De verhalen van Haryati werden opgetekend door

 

Wim Rhebergen

 

Tweede interview Haryati

Interviews

Home

 

Contact: info@rhegie.com

 

juli 2007

 

 

 

           Haryati

 

 

  Haryati  - dat betekent letterlijk “Dag van het Hart”

  en dat mag mijn naam zijn als ik de verhalen uit mijn jeugd vertel.

  De orchideeën  zijn geschilderd door Haryati.

    

 

 

 

 

Opgegroeid in de Gordel van Smaragd

 

Haryati

Twee grootmoeders

Mbah

Mijn ouders

Geef licht in mijn hart

Inwijding van het huis

Afscheid van Bandjarmassin

Mijn vader

Reis naar Nederland

Tante Lotte

 

 

Haryati

Haryati werd op 18 mei 1926  geboren in Kediri (Oost-Java), Indonesia.

Ze woonde op verschillende plaatsen in Indonesië.

Haar vader werd regelmatig overgeplaatst in verband met zijn werk als ambtenaar van de Belastingdienst.

Ze woonde onder meer in Surabaja (Java), waar ze de R.K. Kleuterschool bezocht,

in Bandjarmassin (Borneo, nu Kalimatan), Magelang (Midden-Java), Djakarta (West-Java) en Medan (Sumatra).

In verband met het Europees Verlof van de vader reist het gezin in 1935 met de boot naar Nederland. Zij wonen een jaar in Den Haag en keren daarna weer naar Indonesië terug.

De verhalen hebben betrekking op de periode van vlak vóór de Tweede Wereldoorlog tot vlak erna.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op de foto staat mijn moeder in de achterste rij, 2e van rechts, 3e van links.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Twee grootmoeders

 

In ons huis woonden twee grootmoeders. De een - van vaders zijde - was Gereformeerd en las de hele dag de Bijbel en de andere van moederszijde was Islamitisch. De eerste noemden wij Oma Mien en de tweede Mbah. Ze hadden beiden hun eigen vertrek in ons huis en verbleven daar het grootste deel van de hele dag.

Oma Mien was een Indische met Europese voorouders; Mbah was een Javaanse pur sang. Ze verschilden totaal van elkaar.

 

Oma Mien at met het gezin mee. Mbah at altijd op haar kamer de door haar zelf bereide maaltijden. Ze gebruikte eigen keukengerei, want met ons keukengarnituur

werd regelmatig varkensvlees bereid. Mbah at als Islamitische geen varkensvlees, dat was taboe, haram zoals ze dat zei.

 

Mbah

 

Als kind vond ik het heerlijk om bij Mbah te zijn. Wij - dat wil zeggen mijn broertjes, zusjes en ik - vlijden ons vaak dicht tegen haar aan en zij voerde ons lekkere hapjes: bolletjes rijst, vlees en groente in elkaar gedraaid. Ze legde ze met haar hand, die een lepel vormde, in onze mond. Het was allemaal heel dichtbij en intiem, een giving.

Mbah rook ook heel speciaal, geurig. Dat kwam door de verse bloem in haar haar, waardoor ze er ook altijd mooi en lief uit zag.  En ze vertelde ons sprookjes.

 

Iemand wilde heel rijk worden. Hij ging naar de Slang, een mythische figuur die je alles wat je wenste tegen zijn prijs gaf. De man vroeg de Slang of hij hem wilde helpen. Ja, dat wilde de Slang wel, maar hij moest wel betalen als de Slang hem daarom zou vragen. De man stemde in en werd rijk en vermogend. Op het toppunt van zijn rijkdom zocht de Slang hem op en herinnerde hem aan zijn belofte. De Slang wilde zijn ziel. Die arme man! De Slang nam zijn ziel en de man stierf een jammerlijke dood.

 

Mbah was een bijzondere vrouw. Ze pruimde sirihblad. Ze had die altijd bij zich en zoals wij een koekje of een chocolaatje eten, nam zij een sirihpruim. Dat was overigens nog een heel gedoe, omdat het precies volgens de voorschriften moest gebeuren.

Ze had een koperen plateautje met een kom daaronder. Op het plateau stonden enkele potjes met kalk, een speciale pit, djambi en iets waarvan ik niet meer weet hoe het heette. Met een lepeltje werd het blad met de kalk dun ingesmeerd en voorzien van genoemde ingrediënten opgevouwen en in de mond gestopt.

En dan begon ze te kauwen. Af en toe spoog ze dan rood spul uit in haar spuwbakje (kwispedoor). Haar tanden kleurden daardoor rood. Ze hield trouwens ook van pruimtabak, waarmee ze haar rode tanden schoonveegde.

Ook nog bijzonder was dat haar tanden gevijld waren. Ze geloofde dat op zo'n manier de boze geesten werden afgeweerd.

Haar oorlellen waren helemaal uitgelebberd door de grote oorstekers - de goebeng.

Het waren niet zulke kleine gaatjes als bij oorbellen, maar grote, forse gaten voor die joekels.

Mbah aanbad mijn vader. Hij was immers zo goed voor haar door te zeggen dat zij in zijn huis mocht wonen, tezamen met haar dochter en kleinkinderen. Ze was dankbaar en zeer bescheiden.

Ze stierf toen ik veertien was. Het gebeurde in alle stilte, precies zoals dat bij haar paste.

Hoe oud ze is geworden, weet niemand. Ook zij zelf wist niet hoe oud ze was.

Zij is Islamitisch begraven, in haar witte bidkleed, waarin ze elke dag haar gebeden zei, vijf keer volgens de regels van de Islam. Ik heb, toen ze gestorven was, bij haar gewaakt.

In Indonesië wordt de dode niet alleen gelaten totdat de begrafenis heeft plaats gevonden. Nee, ik vond het niet eng. Het voelde natuurlijk en vertrouwd aan en hoewel ze gestorven was, was ze er toch ook. En zo is zij bij mij gebleven tot op de dag van vandaag. Zij is er voor mij nog steeds, ook nu ik ver weg in Nederland woon.

 

Mijn ouders

 

Mijn moeder had veel meer dan mijn vader een affiniteit met het mysterie van het leven.

Mijn vader was Gereformeerd. De leer stond bij hem voorop. Voor mijn moeder maakte het niet uit welke godsdienst iemand had. Ze ging met mijn vader vaak naar de kerk, maar voor haar gold vooral dat God overal was en bij iedereen. Mijn moeder las ook veel spirituele boeken. Krishnamurti, Raspoetin, Islamitische en Boeddhistische geschriften.

Ze  leerde ons liefde en respect te hebben voor de ander en in harmonie te leven. Wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat dan ook een ander niet. En geef de ander wat je kunt missen. Een bedelaar verliet ons huis nooit zonder iets te krijgen. "Wees blij", zei ze, "dat je wat kunt geven!”  Deze levenshouding hing mijn vader ook aan.

In Nederland heb ik wel eens het gevoel dat men denkt: Als ik iets geef, heb ik het zelf niet meer. Bij mijn ouders leerde je te geven. Ik weet niet of dit iets met het klimaat te maken heeft, maar dat denk ik wel eens.

De mensen in Nederland leven met de deuren en ramen dicht. Toen ik later bij mijn schoonouders was, hoorde ik ze altijd roepen: "Deuren dicht!"  En dat moest natuurlijk ook, want zodra de deur openging, woei een koude windvlaag de kamer in en weg was alle warmte. Deze houding heeft zich naar mijn gevoel ook geestelijk in de hoofden vastgezet. Ieder leeft in zijn eigen huisje en houdt de deur naar buiten gesloten. En dat in tegenstelling tot Indië, waar alle deuren en ramen altijd wijd open stonden, letterlijk en figuurlijk.

Onze bedienden mochten we nooit aanroepen met “Hé, jij daar" of zoiets, maar altijd bij de naam en met respect. Het gaat om de toon waarop je iemand aanspreekt.

We leerden ook om niet boos te blijven als er iets voorgevallen was. Als ons iets dwars zat, moesten we dat zeggen. Wrok vergiftigt de ziel.

Ja, later heb ik als volwassene mijn moeder wel eens het verwijt gemaakt dat ze vroeger altijd zoveel mensen, vreemden voor ons kinderen, om zich heen had. Hierdoor had ik het gevoel dat ze ons te weinig aandacht gaf. Wat ik tegen haar zei was een overwinning op mezelf. Toen ik het haar vertelde, bleef ze kalm en zei dat ze zich dat nooit gerealiseerd had.

 

Geef licht in mijn hart

 

Het universum is een onuitputtelijke bron van kracht, liefde, energie en licht. Ik heb dat van mijn moeder geleerd. De mens krijgt, als hij dat nodig heeft, hulp uit het universum. Mijn moeder leerde me dat je in je bidden steeds moet beginnen met je dank uit te spreken voor het licht dat je hebt mogen ontvangen. Als je het licht ontvangt, begin je zelf te stralen en word je zelf licht.

 

Geef licht in mijn hart

en licht in mijn ziel,

licht op mijn tong,

licht in mijn ogen,

en licht in mijn oren.

Geef licht aan mijn rechter-,

licht aan mijn linkerkant;

licht achter mij

en licht voor mij,

licht boven mij

en licht onder mij.

Geef licht in mijn bloed,

licht in mijn vezels,

licht in mijn haar

en licht in mijn huid.

Geef mij licht,

omring mij met licht

versterk mijn licht,

maak mij tot licht.

 

Het is een tekst van Mohammed, die ik nog dagelijks uitspreek.

 

We leerden van haar om elke avond, voordat we naar bed gingen, stil te worden en ons af te vragen wat we die dag hadden gedaan en gezegd. Wat was goed geweest en wat hadden we niet goed gedaan? We leerden de dag te prijzen voor het goede en we leerden vergeving te vragen voor de fouten die we hadden gemaakt.

 

In Indië wordt het in luttele momenten duister als de zon ondergaat. De aarde verandert.

De aardelucht stijgt op. Exotische geuren bedwelmen je. De nacht ruikt in Indië zo anders dan de dag. Het lijkt alsof de natuur dan pas ontwaakt. Men hoort geluiden die men overdag nooit hoort: een concert van duizenden cicaden, geritsel van bladeren en dieren. In de verte hoor je een hond blaffen. En als je omhoog kijkt, zie je de maan en de ontelbare sterren, die aan de hemel flonkeren. Een diffuus schijnsel, dat geheimzinnig de aarde verlicht. Nee, ik was nooit bang. Ik vond de Indische avonden en nachten heerlijk en vol belofte.

Met volle maan wandelden we vaak buiten. Als kind vond ik het zo bijzonder dat de maan altijd bij ons was en maar bleef schijnen waar we ook liepen. We maakten er een spelletje van en probeerden de maan voor te zijn, maar constateerden dan dat hij ons altijd voor was.

We wandelden met onze ouders naar een Chinees barretje verderop, waar we geglazuurde beschuit met suiker kregen. Verrukkelijk! Als ik eraan denk, proef ik het nog, zo lekker knapperig en zoet was het. Maar thuis moesten we dan opnieuw onze tanden poetsen. Daar zag mijn moeder op toe. En ook mijn vader en die was heel streng.

Wat je ook rook, was de brandlucht van de klapperbast. De bast van de klapperbomen gooide men op de vuurtjes, die overal gestookt werden, om de insecten af te houden. Om die vuren zag je de schimmen van de mensen, die elkaar verhalen vertelden en onderwijl pruimden en later hun pruim in het vuur spuwden.

Als de volle maan scheen, prevelde ik als kind: "Maantje, maantje, geef mij een beetje licht, maak mij licht....." Met de hand maakte ik rondjes over mijn gezicht en ik voelde hoe de energie tot mij kwam en ik begon te gloeien. Ook dit hebben wij van mama geleerd.

 

Ik ken nog een ander gebed:

 

Bismillah hailolah

Sopo sing weruh aku, welas ambè aku

Welas-welas pengasiané Allah

Bismillah heroman herohim

 

 

De Heer zij mij genadig

Wie mij ziet, heeft mededogen met mij,

Wie mij ziet houdt van mij,

Wie mij ziet helpt mij,

Mededogen is een gift van God

Dank u Heer.

 

 

Inwijding van het huis

 

Mijn ouders lieten na een verhuizing ons huis inwijden door zeven hadjis. Hadjis zijn gelovigen die in Mekka geweest zijn. Elke Islamiet verlangt eenmaal in zijn leven een reis naar Mekka te maken. Jarenlang wordt daarvoor gespaard, want de reis is duur. Ben je eenmaal in Mekka geweest, dan wordt dat door de gelovigen erkend. Ik zie de hadjis nog voor me, in hun traditionele kleding en hun fluwelen pitjies (hoofddeksels). Zij kwamen op verzoek van mijn moeder ons huis inwijden. Mijn vader, die weliswaar Gereformeerd was, gunde haar haar levensvisie en liet haar begaan. Het was, als mijn moeder dat zo graag wilde, vanzelfsprekend.

Ik was bij die inwijding. Nog zie ik voor me hoe de hadjis zich, voordat het ritueel begon, reinigden. Ze spoelden hun mond, maakten met water hun gezicht schoon, ook hun neus, ogen en oren, en wasten hun voeten tot boven hun enkels en hun handen tot aan de elleboog - altijd van rechts naar links. Daarna rolden ze hun matjes uit en bogen voorover, knielden, zaten en stonden weer op; onderwijl spraken ze hun gebeden uit, Islamitische gebeden in de Arabische taal, heilige klanken waar we de betekenis niet van begrepen, maar wel door aangeraakt werden. Aan het eind van de sessie werden ze beloond met een gevlochten bamboemandje, dat gevuld was met rijst en gerechten en een rijksdaalder. Het was een brekat zoals we in Indië zeiden, een offergave.

Later heeft mijn moeder nog eens een hadji geraadpleegd  - met minder succes overigens - maar dat komt nog.

 

Afscheid van Bandjarmassin

 

 

 

Mijn moeder was een vrouw met grote didactisch gaven. Ze gaf les aan Indonesische meisjes en jonge vrouwen, die veiligheidshalve door hun man of broer naar ons huis werden begeleid. Ze leerde hen lezen, schrijven, handwerken en haken. Op deze foto staan mijn moeder en haar leerlingen geportretteerd. Dit is een foto gemaakt bij het afscheid van Bandjarmassin.

 

Mijn vader

 

Hij was belastingambtenaar en werkte op kantoor. Soms bezocht hij andere dorpen om daar belastingen te taxeren. Als hij op kantoor zat, kwam hij om twee uur 's middags thuis. Hij had dan de hele ochtend vanaf een uur of zeven al gewerkt.

In Indië wordt er om twee uur, als de zon op het hoogste punt staat, rust gehouden.

Mbah, mijn oma, die tegen 14.00 uur altijd op de uitkijk stond, zag mijn vader dan al van ver aankomen en waarschuwde de bedienden dat de grote baas eraan kwam en het tijd werd om het eten op te dienen. Voor haar was mijn vader nu eenmaal de heer van het huis.

Ze zag er op toe dat mijn moeder uitgerust en fris was om mijn vader te verwelkomen. Mijn moeder baadde zich van tevoren en was heerlijk schoon als hij binnenkwam. Ze rook altijd heerlijk naar Mayazeep en Éclatpoeder. Mijn ouders groetten elkaar met heftige omhelzingen en dikke zoenen; het waren twee tortelduiven.

Vervolgens gingen ze samen lunchen. In Indië is de lunch altijd een warme maaltijd. Daarna gingen ze samen naar bed om wat te rusten. Ik werd vaak gevraagd - ik was ongeveer 9 jaar - om hem te masseren en moest dan met mijn blote voeten over hem heen lopen, net zo lang totdat hij in slaap viel. Mijn vader vond dat heerlijk relaxerend.  Mijn moeder, die naast hem lag, las hem voor. Het gebeurde wel eens dat mijn vader de slaap niet kon vatten. Mijn moeder zei dan tegen me: "Ga nu maar lekker spelen, kind, het is nu wel genoeg."

 

Mijn vader werd door mijn moeder letterlijk in de watten gelegd. Zij ontpitte de druiven, schilde het fruit, ontgraatte de vis en legde kleren voor hem klaar. Omgekeerd liet hij mijn moeder het geld beheren. Mijn moeder stopte in de borstzak van mijn vaders djas toetoep (wit kakipak met wit hoog boord) elke dag een rijksdaalder om bijvoorbeeld op kantoor zijn collega's op een kop koffie te trakteren. Soms had hij wat geld over en kocht hij op weg naar huis voor mijn moeder mooie gekleurde gladiolen. Als hij voor zijn werk op reis was geweest, bracht mijn vader altijd de specialiteiten van het dorp mee: zakken rambutan, rijpe manga's of klengkeng - dat zijn kleine zoete vruchten die lijken op lyche. Eerst kregen wij onze portie van het meegebrachte fruit en daarna aten mijn vader en moeder gezamenlijk van het heerlijke fruit. Hierbij wilden ze niet door ons gestoord worden. Wij hadden toch ook onze portie al gehad?!

Mijn ouders hadden samen vele intieme momenten. Bijvoorbeeld ’s morgens, na het scheren, placht mijn vader de oksels van mijn moeder te scheren. Niet zelden werd hij daarbij opgewonden. Ze trokken zich dan terug en wij hoorden achter de slaapkamerdeur het gegiechel van mijn moeder. Even later kwam mijn vader weer als een haantje uit de kamer. 's Zondags deed mijn vader een eetverzoek. Als mijn moeder dan naar de keuken ging, bleef hij haar achtervolgen en hoorden we mijn moeder zeggen: "Jongen, niet nu, straks!" 

 

Mijn broertjes, zusjes en ik hielden ervan om ‘s zondags in de vroege ochtend bij mijn ouders in bed te kruipen. Wij vonden het heel fijn om dicht tegen hen aan te kroelen. Ze hadden een heel groot bed met veren; het was heel erg leuk om in het bed trampoline te springen. Ja, dat vonden ze goed. Mijn moeder zei dan tegen mijn vader: "Ach laat ze toch, het zijn nog kinderen." Maar als het haar wat te gortig werd omdat wij te druk werden, riep ze: "Ruhe!" Ja, dan sprak ze Duits. Dat was niets bijzonders als ze af en toe een woord uit een andere taal bezigde. Zo noemde ze ons regelmatig 'the little ones". Als ze iets tegen mijn vader wilde zeggen wat wij niet mochten horen, dan deed ze dat in het Engels. Wij spitsten natuurlijk onze oren….!

 

Mijn vader en ik plaagden elkaar zo nu en dan. Hij begon me dan te kietelen en ik kroelde van plezier. Mijn moeder zag het aan, maar toen ik ongeveer twaalf jaar was en al een beetje vrouw, zei ze tot mijn vader: "Jong, denk aan de dertigduizend realen!" Ze had hem ooit een verhaal voorgelezen, waarin het spel tussen vader en dochter te ver was doorgevoerd en de man een straf van dertigduizend realen werd opgelegd. Het was voor haar een typerende manier om mijn vader te waarschuwen dat hij de grenzen van het spel moest bewaken.

Mijn vader knipte elke zondag ook onze nageltjes. We zaten buiten in de tuin op een tikar, een fijngevlochten mat van geurig riet. Hij riep ons dan een voor een  bij zich. Mijn moeder stond in de keuken  en kon even ongestoord haar gang gaan. Ja, zij bestuurde het huishouden en haar man op een subtiele manier.

 

Mijn vader hield van uitgaan. Tennissen, biljarten, dansen, schaken, naar voetbal kijken. Mammie had heel vaak een dikke buik en bleef thuis. Ze gunde pappie zijn uitjes. Als ik 's nachts wakker werd, was mammie nog op en bekeek ze de modebladen met zachte grammofoonmuziek, gedraaid op "His Master's Voice", op de achtergrond. Dan vroeg ik haar, nadat ik te horen kreeg dat pappie nog niet thuis was: "Zijn alle pappies zo????"

Ik vond mijn moeder zo 's avonds alleen thuis zielig.

Het volgende voorval herinner ik me nog heel goed. Mijn vader kwam op een avond heel laat thuis en had een jong meisje bij zich. Hij had de hele avond met haar gedanst - tegen betaling - en toen op het einde van de avond bleek dat ze geen onderdak had, had hij spontaan gezegd: "Kom toch mee naar mijn huis, mijn vrouw zal je kleren en een slaapplaats geven." 

Mijn moeder wist van niets en zag ze beide komen, maar toen ze het verhaal van het meisje hoorde, kreeg zij medelijden en verzorgde haar. Ik denk dat zowel pap als mam een goed gevoel hadden dat zij dit jonge kind konden helpen. Nu na zoveel jaren bewonder ik mijn moeder nog meer. Ze gunde mijn vader het beste en had een hart voor andere mensen.

Ze heeft het meisje nog extra geld meegegeven, toen ze de andere dag weer vertrok.

 

Reis naar Nederland

 

In 1935 kreeg mijn vader Europees verlof. Wij gingen voor een jaar naar Nederland. Al onze spullen werden op de vendu verkocht. Met de boot voeren we van Bandjarmassin naar Surabaja. Op Java ging ik samen met mijn ouders naar het graf van onze grootvaders en de andere graven om afscheid te nemen. Maar er was nog iets. Mijn ouders waren respectievelijk 35 en 30 jaar oud en hadden zes kinderen. Moeder wilde eigenlijk geen kinderen meer. In Bandjarmassin had ze al onze huisarts dokter Ramshorst geraadpleegd, maar die lachte haar uit en zei: “Maar mevrouwtje, u bent kerngezond en kunt nog wel 10 kinderen krijgen!”. Omdat dat consult geen soelaas gaf, bezocht ze in Surabaja, zonder dat mijn vader er iets van afwist, een hadji. Ik mocht met haar mee. De hadji gaf haar een flesje water, waarover hij wat gepreveld had. Mijn moeder moest elke ochtend van dit water een glas drinken, zei hij, en dan zou het allemaal goed komen. Ze fluisterde mij toe: "Pappie hoeft maar even naar mij te kijken, of ik ben al weer zwanger!”.  Op de boot naar Nederland was mijn moeder voortdurend misselijk en mijn broertje Joke werd in Den Haag geboren.

 

Mijn vader was een flamboyante man, die tijdens de bootreis veel met tante Deetje omging. En dat ging in den Haag door. Mijn moeder en ik trokken vaak met elkaar op. We voerden na mijn schooltijd de eendjes in het park en gingen naar films, waarin Shirley Temple speelde.

Ik genoot en bespeurde niets van het verdriet van mijn moeder. Veel en veel later begreep ik dat ze veel verdriet moet hebben gehad van het uitgaan van pappie met tante Deetje.

Op de terugreis heeft mijn moeder mijn vader voor de keuze gesteld. "Je moet nu maar zeggen of je bij Deetje wilt blijven of bij mij."

"Bij jou natuurlijk!", zei vader spontaan.

"Dan lijkt het me verstandig", zei mijn moeder subtiel, "dat je tegen je bazen zegt dat je niet in een plaats komt, waar ook tante Deetje is."

Mijn moeder had begrip voor de behoeften van mijn viriele vader. Zij wilde geen kinderen meer en voorbehoedsmiddelen waren toen nog onbekend. Mijn moeder vroeg tante Joe, een Indonesische vrouw, of ze met mijn vader wilde slapen. Voor die tijd had ze al een Chinese weduwvrouw gepolst. Tante Joe wilde wel, maar mijn vader wilde haar niet. "Als ik een andere vrouw wil, dan zoek ik die wel zelf", zei hij.

Mijn moeder werd opnieuw zwanger. Chris werd geboren. Hij werd haar liefdesbaby.

 

Na de oorlog

Mijn vader zat tijdens de oorlog in een concentratiekamp in Japan. Wij - zijn kinderen - groeiden zonder hem op. De generatiekloof tussen hem en ons was daardoor groot geworden. Het weer accepteren van het vaderlijk gezag ging niet vanzelf. Ik denk dat het voor zowel mijn vader als mijn broers een geven en nemen was. Voor de meisjes ging het wat gemakkelijker. Ergens heb ik een foto, waar mijn vader en de jongens als een hechte eenheid op staan. De foto ontroert me. Ik zie het resultaat van geduld, mededogen en vergeving.

Na de oorlog heeft mijn vader ook alles gedaan om ons een goede schoolopleiding te geven.

Hij nam zelfs onmogelijke baantjes aan, terwijl hij voorheen als ambtenaar van de belastingdienst toch een gerespecteerde status had. Ja, voor mam en de kinderen deed hij alles. Iedereen mocht hem graag, zodat hij gelukkig nog snel een baan bij het kadaster kreeg.

 

 

 

 

 

 

 

Van links naar rechts:

Tante Lotte, Oma Mien, Arend,  Hendrik Daniel (mijn vader),  Antonia, mijn grootvader, Eduard.

 

 

 

Tante Lotte

 

Tante Lotte, de zus van mijn oma van moederszijde, trouwde, toen zij 15 was, met oom Kolmus, een imponerende, forse man met snor, die – voor zover ik mij herinner - altijd in een zwarte pantalon van prachtige stof liep met zo'n brede cumberband, rood of paars. Een witzijden, geplisseerd overhemd completeerde de outfit.

Hij was rijk geworden in de suiker.

Mijn tante kreeg vanaf haar dertiende van hem les in lezen en schrijven. Ze was zeer leergierig en adoreerde haar leraar. Toen hij een oogje op haar liet vallen en haar tot de zijne wilde maken, stemde zij ogenblikkelijk toe. Een nieuwe wereld ging voor haar open.

Door hem leerde ze de elite kennen.

Zo hoorde ze op een goede dag van enkele belangrijke Chinese aannemers dat het zeer lucratief was om, als ze wat eigen geld had, dit te investeren in onroerend goed.

Ze nam het advies ter harte en kocht huizen en land.

Ze ontwikkelde zich in korte tijd tot een slimme zakenvrouw. Daarnaast begon ze ook jonge Chinese bruiden te adviseren en voor te bereiden op het komend huwelijk.

Ze leerde hen hoe ze zich tegenover de man moesten gedragen en hoe ze zich moesten kleden en opmaken.

Mijn tante was inmiddels zo rijk, dat ze de duurste stoffen en parfums uit Parijs liet komen om de dochters van rijke Chinezen als bruid aan te kleden.

Ze liet zich graag betalen met briljanten en andere juwelen.

Als kind vond ik het heerlijk om bij mijn tante te logeren.

Zij had veel boeken.

Ik herinner me nog de sprookjes van Duizend-en-één nacht, die ik met rode oortjes zat te lezen.

Het waren heerlijke tijden, ook als mijn tante in de sado, een voertuig dat door één of twee mooi verzorgde paarden wordt voortgetrokken, bij ons op bezoek kwam en ons op van alles trakteerde.

 

Op zekere dag liep een jonge Javaanse vrouw met een kind op haar arm langs het huis van mijn tante. Toen ze me mijn tante zag, voer ze vreselijk tegen haar uit.

"U denkt dat u alles in het leven hebt, maar dit kind is van mij en uw man", zei ze. "Kijk maar eens hoe die op hem lijkt!"

Mijn tante zei kordaat: "Geef mij dat kind dan maar. Jij bent nog jong en kunt nog wel een Javaanse man trouwen. Ik zal je ervoor betalen. Hier heb je wat geld!"

De vrouw vertrok toen met een buideltje geld, het kind achterlatend. En zo kwam tante aan haar kind. Ze noemde hem Jan.

 

De tijden veranderden. De crisistijd brak aan. De suikerhandel stortte in elkaar. Oom Kolmus kreeg schulden, mede door vrouwenperkara's (affaires met vrouwen).

Tante, die inmiddels schatrijk was, betaalde die stilzwijgend. Ze was oom dankbaar voor de opleiding en de status, die hij haar had gegeven. Ik heb van mijn tante geleerd dat je nooit moet laten blijken hoe rijk je bent. De voorgevel van het huis moet eenvoudig zijn, en het huis moet aan de achterzijde een uitgang hebben, zodat men kan vluchten als er wat gebeurt.

De oude Chinezen hadden haar ook geleerd dat een huis 'selfsupporting' moet zijn, dat wil zeggen een bron moet bevatten, zodat je altijd water hebt om te drinken, te koken, je te baden en te wassen.

Ze had ook een kist in huis, een doodskist, waarin ze na haar dood begraven zou willen worden.

 

Tijdens de oorlog werd oom Kolmus geïnterneerd. Mijn tante en haar aangenomen zoon Jan bleven in het huis wonen. Jan was inmiddels achttien jaar.

Toen werd tante ziek. Mijn moeder bezocht haar om haar te verzorgen.

Tante was zo ziek dat ze een dokter nodig had. Ze wees mijn moeder de plek aan, waar zij ooit voor slechtere tijden haar juwelen en geld door Jan had laten verbergen.

De plek was enkele passen verwijderd van de boom, die op het ommuurde binnenerf stond.

Mijn moeder begon op tante’s verzoek te graven, maar vond niets. En daarna nog op enkele andere plekken, maar steeds zonder resultaat.

De juwelen waren weg en geld was er ook niet meer. Mijn tante is ziek en medicijnloos gestorven. Later bleek dat haar aangenomen zoon Jan de juwelen had gestolen en verpatst.