javaanse man trouwen. Ik zal je ervoor betalen. Hier heb je
wat geld!" De
vrouw vertrok toen met een buideltje geld, het kind achterlatend. En zo kwam
tante aan haar kind. Ze noemde hem Jan. De
tijden veranderden. De crisistijd brak aan. De suikerhandel stortte in
elkaar. Oom Kolmus kreeg schulden, mede door vrouwenperkara's (affaires met vrouwen). Tante,
die inmiddels schatrijk was, betaalde die stilzwijgend. Ze was oom dankbaar
voor de opleiding en de status, die hij haar had gegeven. Ik heb van mijn
tante geleerd dat je nooit moet laten blijken hoe rijk je bent. De voorgevel
van het huis moet eenvoudig zijn, en het huis moet aan de achterzijde een
uitgang hebben, zodat men kan vluchten als er wat gebeurt. De
oude Chinezen hadden haar ook geleerd dat een huis 'selfsupporting' moet
zijn, dat wil zeggen een bron moet bevatten, zodat je altijd water hebt om te
drinken, te koken, je te baden en te wassen. Ze
had ook een kist in huis, een doodskist, waarin ze na haar dood begraven zou
willen worden. Tijdens
de oorlog werd oom Kolmus geïnterneerd. Mijn tante en haar aangenomen
zoon Jan bleven in het huis wonen. Jan was inmiddels achttien jaar. Toen
werd tante ziek. Mijn moeder bezocht haar om haar te verzorgen. Tante
was zo ziek dat ze een dokter nodig had. Ze wees mijn moeder de plek aan,
waar zij ooit voor slechtere tijden haar juwelen en geld door Jan had laten
verbergen. De
plek was enkele passen verwijderd van de boom, die op het ommuurde binnenerf
stond. Mijn
moeder begon op tante’s verzoek te graven,
maar vond niets. En daarna nog op enkele andere plekken, maar steeds zonder
resultaat. De
juwelen waren weg en geld was er ook niet meer. Mijn tante is ziek en medicijnloos
gestorven. Later bleek dat haar aangenomen zoon Jan de juwelen had gestolen
en verpatst. |