|
|
|
Nu ook verschenen Autobiografie Hillebrand ► |
|||||||
|
Interview met Dr. Anton
Elias Victor Hillebrand Emeritus arts, internist Voormalig directeur van het Sint Willibrord Ziekenhuis Tegelen en het Sint Maartens
Gasthuis, later Vie Curie, Venlo-Tegelen Wim Rhebergen Interviews ► Autobiografie
Ton Hillebrand ► Reacties ► Home ► Contact: info@rhegie.com |
|
Eerbetoon
aan de zusters van
de Goddelijke Voorzienigheid De geschiedenis van het Ziekenhuis Tegelen |
|||||||
|
|
|
|
|||||||
|
Inhoud Ziekenhuis
van de Goddelijke
Voorzienigheid Dr. Anton Elias Victor Hillebrand Medewerkers Ziekenhuis Tegelen
Eduard Michelis
R.K.
Ziekenhuis Tegelen
Tekening van
Guus Terstappen
Sint
Willibrord Ziekenhuis
't Peske
Cartoon in de Venlose Krant
Willibrordus mozaïek van Daan
Wildschut
Samen aan het
werk
Henriëtte
Simons |
|
Inleiding Dit interview moet een eerbetoon worden aan de zusters van de Goddelijke Voorzienigheid
- maakt hij me duidelijk. "Ze vormden de ruggengraat van het ziekenhuis,
waar ik zo vele jaren werkzaam was als internist en later
geneesheer-directeur. De zusters waren er altijd, dag en nacht, en zij
verzaakten nooit. Personeelsproblemen hebben we nooit gekend. Zij werkten in de verpleging
en verzorging, maar ook op de administratie, in de keuken en in de
schoonmaakdienst. De groenten, die zij in hun eigen kloostertuin verbouwden,
stonden bij ons in het ziekenhuis op tafel. De zusters deden alles. In het
ziekenhuis werkte maar een gering aantal mannen. Twee medisch specialisten,
waarvan ik er een was, een ketelstoker en een klusjesman. Tegenwoordig wordt
niet beseft wat de zusters voor ons hebben betekend. Inmiddels ben ik 93; ik
heb ze gekend en meegemaakt en als ik gevraagd word iets te vertellen over
mijn leven, wil ik het hebben over de zusters, mijn rechterhanden, die in de
anonimiteit van de aan hen toebedeelde zusternamen hun leven gaven aan de
ander. Tegenwoordig is er de thuiszorg. In zekere zin zijn zij de opvolgers
van de zusters. Mijn vrouw en ik hebben - nu we ouder geworden zijn - hun
hulp nodig. Bij hen bespeur ik dezelfde mentaliteit als bij de zusters: die
van liefde, zorgzaamheid en toewijding. Met hen zal ik mijn verhaal
afsluiten. Ik zal met mijn verhaal beginnen op het moment dat ik afstudeerde
en in Venray terecht kwam." Venray en mijn eerste kennismaking met Tegelen "Tijdens de oorlog
studeerde ik als arts af aan de Rijksuniversiteit van Utrecht. Vier jaar
later was ik als internist werkzaam aan het Sint Elizabeth-ziekenhuis
in Venray. Dr. Lohman uit Weert, bij wie ik voor
mijn afstuderen enige tijd had gewerkt, had me gevraagd zijn praktijk in
Venray over te nemen. Mijn collega werd Fredo San Giorgi, de latere hoogleraar orthopedie in Nijmegen. Toen
ik in mei 1944 mijn entree in Venray maakte, was het nog een relatief rustig
dorp, waar we ondanks de oorlog nog vrij ongestoord konden wonen en werken.
Maar dat veranderde in dat laatste oorlogsjaar volledig, toen de veldslag van
Overloon in september 1944 begon. Heel Noord
Limburg werd het strijdgebied van de oprukkende geallieerde troepen en het
ongekend felle verzet van de Duitsers. Venray lag midden in het strijdgebied.
en werd totaal kapot geschoten. We zagen vanuit het ziekenhuis de grote kerk
"Sint Petrus Banden" schot na schot
afbrokkelen totdat de toren in elkaar stortte. Niets stond na de veldslag
meer overeind. In de nabijgelegen dorpen was het al niet veel anders. Het was
een verwoest land. Het moeras van de Peel zat vol met weggezakte tanks. Om de
haverklap trapten de mensen op mijnen. Het gevaar van epidemieën diende
zich aan. De hal van het ziekenhuis in
Venray zat vol met mensen die allemaal medische hulp nodig hadden. Wat
moesten we doen? De enige chirurg van het ziekenhuis en ik als zijn enige
hulpje, deden wat we konden, maar we waren gedwongen om een keuze te maken
wie we als eersten moesten behandelen. De ergste gewonden lieten we liggen en
ook de licht gewonden, maar zij die er - zeg maar - tussenin zaten, werden
als eerste door ons behandeld. Het was niet anders. Op een gegeven ogenblik
floten de granaten over ons heen en dreigde er paniek uit te breken. We
hadden toen al besloten dat alle patiënten naar het souterrain zouden
moeten verhuizen. Er werd gebeden en gezongen. Eerst Marialiedjes
en andere geestelijke liederen, later het Limburgse volkslied en het
Wilhelmus, en tenslotte vrolijke carnavalsschlagers. Het waren enerverende
momenten. Er is in die dagen ontzettend veel gebeurd. Aan het eind van de
oorlog lag heel Noord Limburg in puin. Huisarts Janssen uit Tegelen riep in die tijd mijn hulp in. Maar hoe daar te
komen? Ik had een motorfietsje uit de zwarte handel opgescharreld, maar het
had geen voorwiel en geen ketting. Huisarts Janssen heeft er toen nog voor
gezorgd dat ik die kreeg. Voordat ik op weg ging, naaide mijn vrouw nog een
geplastificeerd landkaartje in mijn canvasbroek. Het geplastificeerde
landkaartje hadden we ooit op de Duitsers buit gemaakt en zou me tegen de
ijzige kou van die verschrikkelijke winter van 1944 moeten beschermen. Het
was mijn eerste kennismaking met Tegelen." Het ziekenhuis
'De Goddelijke Voorzienigheid' Tegelen "In 1947 werd ik als
internist aangesteld in het ziekenhuis van Tegelen
met de prachtige naam 'De Goddelijke Voorzienigheid'. Daarnaast bleef ik als
internist verbonden aan de streekziekenhuizen van Venray en Horst. Het Tegelse ziekenhuis
was oorspronkelijk een initiatief van burgemeester Carel van Basten-Batenburg in 1914. De zusters van de Congregatie
'De Goddelijke Voorzienigheid' hadden het geld gegeven, waarmee de bouw kon
beginnen. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog - we gaan ver terug
in de tijd - kwam men echter al gauw in geldproblemen, zodat men gedwongen
was de bouw te staken. Tegelen werd opgescheept met
wat de dorpsbewoners al snel 'De Ruïnes' noemden. In 1926 werd alsnog de
bouw hervat. Dit op heftig
aandringen van burgemeester Coenders, die in zijn
archief een contract had opgediept, waarin de zusters zich verplicht hadden
het ziekenhuis te bouwen. De gemeente zelf heeft geen cent daaraan bij
behoeven te dragen. Burgemeester Dr. F. Pesch
opende 1 augustus 1927 het ziekenhuis. Tegelen had
zijn 'gashoës'. Bij nader inzien was het
gebouw totaal ongeschikt om er een ziekenhuis in te huisvesten. Het had bij
wijze van spreken een kazerne kunnen zijn. Toen elf jaar later het ziekenhuis
verbouwd moest worden, bleken de muren zo hard te zijn dat alle
patiënten stekende hoofdpijn kregen van het aanhoudende dreunen van de
drilboren. Niettemin werd in 1938 het
Ziekenhuis uitgebreid naar een beddenaantal van achtenzestig. In datzelfde
jaar kreeg het ziekenhuis de A-status met een opleidingsbevoegdheid voor
verpleging. Dr. Scheres werd als vaste chirurg
benoemd. De eerste gediplomeerden, religieuzen, die tot dat ogenblik allemaal
zonder opleiding in het ziekenhuis werkzaam waren geweest, studeerden in 1941
af. In 1944 werd het ziekenhuis voor korte tijd een Duits lazaret. Er kwam
een noodziekenhuis in het nabij gelegen patronaat. Tegelen
werd 1 maart 1945 bevrijd." De Congregatie van de zusters van de Goddelijke
Voorzienigheid De oorsprong van de Congregatie van de Goddelijke
Voorzienigheid ligt in Münster
(Duitsland). De priester Eduard Michelis stichtte in 1842 een congregatie van vrouwelijke
religieuzen en belastte hen met de zorg, scholing en opvoeding van meisjes.
De naam van de congregatie drukte volgens de stichter de geest uit van het
blije onbezorgde kind van God, dat zich in vrijheid en liefde overgeeft aan
de Voorzienigheid van de hemelse Vader. Toen Bismarck
in 1872 de leden van de
Katholieke Congregaties verbood nog langer onderwijs te geven, de zogenaamde Kulturkampf, weken meer dan 9000 religieuzen naar het
buitenland uit, o.a. naar Steyl (Tegelen).
Vanuit Steyl zijn in deze regio vele scholen
opgericht. De verpleging van zieken is, als de deuren van het Tegelse ziekenhuis open gaan, voor de Congregatie een
nieuwe activiteit. Dr. Hillebrand: "Moeder
Antoine vertelde me dat het ziekenhuis is gebouwd met het spaarzame geld van
de zusters. Zij waren toen in het onderwijs werkzaam en droegen hun geld aan
de orde af in verband met de gelofte van armoede, die ze bij intrede
aflegden. Toen het ziekenhuis in Tegelen haar
deuren opende, wisten zij van verpleging en medische zorg nog vrijwel niets.
De eerste patiënt was een vrouw met snijwonden,
die met een kruiwagen werd binnengebracht. Ze had ruzie met haar man gehad.
Zuster Benedicte heeft haar toen verpleegd." Verhalen uit de beginperiode van het ziekenhuis De verhalen uit de
beginperiode van het ziekenhuis zijn opmerkelijk. De patiënten lagen op
houten bedden. Iedereen kon hen van buiten bekijken, want de ramen hadden
geen matglas of iets dergelijks. Later werden de overgordijnen uit de
operatiekamer, die boven op de
eerste etage gesitueerd was, gehaald om de patiënten beneden toch nog
enige privacy te geven. Er was geen lift in het
gebouw. De patiënten werden door vier zusters op brancards naar de
operatiekamer gedragen. Geld was voortdurend een probleem. De zusters gingen
zaterdags langs de huizen om kwartjes binnen te halen, zodat ook de armsten in het ziekenhuis opgenomen konden worden. De
inkopen voor de maaltijd werden gedaan bij de plaatselijke middenstand. Zij leefden in een tijd dat de
mensen zich nog niet dagelijks plachten te wassen. Zuster Philiberta
merkte eens op: "Sommigen zijn maar drie maal in hun leven gewassen: bij
hun geboorte, bij hun trouwen en bij hun overlijden. " De mensen waren
vuil. Ze stonken. Directeur van het Tegelse
ziekenhuis In 1954 vroeg Moeder Antoine,
de provinciale overste, mij of ik directeur van het Tegelse
ziekenhuis wilde worden. Het was nog in de tijd dat er geen
functieomschrijvingen bestonden en alles werd al pratende bedacht en
afgesproken. We besloten dat het medisch en verpleegkundige deel onder mijn
verantwoording zou komen en de financiën bij de zusters. Ik was wel blij
met die afspraak, want niemand was zo secuur met het geld als de zusters.
Elke cent werd geteld en er werd niets over de balk gegooid. Ik werd
aangesteld als directeur van een voortreffelijk georganiseerd ziekenhuis van
negentig bedden Het was geen organisatie, maar een organisme. Iedereen wist
wat hij - of beter gezegd zij - moest doen. Zuster Adelheidis
regelde alles met strakke hand. Ik heb wel eens gezegd: "Zij was God de
Vader, God de Zoon en de Heilige Geest. De almacht had de wind eronder".
Ze was een krachtige vrouw. Mijn collega Scheres,
chirurg, en ik deden alle medische werk. Het vak was universeel. We
behandelden de hele mens. Dr. Hillebrand: "Van dit
ziekenhuis werd ik dus directeur, bijgestaan door Zuster Xaverina,
hoofd van de verpleging. Zuster Xaverina was een
statige, beminnelijke dame, die een natuurlijk gezag uitstraalde. Haar
eigenlijke naam was Bernardine Driessen, maar zo
kende niemand haar. Pas bij het overlijden placht men de familienaam opnieuw
te noemen, mede in verband met de familieleden, die afscheid van gestorvene
namen." "De gang van zaken in het
ziekenhuis was vanuit ons perspectief gezien nogal primitief. Zo werd er elke
zaterdagmorgen gedweild. Dat gebeurde met het spoelwater uit de wasserij. Ja,
er mocht niets verloren gaan als het nog ergens te gebruiken was. En wanneer
het zo ver was dat er begonnen kon worden, gingen de rokken van de zusters
omhoog en de klompen aan. Drie of vier nonnen stonden op een rij, in gebukte
houding, met een reusachtige dweil in hun handen. En dan zag je ze ritmisch
achteruitlopen, precies in de pas, met de batterij omhoog als een blinde
tank. Met oude zakken en het sop uit de wasserij, waaraan een flinke scheut
lysol werd toegevoegd, dweilden ze het hele ziekenhuis door. Maar schrobben
en dweilen was natuurlijk niet genoeg. De vloeren werden vervolgens
spiegelglad geboend, zodat er bijkans niet op te lopen viel. De boenwas,
waarmee dat gebeurde, was van stompjes kaarsvet met terpentijn gemaakt. De
huishoudelijke werkzaamheden werden door iedereen verricht. Je kon de
directrice in de wasserij aantreffen om te mangelen, te rekken en te vouwen.
Dat was heel gewoon. Ze sjouwden met de manden vol natte was door het halve ziekenhuis
om de boel op de zolders te drogen te hangen. Eén middag in de week
zaten ze tijdens de recreatie allemaal de was te sorteren. Alles werd
gewassen, ook verband en gaasjes. Wat betreft de keuken: voor ze met hun
eigenlijke werk begonnen, maakten ze de groenten schoon en schilden ze de
aardappelen. Veel groente kwam uit hun eigen moestuin. Patiënten en
personeel aten daarvan, en er bleef ook altijd nog wat over voor de inmaak.
Lakens en kussenslopen maakten ze in de naaikamer. Deze waren geborduurd. Van de versleten
beddenlakens werden poetsdoeken en van de minder versleten stukken, servetten
gemaakt. De matrassen waren gevuld met
kapok. Ieder jaar werden die één voor één open
getornd, de vulling werd eruit gehaald en uitgeplozen, waarna de matrassen
opnieuw werden bijgevuld en dichtgenaaid." De eerste mannelijke verpleger "In 1958 wordt de eerste
mannelijke verpleger aangesteld op de mannenafdeling. Men zou misschien
verwachten dat het een discussiepunt in het door vrouwen gedomineerde
ziekenhuis zou zijn, maar dat was het niet. Het gebeurde gewoon." Het ziekenhuis kreeg een bestuur - 1959 "De
zusters vonden dat alles in het ziekenhuis prima geregeld was, maar ik voelde
me steeds onbehaaglijker bij het idee dat er niemand was waaraan ik als
directeur verantwoording moest afleggen. Ik was een soort alleenheerser en
daar wilde ik van af. Ik wilde een bestuur, dat mij ter verantwoording zou
kunnen roepen en heb de kwestie met moeder Antoine besproken. Gelukkig kon ik haar van de noodzaak
overtuigen om een bestuur over het ziekenhuis aan te stellen. Toen eenmaal
het besluit genomen was, kreeg ik de taak om bestuursleden te zoeken. Bij
wijze van spreken mijn eigen toekomstige bazen. Er werd nog even gesuggereerd
dat ik ook wel bestuurslid zou kunnen worden, maar dat heb ik beleefd van de
hand gewezen. Dat was nu juist niet de bedoeling, argumenteerde ik. Ik wilde
een scheiding van machten. Het bestuur bestond uit drie leden van de
Moedercongregatie en drie notabelen uit
Tegelen. Voorzitter werd de accountant van
de congregatie, de heer Van den Eerenbeemt. Verhoudingen "De verhouding tussen
bestuur en directeur was in die dagen volledig anders dan ze nu zijn. De
bestuursleden beschouwden het bestuurslidmaatschap als een eer en kregen geen
enkele financiële vergoeding. Het gratis glaasje wijn dat na elke
bestuursvergadering geschonken werd, was voldoende. En een uitnodiging voor
de jaarlijkse proefavond, waarin de bestuursleden en de directeur bepaalden
met welke wijnen de wijnvoorraad van het ziekenhuis aangevuld diende te
worden. Ik verzeker u dat deze wijnproeverij niet ten koste ging van de
patiëntenzorg. Deze wijnproeverij kreeg later zijn voortzetting in het
jaarlijks diner, dat voor bestuursleden, leidinggevenden en specialisten en
hun partners werd georganiseerd. Het vond elk jaar plaats op 9 november, de
naamdag van Sint Willibrord. Nog een aardig detail: De
Duitsers hadden tijdens de oorlog twee schuilkelders in de achtertuin van het
ziekenhuis gebouwd. Ze waren bedekt met één meter zand. Door de
koele temperatuur waren die schuilkelders een uitermate geschikte plaats om
onze wijn en levensmiddelen te bewaren." CAO " Een van de meest
aangrijpende kwesties in die tijd betrof de invoering van de CAO. De zusters,
die al die jaren in het ziekenhuis werkzaam waren geweest, hadden nooit loon
voor hun werk ontvangen. Zij hadden immers de gelofte van armoede afgelegd en
dan behoefde je voor hun werk blijkbaar niet te betalen, was de redenatie. De
leken-verpleegsters, die later in het ziekenhuis
kwamen werken, werkten wel volgens de CAO en kregen hun salaris. Geleidelijk
drong het besef door dat de ziekenfondsen in zekere zin roofbouw op de
zusters pleegden door hen niet te betalen. Bestuur en directie hebben alles
gedaan om een eind te maken aan deze scheve verhouding. De weerstand kwam
echter uit een geheel onverwachte
hoek, namelijk uit die van de congregatie zelf. De gelofte van armoede, die
de zusters bij hun intrede in de congregatie hadden afgelegd, verbood hen om
salaris aan te nemen. Een plenaire vergadering van het Generalaat in Duitsland was nodig om alsnog te besluiten dat het
door de zusters verdiende geld aanvaard kon worden, met dien verstande dat
het geld voortaan in de kas van de congregatie terecht zou komen." De bouw van het Sint Willibrord ziekenhuis "Het
Tegelse ziekenhuis floreerde. In toenemende mate
werden ook patiënten uit de Venlose regio
opgenomen. We merkten toen dat het ziekenhuis eigenlijk te klein was voor het
aantal patiënten dat we hadden. We zagen in dat we op den duur als klein
ziekenhuis ook eigenlijk niet meer zouden kunnen voldoen aan de eisen van de
moderne gezondheidszorg. De moderne medische apparatuur zou miljoenen vergen
en het geld daarvoor zou ons ontbreken. Bestuur en directie namen toen het
moedige besluit om een nieuw ziekenhuis te bouwen. Ik werd belast met de bouw
ervan - en aanvaardde die taak naast de taken die ik als geneesheer-directeur
reeds had en de verplichtingen die ik had in mijn praktijk als internist in Tegelen en Horst. In november 1960 vond de eerste
steenlegging plaats voor het nieuwe Sint Willibrord ziekenhuis aan de Raadhuislaan, capaciteit 268 bedden. De bouw duurde vier
jaar. Het ziekenhuis werd zes
november 1964 officieel in gebruik genomen. Het oude ziekenhuis werd
omgebouwd tot verpleegstershuis en verpleeghuis. Bij de ingebruikneming op
zeventien november 1967 gaf men het gebouw de naam 't Peske
mee, verwijzend naar de doorwaadbare plaats in de beek, die vroeger op die
plek stroomde. Bij deze
gelegenheid werd aan dr. Scheres, de enige chirurg
in het ziekenhuis, en aan mij een pauselijke onderscheiding uitgereikt door
deken Stoot. Wij werden ridders in de orde van Sint Silvester
Bij die gelegenheid lanceerde deken Stoot de later gevleugelde uitspraak:
"S.O.S, Sjaeris Op Stoann!" Onze ambities waren hoog. We
wilden een kwaliteitsziekenhuis, dat zich met andere ziekenhuizen kon meten,
maar wel binnen het bescheiden budget dat we hadden. Dat is ons gelukt, mede
doordat iedereen meedacht. Toen het ziekenhuis er eenmaal stond, was zowel
nationaal als ook internationaal
de belangstelling erg groot. Men wilde weten hoe we het ziekenhuis hadden
opgezet en hoe we gebruik hadden gemaakt van de nieuwste inzichten. De toenmalige staatssecretaris
Bartels vereerde ons met een bezoek en sprak zijn grote waardering uit. Door
de grote belangstelling ontstond er een vast patroon voor de rondleidingen,
die ik samen met o.a. zuster Ancilla verzorgde. We
begonnen met een geluidsband, waarop wij ons verhaal deden, met vertoon van
dia's. Op de band gaf ik een algemene inleiding en zuster Ancilla,
die diëtiste was, gaf een
toelichting bij het patiënten-maaltijdsysteem.
Zuster Ancilla(, die diëtiste was,) en ik
hadden dit revolutionaire systeem zelf bedacht en ontwikkeld. De patiënt
werd 1½ uur voor de maaltijd gevraagd naar zijn wensen omtrent de
samenstelling en de hoeveelheid van het eten en naar het voorgeschreven
dieet. Het was een soort à la carte systeem,
dat later al dan niet op dezelfde wijze in de gezondheidszorg navolging
kreeg. Een andere verworvenheid van
ons ziekenhuis was het systeem van de buizenpost.
Het systeem is nu natuurlijk volstrekt achterhaald door de opkomst van de
computer en intranet, maar wat waren we er toen trots op. Ons patiënten-oproepsysteem
was een primeur voor Nederland. De patiënt had direct contact met de centrale,
die vervolgens de nodige maatregelen kon nemen. We hadden voorts een centrale sterilisatieafdeling naast de
operatiekamer - dit in tegenstelling tot de vroegere situatie waar het
steriliseren in de operatiekamer zelf gebeurde. Het was een grote
verbetering. Een andere nieuwigheid was het
babypap-systeem.
De babypappen werden in een centrale keuken bereid. De flessen werden
automatisch gewassen en gesteriliseerd en met gesteriliseerde voeding gevuld.
De kleur van de flessendop gaf het soort voeding aan." Sterven "Een ziekenhuis geeft een
patiënt niet graag over aan de dood. Maar het is mijn overtuiging dat
wie heelt en verpleegt, zich ook vertrouwd moet maken met het sterven en de
dood. Ons mortuarium stond bekend als een plaats van grote liefde voor de
gestorvene. Zuster Irmlinda deed daar haar mooie
werk. Ook de armsten hadden een zee van bloemen om
zich heen. Zuster Irmlinda liep het hele ziekenhuis
af om verse bloemen, die achtergelaten waren, te verzamelen en mee te nemen.
De bloemen waren blijken van liefde. Nog een enkele opmerking over de taak van de arts. De
arts heeft naar mijn oordeel de plicht om bij het sterven van een
patiënt steeds na te gaan wat de oorzaak van het sterven is. Hij moet
dit onderzoeken vanuit zijn medische professie. Het kan bijdragen tot grotere
kennis. En als er fouten gemaakt zijn, kan men daarvan leren. Elk ziekenhuis
hoort een sectiekamer te hebben, waarin de patholoog-anatoom zijn werk kan
doen. De ervaring leert dat 95% van de mensen toestemming tot obductie geeft.
Nadien, en dat vind ik wezenlijk, dient de familie op de hoogte gesteld te
worden van de onderzoeksresultaten. Het kan in mijn ogen bijdragen tot de
rouwverwerking bij de nabestaanden." "Het nieuwe
ziekenhuisgebouw werd verrijkt met een groot mozaïek van Daan Wildschut.
Het verbeeldt de aankomst van Sint Willibrordus in
het gezelschap van enkele mannen. In de linkerhoek van het mozaïek is te
zien hoe een ziekenverzorgende een patiënt verzorgt. Het is een unieke
afbeelding, zo heb ik later ontdekt. In de vroege Middeleeuwen was het
afbeelden van zieken nog gewoon, maar in de tijden daarna was het afbeelden
van patiënten in een ziekenhuisomgeving taboe. Men meende dat het de genezing
en het herstel van de zieke in de weg zou staan. Ik citeer uit 'De
ziekenhuispatiënt' van Dr. J.J.C.B. Bremer (1964): "Eeuwenlang verdwenen afbeeldingen van ziekenhuizen uit de kunst en
even zo lang werden uitbeeldingen uit het leven van zieken niet meer
aangebracht in en aan ziekenhuizen, daaraan is te zien hoe deze ziekenoorden
in de loop van de tijd veranderden. Na deze langdurige leemte in de
kunstzinnige weergave van ziekenhuisevenementen is het des te opvallender,
dat heden ten dage bedlegerigheid weer aan de gevel van een nieuw ziekenhuis
kan worden afgebeeld, zij het in religieus-symbolische,
maar daarmee niet minder eigentijdse vorm. Een fraai voorbeeld vormt de
nieuwe gevel van het Sint Willibrordus Ziekenhuis
in Tegelen,
ontworpen door Daan Wildschut."
Plaquette "Het nieuwe ziekenhuis
werd vernoemd naar Sint Willibrordus. Deze heilige.
bracht het Christendom vanuit Ierland in onze contreien. In de muur van de
hal van het ziekenhuis werd een plaquette ingemetseld, hetgeen bij de eerste steenlegging
gebruik was, met een gedicht van pater Jacques Schreurs. St. Willibrord ben ik gewijd. Met dood en ziekte voer ik strijd. Schiet mijn heelkunst mij tekort Dan helpe mij St. Willibrord. Achter de plaquette is een
koker verborgen met daarin een oorkonde en één exemplaar van
elke Nederlandse munt uit die tijd." De fusie (1970) " Het Tegelse
ziekenhuis was een klein ziekenhuis. Even verderop in Venlo stond het Sint Joseph-ziekenhuis. Wilden we de ontwikkelingen in de
gezondheidszorg volgen, dan was samenwerking tussen beide ziekenhuizen
geboden, althans dat was mijn mening. Men zal begrijpen dat niet iedereen
hiervan ogenblikkelijk overtuigd was. Ook binnen de eigen gelederen waren er
soms pijnlijke momenten. Niettemin begonnen we aan een reeks gesprekken,
waarin beide ziekenhuizen nadachten over de betekenis van een eventuele
samenwerking en hoe deze vorm gegeven kon worden. Steeds was daarin het
dilemma van enerzijds de schaalvergroting, waardoor we de verschillende
medische specialisaties en bijbehorende technologieën aan het ziekenhuis
konden verbinden, en anderzijds het behoud van de persoonlijke benadering,
die we kenden vanuit de kleinschalige setting, waarin beide ziekenhuizen tot
dan toe hadden gefunctioneerd. Ook de ziekenhuizen Van Venray en Horst werden
bij deze besprekingen betrokken. De eerder genoemde heer Bartels, inmiddels
ex-staatssecretaris van Volksgezondheid, werd aangetrokken als voorzitter van
deze gesprekken. Hij trok ons over de streep. "Jullie moeten het niet
bij mooie woorden laten, je moet het durven doen." De fusie van het Sint Willibrordus ziekenhuis met het Sint Joseph-ziekenhuis
werd 26 november 1970 een feit. Al snel daarna besloten we een nieuw
ziekenhuis te bouwen, het Sint Maartens Gasthuis,
tegenwoordig Vie-Curie. De plek waarop het ziekenhuis
werd gebouwd, was uniek, precies tussen Venlo en Tegelen
en aan de oever van de Maas. Ik werd als directeur belast met de bouw, mede
omdat ik al eerder de bouw van een ziekenhuis had meegemaakt. Er werd
verondersteld dat ik de voetangels en klemmen van zo'n proces inmiddels wel
zou kennen. Niettemin was dit proces onvergelijkbaar met wat ik voorheen had
meegemaakt, al was het alleen al om de enorm toegenomen bureaucratische
rompslomp. Het Sint Maartens Gasthuis was december
1983 klaar, precies voor de Kerst. Daar vele patiënten de Kerst thuis
vierden, kon er gemakkelijker overgehuisd
worden. Met de ingang van het
nieuwe jaar werd het ziekenhuis volledig in bedrijf genomen. Koningin Beatrix
heeft het ziekenhuis op vrijdag 24 augustus 1983 officieel geopend. En toen
was het voor mij tijd om afscheid te nemen. Ik ging met pensioen in 1984, 70
jaar oud." "Ik heb diep respect voor
de zusters, die dag en nacht voor de patiënten in de weer waren. Ze
wisselden hun werk af met bidden en vasten, dat was hun leven. Ze waren
volledig bereid om zich voor de ander in te zetten. Ze financierden het
ziekenhuis en ook later nog toen er een röntgenapparaat aangeschaft
moest worden. Hun aanwezigheid zorgde voor continuïteit en ervaring en
bepaalde de sfeer van het ziekenhuis. Met hun voortdurende bezieling en doorzettings-vermogen hebben ze het ziekenhuis door de
jaren heen in stand gehouden en tot bloei gebracht. Ik zou enkele zusters bij name
willen noemen. Ik herinner me Zuster Philiberta,
een vrouw die met hart en ziel haar werk deed. 's Avonds laat liep ze nog een
ronde over de afdeling. Ze had een feilloos gevoel voor wat er in de mens
leefde en had een goed woord voor iedereen die dat nodig had. Als ik me
afvroeg of ik een patiënt zou laten bedienen, overlegde ik dat met haar.
Ze was een lieve vrouw. Ik schreef het In memoriam
voor haar. "Een van de zeer grote
vrouwen die als geroepen verpleegster talloze patiënten verlichting
heeft gebracht. Als een moderne Florence Nightingale,
de dame met de lamp, liep ze ook nog 's avonds laat, hier wat bijschikkend,
daar wat troostend, over de verpleeg-afdeling.
Minstens een hele generatie patiënten uit de regio kent haar. Van 1927
tot 1972 heeft ze haar zegenrijke werk gedaan in het Tegelse
ziekenhuis. Patiënten, medeverpleegkundigen en artsen stelden haar raad
op prijs. Ook toen zij, door een chronische, pijnlijke ziekte getroffen, aan
bed was gebonden, bleef zij vol belangstelling voor ons nieuwe ziekenhuis.
Wij hebben alleen maar goede herinneringen aan haar. Zij heeft haar lamp
doorgegeven. Veel is er veranderd sinds zij begon, maar zij bleef vol lof en
vertrouwen over de verpleegkundige van vandaag." Moeder Overste Stella Maris maakte haar naam waar door overal waar ze kwam een
aangename huiselijkheid te scheppen. Elke avond wachtte ze in de huiskamer
tot alle zusters naar bed gingen. Als een zuster het moeilijk had zoals
bijvoorbeeld zuster Philiberta die aan
reumatoïde artritis leed en veel pijn had, troostte ze. Samen dronken ze
alvorens naar bed te gaan een glaasje advocaat. En dan is er zuster Egilberta, het hoofd van de baby- en
kinderafdeling. Ze liep dag en nacht over de afdeling. Ook in de weekenden
was ze er. Niets ontsnapte aan haar aandacht. Ik trad noodgedwongen op als
kinderarts, omdat de kinderarts in Venlo weigerde naar Tegelen
te komen. Later werd dr. Annie Gierlings als
kinderarts aangetrokken en zuster Egilberta werd
haar rechterhand. Na een dienstverband van vierenveertig jaar ging ze met
pensioen. Toen ze hoogbejaard was, sloeg de dementie toe. Het was aandoenlijk
om te zien hoe ze de hele dag met een babypop in haar armen rondliep.
Zuster Adelhildis was een factotum, mijn tweede geheugen. Ze kende alle
patiënten bij naam en wist bij welk ziekenfonds ze waren ingeschreven,
inclusief het ziekenfondsnummer. Desgevraagd wist zij alle statussen van de
patiënten in een mum van tijd te voorschijn te toveren. Dit lukte
niemand. Het was het unieke systeem van
zuster Adelhildis, waar voor de buitenstaander
geen touw aan vast te knopen was. Toen we besloten op een alfabetisch systeem
over te gaan, al was het alleen maar omdat dan ook anderen een status zouden
kunnen vinden zonder de hulp van zuster Adelhildis,
viel er menig traantje. Een anekdote: Het spreekuur
begon om 9.00 uur 's morgens en liep soms tot 16.00 uur uit, zonder enige
koffiepauze of iets van dien aard. Zuster Adelhildis
assisteerde me daarbij altijd trouw. Na een heel drukke dag riep ik enigszins
vermoeid: "De volgende patiënt". De deur zwaaide open en Joke Kint, mijn assistente en Jo Theeuwen
mijn secretaresse, reden lachend zuster Adelhildis
op een brancard naar binnen. Zuster Adelhildes werd
bij ons ingeschreven als de 100ste patiënt van die dag, en het
spreekuur eindigde pas rond een uur of vijf.
Tenslotte Moeder Antoine. Ik heb haar al enkele keren genoemd. Zij is een
van de vrouwen, die ik het meest heb bewonderd. Zij was een intelligente,
verstandige vrouw. Bij haar kon ik terecht bij alle problemen in het
ziekenhuis. Ze had een vooruitziende blik. Ze zag de veranderingen in de
maatschappij en besefte dat het kloosterleven zoals dat toen bestond, niet
langer vol te houden was. Ik herinner me nog dat ze zei: "Ik zou jonge
meisjes het kloosterleven niet meer aan willen doen. Waarom zouden zij zich
in de voorbije wereld moeten verplaatsen? Jongeren durven zo veel, ze zullen
met nieuwe ideeën komen. Ik ben geen profetes, maar we zullen nog eens
verrast staan." Dat was vóór 1964. Ze heeft gelijk
gekregen. Ik beschouw de medewerkers van de thuiszorg in zekere zin als de
opvolgers van de zusters. Nu 43 jaar later kunnen we concluderen dat Moeder
Antoine ondanks het feit dat ze dat zelf ontkende, een waarlijke
profetes was." Zorg aan huis "Tengevolge van een
herseninfarct is mijn vrouw linkszijdig verlamd. Ze
wordt tegenwoordig met behulp van een tillift in de
rolstoel gezet. De medewerkers van de thuiszorg komen vijf maal per dag. 's
Avonds om half zes dekken zij de tafel, bereiden de sla en zetten de
maaltijden uit de koeling in de magnetron. Als het acht uur is helpen zij
mijn vrouw naar bed. De medewerkers van de thuiszorg zijn dag en nacht bereikbaar.
Henriëtte Simons is de eerst verantwoordelijke verpleegster (EVV). Ze
werkt bij het Groene Kruis-Zorg aan Huis hier in Tegelen. Ze en haar collega's komen nu al zeven jaar bij
ons. Ik ervaar de deskundigheid en de vriendelijke bejegening van haar en
haar collega's elke dag. Ze zijn lief. Als ik hen zie, denk ik vaak terug aan
de woorden van moeder Antoine. Het eerbetoon dat ik aan de zusters geef,
geldt ook hen. Hulde aan Henriëtte Simons en haar collega's leken-medewerkers
van het Groene Kruis Zorg aan
Huis." |
|
Medewerkers Ziekenhuis Tegelen
|