|
Home ► E-Books ► PDF-versie ► Lied ► |
||
|
Piet Gie.len
De gla.zen kof.fer van Ven.lo

Il.lu.stra.ties door Ruud Gie.len
Se.rie:
Ga je mee naar La.ri.lo?
Deel
3 Van.af (ruim) 9 jaar
De de.len
1 en 2 van de se.rie Ga je mee naar La.ri.lo?
staan
ook op de web.site.
Ze
zijn vrij te down.loa.den
Ook
de ge.spro.ken ver.sies zijn daar be.schik.baar.
Co.py.right ٭
P. Gie.len ٭
Ven.lo 2008
Co.py.right ٭
op.zet met re.li.ëf.woor.den ٭
Piet Gie.len 2007
Dit boek is op.ge.dra.gen aan al.le in.wo.ners van Ven.lo.

La.ri.lo in de sche.me.ring
O.ma Knot gaat van.a.vond iets bij.zon.ders mee.ma.ken.
Ze
heeft een blos op haar wan.gen van op.win.ding.
Ze
is haar vro.lijk ge.kleur.de reis.spul.len aan het in.pak.ken.
Ze
stopt al.les in een niet al.le.daag.se kof.fer
van hel.der
glas.
Ze
heeft de he.le dag flink op de kof.fer staan poet.sen.
Hij
lijkt nu he.le.maal van kris.tal.
Ja.ren.lang lag hij in de schuur.
Toen
ze hem laatst te.rug.vond, was hij dof.
En
hij zat dik on.der het stof.
Deze kof.fer heeft ze nooit voor een reis ge.bruikt.
Ze
was ei.gen.lijk ver.ge.ten, dat ze hem had.
Ze
gaat met hoofd.a.gent Joep Jo.per.mans op reis.
Op hu.we.lijks.reis wel te ver.staan.
De spe.ci.a.le gla.zen kof.fer
past pre.cies
bij de.ze
bij.zon.de.re
ge.beur.te.nis
in haar le.ven.
Want O.ma heeft op ho.ge leef.tijd
nog haar gro.te lief.de ge.von.den.
Me.de dank.zij Ka.pi
en Pi.ka.
Die heb.ben
haar ge.hol.pen,
toen
ze smoor.ver.liefd werd op Joep.
Ka.pi en Pi.ka
ken.nen el.kaar al lang.
Ze lij.ken
ook erg veel op el.kaar.
Veel
men.sen uit La.ri.lo dach.ten vroe.ger,
dat
ze een twee.ling wa.ren.
Toch
is Ka.pi geen broer van de blon.de Pi.ka.
Pi.ka is het meest on.der.ne.men.de meis.je
van La.ri.lo.
En sa.men met Ka.pi
heeft ze al heel wat mee.ge.maakt.
Het
is nu bij.na zons.on.der.gang.
Ka.pi en Pi.ka
zit.ten er.bij,
als O.ma
Knot zo met haar kof.fer be.zig is.
Dan
valt er plot.se.ling een dun.ne licht.straal
op
de glim.men.de kof.fer.
Je
moet er echt op let.ten, om de.ze te zien.
An.ders zie je hem niet.
Zo
dun en fijn is dat licht.
Het
is een straal van de a.vond.ster Ve.nus.
Op
het spie.ge.lend op.per.vlak van de kof.fer
breekt
het licht in tien.tal.len ge.kleur.de vlak.jes uit.een.
Het
is won.der.baar.lijk, dat zo’n dun.ne licht.straal
in zo.veel vlak.jes
uit.een kan val.len.
Er
vormt zich een sterk licht.beeld in de ka.mer.
Het
beeld krijgt zelfs diep.te.
“Joep,
kom eens gauw kij.ken”, roept O.ma rich.ting keu.ken,
waar
Joep met de af.was be.zig is.
In
het diep.te.beeld ver.schijnt een beet.je vaag
een bui.kig
zelf.be.wust man.ne.tje.
Zijn
mond komt in be.we.ging.
Ze ho.ren
een la.ge don.ke.re toon
uit
de mond van het man.ne.tje ko.men.
Het
is een ge.luid,
als.of die klank uit een die.pe
vij.ver om.hoog.komt.
Al
gauw vor.men zich woor.den uit de.ze
grond.klank.
Het
beeld van het man.ne.tje wordt steeds dui.de.lij.ker.
Het
is nu net,
of
hij echt in de ka.mer van O.ma Knot staat.
“Ge.acht lief.des.paar, als ik u ten.min.ste
zo
mag toe.spre.ken”, zegt hij.
“En
ook jul.lie, kin.de.ren, mo.gen
ge.tui.ge zijn,
nu
ik in dit le.vend ho.lo.gram [1] aan u ver.schijn.

Ho.lo.gram met bur.ge.mees.ter Hu.bert
Mijn
naam is Hu.bert, bur.ge.mees.ter in vre.des.tijd.
Het ver.heugt mij ten zeer.ste,
dat
de be.zit.ster van de gla.zen
kof.fer
de wa.re
lief.de heeft ge.von.den.
Mijn
stad heeft hier heel lang op ge.wacht.
En
niet al.leen mijn stad heeft er.op ge.wacht.
Want
als de pla.neet Ve.nus
in
de sche.mer op de.ze won.der.kof.fer schijnt,
dan zul.len
er tel.kens nieu.we ho.lo.gram.men
te voor.schijn ko.men.
De.ze beel.den
zijn zicht.baar
voor
op.rech.te men.sen
en die.ren
met vre.de.lie.ven.de be.doe.lin.gen.
Zij zul.len
hun goe.de da.den kun.nen ver.meer.de.ren.
En
nu ga ik li.mo.na.de
drin.ken met wat prik,
want
daar houd ik van.
Daar.na ver.ga.de.ren
we o.ver de wach.ters van de vre.de.
Die roe.pen
jul.lie:
“Kom
al.le vier als.je.blieft bij ons op be.zoek.
En
vier uw lief.des.ge.luk
in on.ze stad van lief.de en vro.lijk.heid.”
Het
beeld ver.vaagt nu lang.zaam, en ver.dwijnt.
Er
is een wolk vóór de a.vond.ster ge.scho.ven.
“Wel
al.le pe.ren”, zegt Joep.
“Zo.iets heb ik in mijn le.ven nog nooit mee.ge.maakt.
Wat
een mooi.e kleu.ren, en dat ron.de
man.ne.ke,
die bol.le
Hu.bert, die was zo echt.”
O.ma Knot zit er met tra.nen
in de o.gen bij.
Ze her.in.nert zich haar ou.de
lie.ve oom Ser.vaas.
Als meis.je
heeft ze de kof.fer ooit van hem ge.kre.gen.
“Jij
bent hem waard”, zei hij, toen hij haar de kof.fer gaf.
“Ik
ben er al te oud voor.”
Oom Ser.vaas had de kof.fer
ge.kre.gen
van een vluch.te.ling uit een stad aan een ri.vier.
Die stad lag er.gens in een ver oor.logs.ge.bied.
De ver.drie.ti.ge
vreem.de.ling had er niets meer aan,
had
hij ge.zegd.
Zijn
e.ten, dat in de kof.fer zat, was op.
En
door de oor.logs.el.len.de was de kof.fer dof ge.wor.den.
De dof.fe
kof.fer was voor hem nu bal.last.
“Ie.mand met die.pe lief.de
zal de.ze kof.fer
weer
hel.der kun.nen poet.sen ", zei hij.
"Dat
kan pas, als er min.stens vijf.tig jaar vre.de
is ge.weest in mijn ver.woes.te stad.
De
kof.fer zal dan zijn ou.de kracht te.rug
krij.gen.
Bin.nen.kort ga ik weer naar mijn ge.boor.te.stad.
Hel.pen met het op.rui.men van het puin,
en
het her.bou.wen van de stad.
Daar
is niets meer zo.als vroe.ger.
Daar
is geen lol meer, en geen ple.zier.
Mijn
va.der en O.ma zijn er niet meer.
Die
zijn bij de bom.bar.de.men.ten op de brug om.ge.ko.men.
Het
licht schijnt maar zwak.jes
in on.ze
ver.woes.te stad.”
En van de.ze ar.me man was de kof.fer.
Van.daag is de kracht van de.ze
kof.fer
weer
zicht.baar ge.wor.den.
On.der de poet.sen.de, ver.lief.de han.den
van O.ma Knot.
En on.der
de licht.straal van de a.vond.ster Ve.nus.
“Zou
die man nog le.ven?”, vraagt Ka.pi.
“Dat
weet ik niet”, zegt O.ma.
“Die
stad, die moet er nog er.gens zijn!
Er
is nu al meer dan vijf.tig jaar vre.de.
An.ders had dit al.le.maal niet kun.nen ge.beu.ren.”
“Ik
weet in.eens een mooi doel voor on.ze hu.we.lijks.reis”,
zegt
Joep.
“We
gaan de stad zoe.ken.
En mis.schien vin.den we die vreem.de.ling,
of
zijn fa.mi.lie.”
“Mo.gen
wij mee op de hu.we.lijks.reis?”, vraagt Pi.ka.
“Van
mij mo.gen jul.lie mee”, zegt O.ma.
“Jul.lie
aan.we.zig.heid lijkt me ge.zel.lig,
en jul.lie
heb.ben toch va.kan.tie”,
voegt
Joep er.aan toe.
“We zul.len
me.teen jul.lie ou.ders bellen.”
“De
stad ligt in ie.der ge.val aan een ri.vier,
want
ze had.den daar vroe.ger een brug.
En
ze heb.ben er lol en ple.zier in de ge.nen”,
zegt
O.ma vro.lijk.
“Ik
kan me er nu al op ver.heu.gen.
Al.leen dat van die wach.ters,
dat
snap ik niet he.le.maal.
Mis.schien is het een ves.ting.stad.
Typ
dat eens in op Goo.gle, Pi.ka.”
“Dat
geeft zo'n tien.dui.zend hits, O.ma”.
“Het
kon wel eens een lan.ge reis wor.den,
voor
we die stad van Hu.bert écht ge.von.den heb.ben”, zegt Ka.pi
“Ik
denk, dat we hulp van de kof.fer kun.nen krij.gen”,
denkt
Pi.ka hard.op.
Als
ze het zegt, weet ze het ei.gen.lijk heel ze.ker.
“Waar
staat die Ve.nus.ster pre.cies?”, vraagt ze.
“Daar
in het zuid.wes.ten”, zegt Ka.pi.
“We moe.ten
het mor.gen.a.vond op.nieuw pro.be.ren.
Bij zons.on.der.gang ma.ken
we mis.schien een gro.te kans.
Als
er geen wol.ken zijn,
kan
de ster weer op de kof.fer schij.nen.
Hij
is na.me.lijk voor.al
te zien in de sche.mer.tijd.
Dat
heb ik in een boek ge.le.zen.”
“Hij
is er vast ook bij zons.op.gang”, zegt O.ma.
“Mis.schien kun.nen we er met Goo.gle iets over vin.den.”
De vol.gen.de mor.gen
is het bij zons.op.gang be.wolkt.
Ze kun.nen
nu dus niet uit.vin.den,
of
de Ve.nus.ster ook in de vroe.ge
och.tend werkt.
Hij
zou in het oos.ten te zien moe.ten zijn.
“We zul.len
moe.ten wach.ten tot zons.on.der.gang.
Mo.ge.lijk ko.men we dan meer te we.ten”,
zegt
Joep.
“We
gaan in.tus.sen de kof.fer s van Ka.pi
en Pi.ka in.pak.ken”,
zegt
O.ma.
“De kin.de.ren mo.gen ge.luk.kig mee van hun ou.ders.
Al.leen we.ten
we nog niet, waar de reis naar toe gaat.”
De
dag gaat maar traag voor.bij.
Ze voe.len
zich ge.woon loom.
Was
het maar vast a.vond.
Om
de tijd te do.den bakt O.ma friet.jes.
En ie.de.reen heeft al twee cor.net.to’s [2]
op.
Dan be.gint het te sche.me.ren.
De a.vond.ster is al gauw te zien.
Ka.pi en Pi.ka
zet.ten de kof.fer voor het raam.
De eers.ste
licht.straal valt nu op de koffer.
Er ont.staan al.ler.lei ge.kleur.de licht.krin.gels
in
O.ma’s ka.mer.
“Zou
die grap.pi.ge Hu.bert weer ko.men?”,
vraagt
Pi.ka zich af.
Dat
is niet het ge.val.
Al
snel vormt zich wel de ge.stal.te
van
een an.de.re per.soon.
Uit
zijn mond ko.men eerst wat kuch.jes,
die
ze niet kun.nen ver.staan.
“Oh,
ik ben er!”, ho.ren ze hem nu dui.de.lijk zeg.gen.
“Dag
me.vrouw Knot, u moet het nicht.je van Ser.vaas zijn.
U
kent mij niet, maar ik ken u van vroe.ger.
Toen
ik uw oom Ser.vaas voor het laatst sprak,
lag
u nog in de wieg.”

In het blau.we huis.je
wo.nen O.ma Knot en Joep
“Hoe kan dat nu, legt u me dat eens uit ?”,
vraagt O.ma.
“Ik
ben in.mid.dels op leef.tijd, en u ziet er nog zo jong uit.
U
moet toch ou.der ge.wor.den zijn.
Hoe
kunt u zo lang ge.le.den
mijn
oom Ser.vaas ge.spro.ken heb.ben?
Ik be.grijp er niets van.”
“Dat
komt hier.door”, zegt de vreem.de.ling.
En
hij wijst op zijn ring.
De
ring is he.le.maal van glas.
Ze
zien, hoe van de ring al.ler.lei licht.flit.sen af.von.ken.
“De
tijd is nu aan.ge.bro.ken,
dat
ik u al.les kan ver.tel.len.
Mijn
naam is o.ve.ri.gens Daan Op.per.does.
Met de.ze
ring kan ik door de tijd rei.zen.
Ik
kan me van de e.ne we.reld
in
de an.de.re we.reld ver.plaat.sen.
Dat
gaat ook met de.ze ring.
Zo
kom ik nu uit de aar.de.we.reld
naar
jul.lie we.reld van La.ri.lo ge.reisd.
In
de aar.de.we.reld heb ik me ver.momd als stads.dich.ter.
De.ze
ring is me ge.schon.ken door Jos.ko, een stil.le
man.
Hij
heeft hem ge.maakt met vak.man.schap.
Vak.man.schap is mees.ter.schap.
Jos.ko is de groot.ste
glas.kun.ste.naar van al.le we.rel.den.
Hij
is ook de ma.ker van de gla.zen koffer.
Met Kerst.mis
1944 stond hij in.eens
voor
de ka.pot.te deur van ons huis, in mijn ge.boor.te.stad.
De
stad was toen nog niet be.vrijd.
Er
was veel ver.woes.ting in de stad.
De bom.men
ble.ven al.door val.len.
Jos.ko had de koffer in zijn hand,
die nu bij u is.
Het
was a.vond, en de Ve.nus.ster straal.de
op
de koffer neer.
Er kwa.men
ruim vijf.tig war.me licht.punt.jes
van
de koffer af.
Vijf.tig te.ke.nen van troost in het ver.driet van de stad.
De.ze
licht.jes ver.deel.den zich
over
de puin.ho.pen van de stad.
Aan
de o.gen van Jos.ko kon ik zien,
dat
er nu gauw vre.de zou ko.men in de stad.
Dat
zou een paar maan.den gaan du.ren.
Op
de schou.der van Jos.ko zat een duif,
Pa.lo.ma ge.naamd.
De.ze
Pa.lo.ma kan pra.ten.
Hij
is de woord.voer.der van Jos.ko,
zo
zou je kun.nen zeg.gen.
Want
Jos.ko spreekt nooit zelf.
Nie.mand weet, of hij zelf wel kan pra.ten.
Hij
zwijgt ge.woon al.tijd.
Al.leen zijn o.gen
spre.ken diep.
Pa.lo.ma leg.de me uit, wat het bij.zon.de.re van de koffer is.
Met
de koffer kun je naar an.de.re we.rel.den gaan.
Net
als met mijn ring dus.
Al.leen kun je met mijn ring ook in
de tijd rei.zen.
Jos.ko heeft mij de ring ge.ge.ven
om
er goed mee te gaan doen.
En om.dat
ik in.tus.sen veel in de tijd heb ge.reisd,
ben
ik in mijn ei.gen stad nog jong.
De men.sen
ken.nen mij daar nu als de stads.dich.ter.
Ik pro.beer de men.sen te ver.vul.len
met mooi.e
ge.dach.ten, die ik in mijn stads.ge.dich.ten leg.
Ik
kan de.ze be.lang.rij.ke taak ech.ter
niet
in mijn een.tje vol.bren.gen.
En
in de gla.zen koffer zit ex.tra kracht
voor
mijn stad ver.bor.gen.
Er zit.ten
vre.des.ge.dach.ten in,
en in.spi.ra.tie
voor de toe.komst.
Pa.lo.ma ver.tel.de me,
dat
de koffer eerst naar de we.reld van La.ri.lo moest.
Daar
kon hij vei.lig be.waard blij.ven.
La.ri.lo ligt in een an.de.re we.reld dan mijn stad.
Met
de gla.zen ring kon ik er zo, floep, heen.
Dat wil.de
ik maar al te graag.
In
mijn stad was toen voor.na.me.lijk el.len.de.
Veel
men.sen wa.ren ge.vlucht voor de bom.men.
De
brug en het vlieg.veld van de stad
wa.ren be.lang.rij.ke mik.pun.ten.
Zo
kwam ik dus bij Ser.vaas in La.ri.lo.
En
ik zag me.teen, dat het klei.ne
ba.by.meis.je Knot
la.ter de koffer kon gaan ge.brui.ken.
Ik zag
het aan de blik in de oog.jes.
Die
leek op de blik van Jos.ko.
En
nu, na on.ge.veer vijf.tig
jaar vre.de in mijn stad,
mag
de koffer te.rug.ge.bracht wor.den.
Maar
eerst moet de bij.zon.de.re
vre.des.kracht
in wer.king ge.steld wor.den.
Pa.lo.ma ver.tel.de, dat vier men.sen uit La.ri.lo
dat
voor el.kaar zou.den kun.nen bren.gen.
Ik
weet ze.ker, dat jul.lie dat zijn.
Als jul.lie
het niet kun.nen,
kan nie.mand het.
Door
de ex.tra vre.des.kracht in de koffer
kan
mijn stad in vre.de ver.der groei.en en bloei.en.
De
kracht kan in wer.king ge.steld wor.den
vi.a het op.los.sen van een raad.sel.”
“Hoe
heet je stad?”, vroeg Ka.pi.
“Dat
is voor jul.lie nog een ge.heim.
Jul.lie
moe.ten er vi.a de koffer ach.ter
ko.men.
De
aard.se men.sen, die nu over jul.lie le.zen,
kun.nen al we.ten,
wel.ke stad het is.
Ze hoe.ven
al.leen maar naar de ti.tel
van
het boek te kij.ken.
Eerst
gaan jul.lie naar an.de.re aard.se
plaat.sen
om goe.de
din.gen te doen.
Bij el.ke
goe.de daad zal een stuk.je van het raad.sel
op.lich.ten in de koffer.
En
als het zo ver is, wacht ik jul.lie op in mijn stad.
Jul.lie
hoe.ven al.leen maar in het vol.gen.de ho.lo.gram
te stap.pen,
en al.les treedt in wer.king.”
Dan
wordt Daan Op.per.does steeds klei.ner,
en
hij ver.dwijnt in een punt.je van stra.lend licht.
“Daar
zit.ten we nu”, zegt Joep.
“Hoe
zal dit ver.der gaan?”
Hoofd.stuk 3 Het meis.je en het paard
“Schuif
eens wat met die koffer”, zegt O.ma.
“Mis.schien valt er zo een nieu.we licht.straal
van
de a.vond.ster op.”
En
dat ge.beurt in.der.daad.
Er ont.staat een nieuw ho.lo.gram.
Ze
zien een wei.land in de aard.se lente.
“Zul.len
we dit wei.land dan maar in.stap.pen?”, zegt O.ma.
Dat
doen ze.
O.ma
Knot, Joep, Ka.pi en Pi.ka
zijn
nu in de we.reld van de aar.de.
Ze moe.ten
e.ven wen.nen aan de aard.se len.te.zon.
Die
schijnt veel ste.vi.ger dan de zon in La.ri.lo.
En
de lucht is hier taai.er.
O.ma
staat er wat van te ku.chen.
“Ik ge.loof, dat het me hier he.le.maal be.valt”,
zegt Joep op.