Home             E-books                   PDF-versie 

 

 

 

Piet Gie.len

 

De gla.zen poort

 

 

 

Se.rie: Ga je mee naar La.ri.lo?

Deel 4        ca. 11 jaar

 

 

 

 

 

 

Bladwijzers

 

Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 6

Hoofdstuk 7

Hoofdstuk 8

Hoofdstuk 9

Hoofdstuk 10

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Co.py.right: tekst  Piet Gie.len 2008      

Me.tho.de let.ter.gre.pen in kleur.re.li.ëf 2006

 

 

 

Hoofd.stuk 1    Af.scheid van O.ma Knot

 

In La.ri.lo is men meest.al niet diep.be.droefd  bij een sterf.ge.val.

De men.sen ge.lo.ven dat je naar een be.te.re we.reld gaat.

Nu O.ma Knot ge.stor.ven is, lijkt al.les een beet.je an.ders.

Ze was zo’n be.kend fi.guur in het dorp.

Ze gaf al.tijd een op.ge.wek.te draai

aan de ge.beur.te.nis.sen in La.ri.lo.

Ze was de e.ni.ge die de bur.ge.mees.ter aan.kon,

als die weer eens veel te blij was met zich.zelf.

 

Ook de ou.de boom op het plein is be.droefd.

Hij is net een treur.wilg.

Zijn bla.de.ren han.gen slap naar be.ne.den.

Het is nog wel zo.mer,

maar de at.mos.feer in La.ri.lo is nu ver.kild.

De boom denkt er steeds aan,

hoe O.ma hem eens uit een die.pe som.ber.heid heeft ge.red.

Als je dat kunt,

moet je van goe.den hui.ze ko.men.

 

“Ik wist niet dat ik zó veel van O.ma hield”, zegt Ka.pi.

“Ik moet er ei.gen.lijk steeds om hui.len.”

“Met mij is het pre.cies zo”, zegt Pi.ka.

“Hoe moet dat nu met Joep?”

Joep is de man van O.ma Knot.

Hij zit stil in zijn stoel.

Gis.te.ren leef.de O.ma nog.

Ze heeft toen voor het laatst met Joep en de kin.de.ren ge.spro.ken.

Het ge.sprek heeft gro.te in.druk op hen ge.maakt.

 

Schat.ten van me, mijn werk is klaar in La.ri.lo”,

had O.ma ern.stig ge.zegd.

“Ik ga weg naar een an.de.re we.reld,

en ik word daar op.nieuw jong.

Jullie moe.ten niet treu.ren.”

“Je hebt goed pra.ten”, zei Joep.

“Ik blijf hier al.leen ach.ter.

 Net nu ik met jou het ge.luk heb ge.von.den.”

O.ma keek Joep door.drin.gend aan en zei:

“Joep, je moet we.ten, dat ons ge.luk nooit ver.lo.ren gaat.

Het ge.luk zal al.tijd in je ge.heu.gen blij.ven han.gen.

Ik kan ech.ter niet de loop van het le.ven ver.an.de.ren.

Het is nu tijd voor mij om te gaan.

Ik voel dat.

En kin.de.ren, wat ik nog wil zeg.gen,

de gla.zen ring is voor jul.lie.

Joep wil toch niet meer weg uit La.ri.lo.

Hij zal daar.om niets aan zo’n gla.zen ring heb.ben.

Jul.lie kunnen er.mee gaan rei.zen in de ruim.te en de tijd,

en wijs.heid ver.za.me.len.”

“Als u niet mee.gaat, vind ik daar niets aan,”,

zei Ka.pi.

“Ik ook niet”, viel Pi.ka hem bij.

Haar stem tril.de van ver.ont.waar.di.ging.

Ei.gen.lijk was ze heel boos, dat O.ma dood zou gaan.

Hoe haal.de ze het in haar hoofd om dat te doen.

Jul.lie zijn jong, kin.de.ren”, zei O.ma.

Jul.lie zijn aan het le.ven ver.plicht om zelf.stan.dig

de we.reld in te gaan.

Ik ben geen kloek, die al.tijd op jul.lie

mag blij.ven broe.den.

Het zou heel on.ge.zond zijn,

als ik bij jul.lie in La.ri.lo zou blij.ven.

Wel neem ik jul.lie in mijn hart mee.

O.ver.al waar ik kom,

zul.len jul.lie zo bij me zijn.

Dag al.le drie, groet de bur.ge.mees.ter,

en de stads.dich.ter, ten.min.ste als jul.lie hem zien.”

En weg was O.ma.

Dood. De ro.de wan.gen wer.den lang.zaam bleek.

“Hoe kan ze dat nu doen?”,

zei Joep, en hij keek stil voor zich uit.

 

In al.le stilte heb.ben de drie O.ma in een kist ge.legd, in de huis.ka.mer.

Ze heb.ben haar ro.de strik.jes in het haar ge.daan.

De ro.de strik.jes, die ze ook droeg, toen ze ver.liefd werd op Joep.

 

De men.sen van La.ri.lo ko.men aan.lo.pen om af.scheid te ne.men.

Het erf.je bij het huis is al aar.dig vol.

Ook de bur.ge.mees.ter is ge.ar.ri.veerd.

 

“Zij was de e.ni.ge, die mij kon hel.pen

met moei.lij.ke be.stuurs.za.ken”,  zegt hij.

“En met de las.ti.ge din.gen van het le.ven”,

voegt hij er zacht aan toe..

 

Clown Plof.fer is ij.lings ge.ko.men met zijn I.ta.liaan.se pa.pe.gaai.

“O.ma heeft ons veel lief.de ge.ge.ven”, zegt hij.

Daar.om weet La.ri.lo nu  be.ter dan vroe.ger wat ver.driet is.

Want wie lief.heeft, die heeft ook soms ver.driet.

We moe.ten nu dan wel aan.ne.men,

dat ze nu naar een be.te.re we.reld is ge.gaan.

Net als mijn doch.ter Ma.ris.ka.

Maar het is ook zo, dat het erg koud om het hart wordt,

als wij deze dier.ba.re men.sen moe.ten mis.sen

in onze ei.gen we.reld.

Op dit mo.ment kan deze clown even niet la.chen.”

De pa.pe.gaai bijt O.ma e.ven in een oor.

Wak.ker wor.den”, zegt hij met een snik in zijn sna.vel.

Ja, als dat kon.

“Dit heb ik al.le.maal niet voor.zien in mijn gla.zen bol”,

zegt As.te.ri.a, die nu met haar zoon.tje Goe.an bij de kist staat.

Zij is de bes.te vrouw, die ik in mijn le.ven ont.moet heb.

Ze was als een moe.der voor me.

Goe.an legt bloe.men aan de voe.ten van O.ma.

En hij geeft Joep een hand.

“Fijn dat jul.lie er zijn”, zegt Joep dan.

Hij praat weer.

 

“Ik stel voor, dat we ter e.re van O.ma

en.ke.le dier.ba.re lied.jes gaan zingen”,

zegt de bur.ge.mees.ter.

Lied.jes die in La.ri.lo be.kend zijn ge.wor.den

na O.ma’s reis met de gla.zen kof.fer.”

Heel La.ri.lo zingt ver.vol.gens het lied uit I.rak.

En daar.na klinkt in de sche.mer het Ven.loos lied:

Als de ster.ren daar.bo.ven stra.len

en als de maan daar bo.ven He.run.gen hangt

en dan er.gens in het groen ver.scho.len

de nach.te.gaal een lief.des.lied.je zingt,

dan wil ik wan.de.len met mijn meis.je naar Schan.de.lo

en dan wil ik haar  kus.sen bij de Ven.koe.len naast een paad.je.

Joep moet hui.len.

De her.in.ne.rin.gen wor.den hem te mach.tig.

Zijn tra.nen val.len op de bloe.men,

die rond.om de kist lig.gen.

Hij sluit sa.men met Ka.pi en Pi.ka de kist.

 

De a.gen.ten van La.ri.lo ne.men de kist op,

en dra.gen hem naar bui.ten.

Ook de jon.ge a.gent Blom is er.bij.

 

De stoet gaat nu rich.ting het plein.

De bur.ge.mees.ter heeft na.me.lijk be.slo.ten,

dat Oma wordt be.gra.ven bij de ou.de boom.

Op het graf zal een ko.pie van een beeld

van de kun.ste.naar Ta.ji.ri wor.den ge.plaatst.

Het beeld van Me.vrouw Go.li.ath.

“Want had me.vrouw Knot niet de kracht van een reu.zin ?”,

zei hij.

 

 


Hoofd.stuk 2      Het boek van Goe.an

 

“Wat is het hier leeg, nu Oma Knot er niet meer is”,

zegt As.te.ri.a zacht.

Ze veegt een traan weg.

Oma is een week dood.

As.te.ri.a blijft met Goe.an bij Joep

om hem wat op te van.gen.

Ook Ka.pi en Pi.ka ko.men ie.de.re dag op be.zoek.

Ge.luk.kig dat Goe.an er.bij is.

Hij beurt ie.der.een op, om.dat hij zo re.laxed is.  (Spreek uit rie.lekst)

 

Goe.an is van.daag 10 jaar ge.wor.den.

Dit is de dag, dat hij het boek van zijn ou.de O.pa Go.zal zal krij.gen.

Het is een pren.ten.boek met ge.hei.men.

As.te.ri.a heeft het al die tijd zorg.vul.dig be.waard.

O.pa Go.zal was een zeer wij.ze man.

Ve.len zeg.gen, dat hij de ge.hei.me krach.ten van de in.di.a.nen ken.de.

De men.sen be.zoch.ten hem om hulp te krij.gen.

“Goe.an zal mijn taak voort.zet.ten”, zei hij al.tijd pro.fe.tisch.

“Maar dan moet hij eerst de ge.hei.men

van het pren.ten.boek ont.ra.fe.len.”

Hij maak.te dan meest.al een pau.ze, en zei ver.vol.gens

heel na.druk.ke.lijk:

“Goe.an zal daar.in ze.ker sla.gen.

Hij zal hulp krij.gen van twee dap.pe.re kin.de.ren.

Want in het boek staat, dat drie jon.geglas.ke.tiers

de raad.sels zul.len ont.slui.e.ren.

Glas.ke.tiers zul.len het dus zijn,

en niet van die vecht.lus.ti.ge mus.ke.tiers.

Want er ko.men geen do.de.lij.ke steek.wa.pens aan te pas.

Het zal al.le.maal iets met glas zijn, meer weet ik niet.”

 

Goe.an kijkt ver.guld,

als As.te.ri.a hem het boek o.ver.han.digt.

Het is een echt oud boek met een rood.le.ren kaft.

Goe.an is on.der de in.druk van zo’n oud boek

met een glim.men.de kaft, en met bla.den van per.ka.ment.

Hij wordt er stil van.

Voor.zich.tig slaat hij de eer.ste blad.zij.de op.

“Wat staat daar?”, vraagt Pi.ka.

“Lees eens voor. Ik ben zo nieuws.gie.rig.”

 

Op de eer.ste blad.zij.de staat een ge.heim.zin.ni.ge tekst.

En Goean leest met dui.de.lij.ke stem voor,

wat er staat:

De drie glas.ke.tiers zul.len de pren.ten doen op.lich.ten

met het ge.schenk van Jos.ko.

De zon zal in 7 kleu.ren bre.ken.

Voor el.ke prent heeft de zon een ei.gen kleur.

Ie.de.re  prent her.bergt een ge.hei.me op.dracht.

Die op.dracht moet in vre.de wor.den uit.ge.voerd.

Volg de volg.or.de van de schep.ping,

en wek de pren.ten met de juis.te kleur tot le.ven.

Want, als je een prent be.na.dert met de ver.keer.de kleur,

dan zul.len er mon.sters ont.wa.ken.

De ge.hei.me ta.len.ten van  de glas.ke.tiers zul.len zich o.pen.ba.ren,

en van dienst zijn.

De in.di.a.nen.zoon heeft de juis.te greep voor de slang.

Het meis.je kan het licht vast.hou.den in de duis.ter.nis.

De an.de.re zoon zal met zijn blik de de.mo.nen be.vrie.zen.

Als zij hun taak goed ver.vul.len,

zul.len zij voor de we.reld van Larilo

de gla.zen poort ont.slui.ten.

Als zij niet in hun op.dracht sla.gen,

zal Larilo dui.zend jaar in on.we.tend.heid le.ven.

 

“Wel al.le peer.tjes”, zegt Joep ver.baasd.

“Dat is nog.al wat.

Al.le ge.hei.men van die pren.ten moe.ten ont.ra.feld wor.den”.

“Ik denk dat ik weet wie de drie glas.ke.tiers zijn”,

merkt Goean slim op.

“De glas.ke.tiers, dat zijn na.tuur.lijk Ka.pi en Pi.ka”.

“Die heb.ben al zo veel op.drach.ten uit.ge.voerd met de gla.zen kof.fer.

Die we.ten van wan.ten.

Het woord glas.ke.tier heeft na.tuur.lijk al.les te ma.ken met glas.

De der.de glas.ke.tier dat ben ik zelf, denk ik.

Maar wie is Jos.ko?

We.ten jullie dat mis.schien?”

“Ja wel”, zegt Ka.pi.

Jos.ko heeft de gla.zen ring ge.maakt,

die Oma ons heeft ge.schon.ken”.

Hij pinkt een traan weg, nu hij weer aan Oma denkt.

“Zou die ring het ge.schenk zijn van Jos.ko,

waar.o.ver in dit boek wordt ge.spro.ken?”

“Dat zou heel goed kunnen”, zegt Joep.

“Als glas ge.sle.pen is als een pris.ma,

ver.deelt het glas het licht in ver.schil.len.de kleu.ren.

Als je Jos.ko’s ring goed in het licht houdt,

kun je het zien.

Kijk maar!

In.der.daad: het licht ver.deelt zich door de ring,

net zo.als je dat soms bij een plas.je o.lie in wa.ter ziet,

dat in al.le kleu.ren weg.vloeit.

Of bij een re.gen.boog.”

 

“Nu kunnen we aan on.ze op.dracht gaan be.gin.nen”,

zegt Goean op.ge.wekt.

As.te.ri.a ver.schiet van kleur.

“Zou je niet e.ven  wach.ten, Goean,

niet zo haas.tig, je bent nog zo jong.

En wat moe.ten wij te.gen de ou.ders van Ka.pi en Pi.ka zeg.gen,

als jullie wat o.ver.komt?”

“Maak je niet druk, moe.der”, zegt Goean.

Vol.gens de re.gels van be.paal.de in.di.a.nen.stam.men

ben ik al bij.na vol.was.sen.

Dat staat in al.le in.di.a.nen.boe.ken.

Oma heeft ook al te.gen Ka.pi en Pi.ka ge.zegd,

dat ze zelf.stan.dig de we.reld in moe.ten gaan.

De tijd van het ge.kloek is voor.bij.”

“Ik zal daar nooit aan wen.nen!”, ver.zucht As.te.ri.a.

En voor As.te.ri.a nog meer be.zwa.ren naar vo.ren kan bren.gen,

pakt Pi.ka het boek.

“Hou die ring eens bo.ven die eer.ste prent, Ka.pi.

Hier, deze prent met de in.di.a.nen”.

Dat doet Ka.pi, en ie.der.een ziet

dat het licht door de ring heen

uit el.kaar valt.

En de ro.de kleur valt pre.cies op de ro.de ve.ren

in de hoofd.tooi van een ou.de in.di.aan.

 

De in.di.aan be.gint te le.ven.

Hij be.groet de kin.de.ren har.te.lijk en en.thou.si.ast.

Ein.de.lijk, daar zijn de drie glas.ke.tiers.

We heb.ben heel lang op jullie ge.wacht.

Wees wel.kom in ons dorp.

Treedt na.der”.

Goean, Kapi en Pi.ka stap.pen op de ou.de man af,

als.of het de ge.woon.ste zaak van de we.reld is.

En floeps, in.eens zijn ze ver.dwe.nen uit de we.reld van Larilo.

Ze zit.ten nu er.gens in het ma.gi.sche boek.

 

“Ik heb toch ge.zegd, dat het niet goed kan gaan!”,

huilt As.te.ri.a he.le.maal o.ver.stuur.

“Wat ge.beurt hier al.le.maal?

Waar is mijn kind ge.ble.ven?

Waar zijn Kapi en Pika.

Hoe leg ik dat aan hun ou.ders uit?

Zij we.ten van niets.”

La.ten we maar rus.tig blij.ven”, zegt Joep.

“Kapi en Pika zijn toch ook vei.lig te.rug.ge.keerd

van hun kof.fer.reis.

En Goean heeft dit boek toch van je va.der ge.ërfd.

Waar maak je je dan zor.gen o.ver?

Heb je min.der ver.trou.wen dan je va.der in Goean?”

 

“Je zult wel ge.lijk heb.ben”, zegt As.te.ri.a aar.ze.lend.

Ze ver.trouwt het nog niet he.le.maal.

“We la.ten het boek wel o.pen.lig.gen bij de.ze prent.

Want als ze te.rug.ko.men,

zal dat na de.ze prent zijn.

“Ik bel ze.ker wel naar de ou.ders,

dat Kapi en Pika voor.lo.pig hier lo.ge.ren.

Per slot heb.ben de kin.de.ren nu va.kan.tie,

en hoe.ven ze niet naar school.
Ik hoop echt dat ze snel
te.rug.ko.men,

want wat moet ik zeg.gen als dat niet het ge.val is?”

“Ik help je wel”, zegt Joep.

“De kin.de.ren ko.men ze.ker te.rug.

En hun ou.ders zijn nog.al wat van ze ge.wend.”

 

 

Hoofd.stuk 3     De con.dor

 

De ou.de in.di.aan kijkt de kin.de.ren vrien.de.lijk aan.

“Mijn naam is Re.gen.boog.

Kijk maar naar de ve.ren in mijn hoofd.tooi.

De ve.ren heb.ben de kleu.ren van de re.gen.boog.

Ze zijn af.kom.stig van de tal.lo.ze kleur.rij.ke vo.gels,

die in de lan.den van het An.des.ge.berg.te vlie.gen.

Jullie zijn hier in Bo.li.vi.a aan de voet van dit hoog.ge.berg.te.

Ik ben het op.per.hoofd van het dorp.

Vroe.ger woon.de hier je groot.va.der Go.zal, Goean.

Het dorp is heel mooi.

Het ligt ver.scho.len in de prach.ti.ge na.tuur van Zuid-A.me.ri.ka.

Het was hier al.tijd goed wo.nen.

Maar de tij.den zijn ver.an.derd.

Wij heb.ben het op het o.gen.blik moei.lijk.

De de.mo.nen van de An.des be.la.gen de men.sen.

Som.mi.ge men.sen zijn he.le.maal door.ge.sla.gen.

Ze we.ten niet meer wat ze doen.

Ze zijn ver.slaafd aan drugs.

Of ze ge.dra.gen zich heel ge.meen en laf.

Ve.le men.sen zijn gees.te.lijk uit ba.lans,

en ho.ren a.ke.li.ge stem.men.

Er zijn be.ze.ten kin.de.ren, die hun ou.ders ter.ro.ri.se.ren.

Som.mi.ge die.ren zijn ook vol.ko.men van slag

Ik heb niet de kracht om de de.mo.nen te ver.drij.ven.

Jij Goean, jij bent de klein.zoon van Go.zal,

zijn erf.ge.naam.

Jij hebt bij je ge.boor.te krach.ten ont.van.gen,

waar.mee je ons kunt hel.pen.

Go.zal was mijn vriend.

Hij wist de ge.hei.me wa.ter.bron,

die aan de men.sen kracht gaf.

Toen Go.zal de wij.de we.reld in.trok,

ging het hier mis.

Jij, klein.zoon van Go.zal moet de weg voor ons vin.den

naar de ver.lo.ren wa.ter.bron.

Goean, als jij de wa.ter.bron voor ons te.rug.vindt,

dan kan ik in rust ster.ven.

Mijn da.gen zijn ge.teld.

Ga aan de slag, jon.gen.

Ik wil mij voe.gen bij de zie.len van mijn voor.va.de.ren.”

 “Ik ben maar een jon.gen van 10 jaar”, zegt Goean be.deesd.

“Hoe kan ik de wa.ter.bron vin.den en de de.mo.nen ver.ja.gen?”

 

“Je groot.va.der zal je de ge.hei.me weg wij.zen”,

zegt Re.gen.boog zelf.ver.ze.kerd.

“Jullie zijn niet voor niets naar ons dorp ge.to.verd.

Jullie zijn al.le drie no.dig om ons uit de mi.sč.re te hel.pen.

Al.leen, eet eerst met ons mee van de meel.pap.

De meel.pap, die mijn doch.ter heeft ge.maakt”, zegt hij la.chend.

Ech.te in.di.a.nen.pap, dat lijkt me wel wat”, zegt Pika.

Ze heeft wel trek in wat e.ten na zo.veel e.mo.tie.

Kapi kijkt een beet.je be.nauwd.

Meel.pap, wie eet nou zo.iets?

E.ven la.ter zit hij er toch sma.ke.lijk van te e.ten.

De pap valt dus nog.al mee.

Ei.gen.lijk is die zelfs heel lek.ker.

 

Het is nog och.tend.

Goean, Kapi en Pika be.slui.ten me.teen op pad te gaan.

“We gaan de ber.gen in”, zegt Goean zelf.be.wust.

Het is net of hij pre.cies weet,

wat er moet ge.beu.ren.

Wa.ter.bron.nen kun je ook in de ber.gen vin.den,

ook al zien die ber.gen er soms a.ke.lig droog uit”, zegt hij.

Als ze wil.len ver.trek.ken,

wordt het hen moei.lijk ge.maakt.

De men.sen drin.gen om hen heen.

Ze kun.nen niet ver.der.

Een ou.de vrouw trekt aan de ha.ren van Kapi.

Zul.ke fel.blon.de ha.ren zijn hier zeld.zaam.

Ze wil zo’n bij.zon.de.re pluk wit jon.gens.haar

in haar huis heb.ben, om er.mee te pron.ken.

Ze laat de ha.ren niet los.

Kapi kijkt haar strak aan.

Hij kijkt als het wa.re dwars door haar heen.

De vrouw schrikt e.ven.

Kapi ziet iets weg.flit.sen uit haar o.gen.

In.eens wordt de vrouw rus.tig.

Er valt een ijs.klont.je uit haar haar.vlecht.

Kapi raapt het op, en kijkt er eens naar.

“Wel al.le par.kie.ten, dit is een be.vro.ren de.mon,”

zegt hij.

Als.of hij al.tijd al heeft ge.we.ten, dat er zo.iets be.stond.

“Ik dacht, dat het een soort ver.zin.sel was,

wat er in het boek van O.pa Go.zal stond

o.ver het be.vrie.zen van de.mo.nen.

Het is dus geen fan.ta.sie. Kijk maar!

Nu heb ik hier echt een be.vro.ren de.mon in mijn hand.

Ik zal hem ver weg werpen,

zo.dat nie.mand het klont.je meer kan te.rug.vin.den.

Kapi is te laat.

Het ijs.klont.je is al ont.dooid door de warm.te van zijn hand.

Zijn hand is he.le.maal nat.

De de.mon ont.vouwt zich tot zijn wa.re groot.te.

Krij.send stort hij zich op een rond.snuf.fe.len.de hond,

die ver.vol.gens vre.se.lijk te keer gaat.

“Het is echt wel no.dig, dat we die bron gaan vin.den”,

zegt Pika.

Re.so.luut duwt ze de men.sen op.zij.

“Laat ons erdoor.”

Ie.der.een gaat op.zij.

Ze zijn on.der de in.druk van dit kor.da.te, blon.de meis.je.

Ze.ker na.dat ze hebben ge.zien, waar.toe Kapi al.le.maal in staat is.

“Oma Knot zou ons zo moe.ten zien”, zegt Pika.

Kapi moet e.ven hui.len.

Wat mist hij Oma.

Oma had het ijs.klont.je ze.ker niet la.ten smel.ten.

Haar maak.te je niets wijs.

 

De drie kin.de.ren klau.te.ren zich een weg naar bo.ven.

Het valt niet mee.

Toen ze het boek in.stap.ten,

had.den ze na.tuur.lijk geen berg.schoe.nen aan,

en dat is jam.mer.

Berg.schoe.nen zou.den hun van.daag goed van pas zijn ge.ko.men.

“Weet je wel ze.ker, Goean, dat dit de juis.te rich.ting is?”,

vraagt Kapi hij.gend.

Hij heeft moei.te het tem.po bij te hou.den.

“Ik denk het wel, mijn moe.der zegt re.gel.ma.tig,

dat O.pa Go.zal als klein kind vaak zoek was.

La.ter bleek, dat hij ge.woon ‘e.ven’ in de ber.gen was ge.weest.

Zo sjou.wen ze de he.le dag door.

Zo nu en dan ne.men ze wat van de vruch.ten en no.ten.

Die heeft Op.per.hoofd Re.gen.boog hun mee.ge.ge.ven.

Als de a.vond valt, wordt het be.hoor.lijk koud in de ber.gen.

De kinderen lo.pen te ril.len.

Ze hebben o.ver hun T-shirt geen jas aan.

 

“We gaan een vuur ma.ken”, zegt Pika.

Dat is ge.mak.ke.lij.ker ge.zegd, dan ge.daan.

Ze hebben geen lu.ci.fers bij zich.

“Ik weet ze.ker dat groot.va.der voor ons zal zor.gen”,

zegt Goean.

Hij is pas 10 jaar oud,

en toch is hij hier in de ber.gen een lei.der,

die pre.cies weet wat er moet ge.beu.ren,

en die hen weet ge.rust te stel.len.

Ter.wijl Goean dit zegt, komt er van.uit de berg.top.pen

een loei.gro.te vo.gel aanvliegen.

Het is een con.dor.

Hij landt vlak voor de voe.ten van Goean.

“Dag heer Goean, ik ben hier als uw die.naar.

Ik heb vroe.ger uw groot.va.der ge.diend,

en nu bied ik u mijn dien.sten aan.”

“Als u wil die.nen, kunt u dan niet zor.gen,

dat we hier wat warm.te krij.gen”,

spreekt Pika voor haar beurt.

“Dat was ik me ook al aan het be.den.ken”, zegt Goean.

“Kom on.der mijn vleu.gels, vrien.den.

Ik waak o.ver jullie”, zegt de con.dor vrien.de.lijk.

Die vleu.gels zijn zo groot,

daar had.den wel twin.tig kinderen on.der gekund.

On.der de vleu.gels is het knus en warm.

Al gauw lig.gen ze lek.ker te sla.pen.

Goean droomt van zijn groot.va.der.

“Ga langs het pad van de ro.de ste.nen”, zegt die in zijn droom.