Home           E-Books            PDF-versie                            Lied

 

 

Gesproken versie

 

Hoofdstuk  1

  Hoofdstuk  2

  Hoofdstuk  3

  Hoofdstuk  4

  Hoofdstuk  5

  Hoofdstuk  6

  Hoofdstuk  7

  Hoofdstuk  8

  Hoofdstuk  9

  Hoofdstuk 10

  Hoofdstuk 11

 

Bladwijzers per  hoofdstuk

 

  1

  2 

  3

  4 

  5

  6 

  7 

  8  

  9 

10

11

 

 

Piet Gie.len

 

De gla.zen kof.fer van Ven.lo

 

 

kaft

 

Il.lu.stra.ties door Ruud Gie.len

 

 

      Se.rie: Ga je mee naar La.ri.lo?

 

      Deel 3    Van.af (ruim) 9 jaar

 

 

De de.len 1 en 2 van de se.rie Ga je mee naar La.ri.lo?

staan ook op de web.site.

Ze zijn vrij te down.loa.den

Ook de ge.spro.ken ver.sies zijn daar be.schik.baar.

 

 

 

Co.py.right ٭ P. Gie.len ٭ Ven.lo 2008

Co.py.right ٭ op.zet met  re.li.ëf.woor.den ٭ Piet Gie.len 2007

 

 

 

Zo.als het Or.feus.koor

zong op de puin.ho.pen bij de ri.vier,

zo wil.len wij zin.gen

voor een le.ven.de vre.de in de stad.

 

 

                  De stads.dich.ter

 

 

 

 

 

 

 

Dit boek is op.ge.dra.gen aan al.le in.wo.ners van Ven.lo.

 

 

 

 

 


Hoofd.stuk 1   Als de a.vond valt

 

huisjestekening

 

La.ri.lo in de sche.me.ring

 

O.ma Knot gaat van.a.vond iets bij.zon.ders mee.ma.ken.

Ze heeft een blos op haar wan.gen van op.win.ding.

Ze is haar vro.lijk ge.kleur.de reis.spul.len aan het in.pak.ken.

Ze stopt al.les in een niet al.le.daag.se kof.fer

van hel.der glas.

Ze heeft de he.le dag flink op de kof.fer staan poet.sen.

Hij lijkt nu he.le.maal van kris.tal.

Ja.ren.lang lag hij in de schuur.

Toen ze hem laatst te.rug.vond, was hij dof.

En hij zat dik on.der het stof.

Deze kof.fer heeft ze nooit voor een reis ge.bruikt.

Ze was ei.gen.lijk ver.ge.ten, dat ze hem had.

Ze gaat met hoofd.a.gent Joep Jo.per.mans op reis.

Op hu.we.lijks.reis wel te ver.staan.

 

De spe.ci.a.le gla.zen kof.fer past pre.cies

bij de.ze bij.zon.de.re ge.beur.te.nis in haar le.ven.

Want O.ma heeft op ho.ge leef.tijd

nog haar gro.te lief.de ge.von.den.

Me.de dank.zij Ka.pi en Pi.ka.

Die heb.ben haar ge.hol.pen,

toen ze smoor.ver.liefd werd op Joep.

Ka.pi en Pi.ka ken.nen el.kaar al lang.

Ze lij.ken ook erg veel op el.kaar.

Veel men.sen uit La.ri.lo dach.ten vroe.ger,

dat ze een twee.ling wa.ren.

Toch is Ka.pi geen broer van de blon.de Pi.ka.

Pi.ka is het meest on.der.ne.men.de meis.je van La.ri.lo.

En sa.men met Ka.pi heeft ze al heel wat mee.ge.maakt.

Het is nu bij.na zons.on.der.gang.

Ka.pi en Pi.ka zit.ten er.bij,

als O.ma Knot zo met haar kof.fer be.zig is.

Dan valt er plot.se.ling een dun.ne licht.straal

op de glim.men.de kof.fer.

Je moet er echt op let.ten, om de.ze te zien.

An.ders zie je hem niet.

Zo dun en fijn is dat licht.

Het is een straal van de a.vond.ster Ve.nus.

Op het spie.ge.lend op.per.vlak van de kof.fer

breekt het licht in tien.tal.len ge.kleur.de vlak.jes uit.een.

Het is won.der.baar.lijk, dat zo’n dun.ne licht.straal

in zo.veel vlak.jes uit.een kan val.len.

Er vormt zich een sterk licht.beeld in de ka.mer.

Het beeld krijgt zelfs diep.te.

“Joep, kom eens gauw kij.ken”, roept O.ma rich.ting keu.ken,

waar Joep met de af.was be.zig is.

In het diep.te.beeld ver.schijnt een beet.je vaag

een bui.kig zelf.be.wust man.ne.tje.

 

Zijn mond komt in be.we.ging.

Ze ho.ren een la.ge don.ke.re toon

uit de mond van het man.ne.tje ko.men.

Het is een ge.luid,

als.of die klank uit een die.pe vij.ver om.hoog.komt.

Al gauw vor.men zich woor.den uit de.ze grond.klank.

Het beeld van het man.ne.tje wordt steeds dui.de.lij.ker.

Het is nu net,

of hij echt in de ka.mer van O.ma Knot staat.

Ge.acht lief.des.paar, als ik u ten.min.ste

zo mag toe.spre.ken”, zegt hij.

“En ook jul.lie, kin.de.ren, mo.gen ge.tui.ge zijn,

nu ik in dit le.vend ho.lo.gram [1] aan u ver.schijn.

 

hologram

 

 

Ho.lo.gram met bur.ge.mees.ter Hu.bert

 

Mijn naam is Hu.bert, bur.ge.mees.ter in vre.des.tijd.

Het ver.heugt mij ten zeer.ste,

dat de be.zit.ster van de gla.zen kof.fer

de wa.re lief.de heeft ge.von.den.

Mijn stad heeft hier heel lang op ge.wacht.

En niet al.leen mijn stad heeft er.op ge.wacht.

Want als de pla.neet  Ve.nus

in de sche.mer op de.ze won.der.kof.fer schijnt,

dan zul.len er tel.kens nieu.we ho.lo.gram.men

te voor.schijn ko.men.

De.ze beel.den zijn zicht.baar

voor op.rech.te men.sen en die.ren

met vre.de.lie.ven.de be.doe.lin.gen.

Zij zul.len hun goe.de da.den kun.nen ver.meer.de.ren.

En nu ga ik li.mo.na.de drin.ken met wat prik,

want daar houd ik van.

Daar.na ver.ga.de.ren we o.ver de wach.ters van de vre.de.

Die roe.pen jul.lie:

“Kom al.le vier als.je.blieft bij ons op be.zoek.

En vier uw lief.des.ge.luk

in on.ze stad van lief.de en vro.lijk.heid.”

Het beeld ver.vaagt nu lang.zaam, en ver.dwijnt.

Er is een wolk vóór de a.vond.ster ge.scho.ven.

 

“Wel al.le pe.ren”, zegt Joep.

Zo.iets heb ik in mijn le.ven nog nooit mee.ge.maakt.

Wat een mooi.e kleu.ren, en dat ron.de man.ne.ke,

die bol.le Hu.bert, die was zo echt.”

O.ma Knot zit er met tra.nen in de o.gen bij.

Ze her.in.nert zich haar ou.de lie.ve oom Ser.vaas.

Als meis.je heeft ze de kof.fer ooit van hem ge.kre.gen.

“Jij bent hem waard”, zei hij, toen hij haar de kof.fer gaf.

“Ik ben er al te oud voor.”

Oom Ser.vaas had de kof.fer ge.kre.gen

van een vluch.te.ling uit een stad aan een ri.vier.

Die stad lag er.gens in een ver oor.logs.ge.bied.

De ver.drie.ti.ge vreem.de.ling had er niets meer aan,

had hij ge.zegd.

Zijn e.ten, dat in de kof.fer zat, was op.

En door de oor.logs.el.len.de was de kof.fer dof ge.wor.den.

De dof.fe kof.fer was voor hem nu bal.last.

Ie.mand met die.pe lief.de zal de.ze kof.fer

weer hel.der kun.nen poet.sen ", zei hij.

"Dat kan pas, als er min.stens vijf.tig jaar vre.de

is ge.weest in mijn ver.woes.te stad.

De kof.fer zal dan zijn ou.de kracht te.rug krij.gen.

Bin.nen.kort ga ik weer naar mijn ge.boor.te.stad.

Hel.pen met het op.rui.men van het puin,

en het her.bou.wen van de stad.

Daar is niets meer zo.als vroe.ger.

Daar is geen lol meer, en geen ple.zier.

Mijn va.der en O.ma zijn er niet meer.

Die zijn bij de bom.bar.de.men.ten op de brug om.ge.ko.men.

Het licht schijnt maar zwak.jes

in on.ze ver.woes.te stad.”

En van de.ze ar.me man was de kof.fer.

Van.daag is de kracht van de.ze kof.fer

weer zicht.baar ge.wor.den.

On.der de poet.sen.de, ver.lief.de han.den van O.ma Knot.

En on.der de licht.straal van de a.vond.ster Ve.nus.

“Zou die man nog le.ven?”, vraagt Ka.pi.

“Dat weet ik niet”, zegt O.ma.

“Die stad, die moet er nog er.gens zijn!

Er is nu al meer dan vijf.tig jaar vre.de.

An.ders had dit al.le.maal niet kun.nen ge.beu.ren.”

“Ik weet in.eens een mooi doel voor on.ze hu.we.lijks.reis”,

zegt Joep.

“We gaan de stad zoe.ken.

En mis.schien vin.den we die vreem.de.ling,

of zijn fa.mi.lie.”

Mo.gen wij mee op de hu.we.lijks.reis?”, vraagt Pi.ka.

“Van mij mo.gen jul.lie mee”, zegt O.ma.

Jul.lie aan.we.zig.heid lijkt me ge.zel.lig,

en jul.lie heb.ben toch va.kan.tie”,

voegt Joep er.aan toe.

“We zul.len me.teen jul.lie ou.ders bellen.”

“De stad ligt in ie.der ge.val aan een ri.vier,

want ze had.den daar vroe.ger een brug.

En ze heb.ben er lol en ple.zier in de ge.nen”,

zegt O.ma vro.lijk.

“Ik kan me er nu al op ver.heu.gen.

Al.leen dat van die wach.ters,

dat snap ik niet he.le.maal.

Mis.schien is het een ves.ting.stad.

Typ dat eens in op Goo.gle, Pi.ka.”

“Dat geeft zo'n tien.dui.zend hits, O.ma”.

“Het kon wel eens een lan.ge reis wor.den,

voor we die stad van Hu.bert écht ge.von.den heb.ben”, zegt Ka.pi

“Ik denk, dat we hulp van de kof.fer kun.nen krij.gen”,

denkt Pi.ka hard.op.

Als ze het zegt, weet ze het ei.gen.lijk heel ze.ker.

“Waar staat die Ve.nus.ster pre.cies?”, vraagt ze.

“Daar in het zuid.wes.ten”, zegt Ka.pi.

“We moe.ten het mor.gen.a.vond op.nieuw pro.be.ren.

Bij zons.on.der.gang ma.ken we mis.schien een gro.te kans.

Als er geen wol.ken zijn,

kan de ster weer op de kof.fer schij.nen.

Hij is na.me.lijk voor.al te zien in de sche.mer.tijd.

Dat heb ik in een boek ge.le.zen.”

“Hij is er vast ook bij zons.op.gang”, zegt O.ma.

Mis.schien kun.nen we er met Goo.gle iets over vin.den.”

 

 

Hoofd.stuk 2  De vreem.de.ling

 

De vol.gen.de mor.gen is het bij zons.op.gang be.wolkt.

Ze kun.nen nu dus niet uit.vin.den,

of de Ve.nus.ster ook in de vroe.ge och.tend werkt.

Hij zou in het oos.ten te zien moe.ten zijn.

“We zul.len moe.ten wach.ten tot zons.on.der.gang.

Mo.ge.lijk ko.men we dan meer te we.ten”,

zegt Joep.

“We gaan in.tus.sen de kof.fer s van Ka.pi en Pi.ka in.pak.ken”,

zegt O.ma.

“De kin.de.ren mo.gen ge.luk.kig mee van hun ou.ders.

Al.leen we.ten we nog niet, waar de reis naar toe gaat.”

De dag gaat maar traag voor.bij.

Ze voe.len zich ge.woon loom.

Was het maar vast a.vond.

Om de tijd te do.den bakt O.ma friet.jes.

En ie.de.reen heeft al twee cor.net.to’s [2] op.

 

Dan be.gint het te sche.me.ren.

De a.vond.ster is al gauw te zien.

Ka.pi en Pi.ka zet.ten de kof.fer voor het raam.

De eers.ste licht.straal valt nu op de koffer.

Er ont.staan al.ler.lei ge.kleur.de licht.krin.gels

in O.ma’s ka.mer.

“Zou die grap.pi.ge Hu.bert weer ko.men?”,

vraagt Pi.ka zich af.

Dat is niet het ge.val.

Al snel vormt zich wel de ge.stal.te

van een an.de.re per.soon.

Uit zijn mond ko.men eerst wat kuch.jes,

die ze niet kun.nen ver.staan.

“Oh, ik ben er!”, ho.ren ze hem nu dui.de.lijk zeg.gen.

“Dag me.vrouw Knot, u moet het nicht.je van Ser.vaas zijn.

U kent mij niet, maar ik ken u van vroe.ger.

Toen ik uw oom Ser.vaas voor het laatst sprak,

lag u nog in de wieg.”

 

huisjeknot

 

In het blau.we huis.je wo.nen O.ma Knot en Joep

 

 “Hoe kan dat nu, legt u me dat eens uit ?”, vraagt O.ma.

“Ik ben in.mid.dels op leef.tijd, en u ziet er nog zo jong uit.

U moet toch ou.der ge.wor.den zijn.

Hoe kunt u zo lang ge.le.den

mijn oom Ser.vaas ge.spro.ken heb.ben?

Ik be.grijp er niets van.”

“Dat komt hier.door”, zegt de vreem.de.ling.

En hij wijst op zijn ring.

De ring is he.le.maal van glas.

Ze zien, hoe van de ring al.ler.lei licht.flit.sen af.von.ken.

“De tijd is nu aan.ge.bro.ken,

dat ik u al.les kan ver.tel.len.

Mijn naam is o.ve.ri.gens Daan Op.per.does.

Met de.ze ring kan ik door de tijd rei.zen.

Ik kan me van de e.ne we.reld

in de an.de.re we.reld ver.plaat.sen.

Dat gaat ook met de.ze ring.

Zo kom ik nu uit de aar.de.we.reld

naar jul.lie we.reld van La.ri.lo ge.reisd.

In de aar.de.we.reld heb ik me ver.momd als stads.dich.ter.

 

De.ze ring is me ge.schon.ken door Jos.ko, een stil.le man.

Hij heeft hem ge.maakt met vak.man.schap.

Vak.man.schap is mees.ter.schap.

Jos.ko is de groot.ste glas.kun.ste.naar van al.le we.rel.den.

Hij is ook de ma.ker van de gla.zen koffer.

Met Kerst.mis 1944 stond hij in.eens

voor de ka.pot.te deur van ons huis, in mijn ge.boor.te.stad.

De stad was toen nog niet be.vrijd.

Er was veel ver.woes.ting in de stad.

De bom.men ble.ven al.door val.len.

Jos.ko had de koffer in zijn hand, die nu bij u is.

Het was a.vond, en de Ve.nus.ster straal.de

op de koffer neer.

 

Er kwa.men ruim vijf.tig war.me licht.punt.jes

van de koffer af.

Vijf.tig te.ke.nen van troost in het ver.driet van de stad.

De.ze licht.jes ver.deel.den zich

over de puin.ho.pen van de stad.

Aan de o.gen van Jos.ko kon ik zien,

dat er nu gauw vre.de zou ko.men in de stad.

Dat zou een paar maan.den gaan du.ren.

Op de schou.der van Jos.ko zat een duif,

Pa.lo.ma ge.naamd.

De.ze Pa.lo.ma kan pra.ten.

Hij is de woord.voer.der van Jos.ko,

zo zou je kun.nen zeg.gen.

Want Jos.ko spreekt nooit zelf.

Nie.mand weet, of hij zelf wel kan pra.ten.

Hij zwijgt ge.woon al.tijd.

Al.leen zijn o.gen spre.ken diep.

Pa.lo.ma leg.de me uit, wat het bij.zon.de.re van de koffer is.

Met de koffer kun je naar an.de.re we.rel.den gaan.

Net als met mijn ring dus.

Al.leen kun je met mijn ring ook in de tijd rei.zen.

Jos.ko heeft mij de ring ge.ge.ven

om er goed mee te gaan doen.

En om.dat ik in.tus.sen veel in de tijd heb ge.reisd,

ben ik in mijn ei.gen stad nog jong.

De men.sen ken.nen mij daar nu als de stads.dich.ter.

Ik pro.beer de men.sen te ver.vul.len

met mooi.e ge.dach.ten, die ik in mijn stads.ge.dich.ten leg.

Ik kan de.ze be.lang.rij.ke taak ech.ter

niet in mijn een.tje vol.bren.gen.

En in de gla.zen koffer zit ex.tra kracht

voor mijn stad ver.bor.gen.

Er zit.ten vre.des.ge.dach.ten in,

en in.spi.ra.tie voor de toe.komst.

Pa.lo.ma ver.tel.de me,

dat de koffer eerst naar de we.reld van La.ri.lo moest.

Daar kon hij vei.lig be.waard blij.ven.

La.ri.lo ligt in een an.de.re we.reld dan mijn stad.

Met de gla.zen ring kon ik er zo, floep, heen.

Dat wil.de ik maar al te graag.

In mijn stad was toen voor.na.me.lijk el.len.de.

Veel men.sen wa.ren ge.vlucht voor de bom.men.

De brug en het vlieg.veld van de stad

wa.ren be.lang.rij.ke mik.pun.ten.

 

Zo kwam ik dus bij Ser.vaas in La.ri.lo.

En ik zag me.teen, dat het klei.ne ba.by.meis.je Knot

la.ter de koffer kon gaan ge.brui.ken.

Ik zag het aan de blik in de oog.jes.

Die leek op de blik van Jos.ko.

 

En nu, na on.ge.veer vijf.tig jaar vre.de in mijn stad,

mag de koffer te.rug.ge.bracht wor.den.

Maar eerst moet de bij.zon.de.re vre.des.kracht

in wer.king ge.steld wor.den.

Pa.lo.ma ver.tel.de, dat vier men.sen uit La.ri.lo

dat voor el.kaar zou.den kun.nen bren.gen.

Ik weet ze.ker, dat jul.lie dat zijn.

Als jul.lie het niet kun.nen,

kan nie.mand het.

Door de ex.tra vre.des.kracht in de koffer

kan mijn stad in vre.de ver.der groei.en en bloei.en.

De kracht kan in wer.king ge.steld wor.den

vi.a het op.los.sen van een raad.sel.”

“Hoe heet je stad?”, vroeg Ka.pi.

“Dat is voor jul.lie nog een ge.heim.

Jul.lie moe.ten er vi.a de koffer ach.ter ko.men.

De aard.se men.sen, die nu over jul.lie le.zen,

kun.nen al we.ten, wel.ke stad het is.

Ze hoe.ven al.leen maar naar de ti.tel

van het boek te kij.ken.

Eerst gaan jul.lie naar an.de.re aard.se plaat.sen

om goe.de din.gen te doen.

Bij el.ke goe.de daad zal een stuk.je van het raad.sel

op.lich.ten in de koffer.

En als het zo ver is, wacht ik jul.lie op in mijn stad.

Jul.lie hoe.ven al.leen maar in het vol.gen.de ho.lo.gram

te stap.pen, en al.les treedt in wer.king.”

Dan wordt Daan Op.per.does steeds klei.ner,

en hij ver.dwijnt in een punt.je van stra.lend licht.

 

“Daar zit.ten we nu”, zegt Joep.

“Hoe zal dit ver.der gaan?”

     


Hoofd.stuk 3   Het meis.je en het paard

 

“Schuif eens wat met die koffer”, zegt O.ma.

Mis.schien valt er zo een nieu.we licht.straal

van de a.vond.ster op.”

En dat ge.beurt in.der.daad.

Er ont.staat een nieuw ho.lo.gram.

Ze zien een wei.land in de aard.se lente.

Zul.len we dit wei.land dan maar in.stap.pen?”, zegt O.ma.

Dat doen ze.

 

O.ma Knot, Joep, Ka.pi en Pi.ka

zijn nu in de we.reld van de aar.de.

Ze moe.ten e.ven wen.nen aan de aard.se len.te.zon.

Die schijnt veel ste.vi.ger dan de zon in La.ri.lo.

En de lucht is hier taai.er.

O.ma staat er wat van te ku.chen.

“Ik ge.loof, dat het me hier he.le.maal be.valt”,

zegt Joep op.