|
Wim Rhebergen Verpleeghuis ► Home ► Contact: info@rhegie.com |
|
Op weg terug Een persoonlijke
ontmoeting met demente
verpleeghuisbewoners |
|
|
|
|
|
Op weg terug, Van Loghum Slaterus, Deventer, 1983, ISBN 90-6001-827-3 SISO 416.8 UDC 159.92 |
|
De dames
Kruishaar, Reepjes en Siebeling Als de
deur boos achter mevrouw Siebeling dichtklapt,
begint ze te huilen. Mevrouw
Reepjes, ook al zo’n dun draadje, bibberend op de kale gang, troost
intuïtief: “Stil maar, we laten ons gewoon meedrijven.” Ze
wrijft onhandig de tranen uit de ogen van mevrouw Siebeling.
“Gewoon meedrijven, dat gaat het beste, dan heb je vanzelf weer
rust.” Ze zijn
op weg naar de activiteitenkamer. Voorop loopt Marijke, de
activiteitenbegeleidster, mevrouw Kruishaar in een rolstoel voortduwend. Vlak
achter haar gaan mevrouw Siebeling en mevrouw
Reepjes. Beide dames vinden aan elkaar een wankel houvast. Mevrouw Reepjes
zegt een paar maal dat ze zeker te laat komt en dempt met lieve woorden
onophoudelijk de snikken van mevrouw Siebeling.
Marijke zegt: “Kom maar dames, we zijn er zo.” Mevrouw
Kruishaar weet waar het allemaal om gaat. En met een vrolijke
triomfantelijkheid in haar stem zegt ze tegen Marijke: “U gaat me zeker
beter maken” en als Marijke deze uitspraak vanzelfsprekend bevestigt:
“Ach grapjas, ik ben toch heus niet maar zo. Alles zo wit van
ziekenhuis, alles zo ziek van mensen, zo ziek van die vrouwen.” Ze
knikt in de richting van de dames Siebeling en
Reepjes. “U moet zelf maar weten of u zo dom wilt zijn. U hebt me zeker
nodig voor de ziekte. Ja, ik weet wel wat nodig is voor de ziekte.” Marijke
probeert haar ter plekke uit te leggen wat en hoe het hier is. Ze
luistert met beleefde belangstelling, maar met haar reactie is het gesprek
weer op nul. “Ziek zijn is
er om beter te worden, waar of niet?” De
dames Siebeling en Reepjes stemmen bij zoveel
overtuiging in. Mevrouw
Kruishaar vertelde toen ze pas hier was, eens een kinderervaring, waaraan ze
altijd in haar leven moest denken. Vanuit haar bed keek ze elke avond door
het dakraampje naar buiten en had gedachten over de vlucht van de lucht. Op
een avond was er een heks in het raam gaan zitten: een gerimpeld vrouwelijk
wezen met een grote, tandeloze mond, die krijste, vloekte en afgrijselijk
vals zong. Mevrouw Kruishaar, die toen Anna werd genoemd, was zo bang dat ze
niet durfde te huilen. Anna kneep eerst haar ogen stijf dicht om niets te
hoeven zien, maar even later had ze voorzichtig toch gekeken. Er bengelde een
steen, een heel koude steen, aan een touwtje boven haar hoofd. De heks zei:
“Als je mijn steentje niet kust, word je ziek, heel erg ziek en ga je
dood.” Anna had niet gekust. Ze was zo slim geweest om heel dood te
gaan liggen en had daarmee de heks voor de gek gehouden. Deze was weggegaan
zonder nog iets te doen. Ze was daarom in haar leven nooit ziek geweest en
als ze ziek zou worden, zou het maar een klein ‘doodje’
zijn. Daarvan was ze haar hele leven overtuigd geweest. Zou ze het ook
vandaag nog weten? “Wat
gaan we vandaag doen?” vraagt Marijke. “Niks”,
zegt mevrouw Kruishaar. “We zijn te oud en te ziek. Kijk maar om je
heen. Zo ziek als een dier.” Als
Marijke mevrouw Kruishaar vraagt of ze zich ook ziek voelt, schiet ze uit:
“Ach, donder op.” De grenzen van mevrouw Kruishaar zijn bereikt. Mevrouw
Reepjes die zonder ophouden mevrouw Siebeling
koestert en helpt in haar verdriet, hoort de boze
toon van mevrouw Kruishaar. Als een reflex wendt ze zicht tot mevrouw
Kruishaar: “Wilt u ook een slokje hebben?” en biedt haar koffie
aan. “Te
laat,” weert mevrouw Kruishaar af. “Te laat, te laat.” “Te
laat? Hoe laat is het dan? Moet ik naar huis?” Mevrouw Reepjes schiet
ogenblikkelijk in de verwarring. “Hoe
laat het is? Eén haak over de twee. “Het antwoord van mevrouw Kruishaar
klinkt komisch, maar mevrouw Reepje zegt alleen maar “Hè?” “Kwart
over de sluis!” “Wat?” “Kwart
over de sluis, dan ben je gauw thuis!” Mevrouw
Reepjes besluit kennelijk dat haar verwarring niet eindeloos kan duren en
zegt serieus: “Als je hier wel geweest bent en zo naast elkaar staat,
is de tijd heel stil.” Mevrouw
Kruishaar heeft er niet van terug. Mevrouw
Siebeling is een dun, ineengekrompen lijfje,
ondergedoken in een grote stoel. Elke dag, elke confrontatie is een slag die
haar kleiner maakt en de wereld grotesker. Alle dingen worden steeds minder
van haar, onbegrijpelijker en monsterlijker. Mensen
buigen zich naar haar toe, spiegelen hun gezicht in haar natte ogen en gaan
bij gebrek aan een reactie harder schreeuwen, alsof ze daarbij iets van de
breking der tijden ongedaan zouden kunnen maken; ze gebruiken éénwoordzinnen, een staccatotaal: kom,
hier, bah! Het lijken allemaal woorden uit een taal die ze niet kent. Mevrouw
Siebeling metselt haar ogen vaak met tranen dicht,
dat is beter, ze hoeft dan niet zoveel nieuwigheid te zien. Bangheid en
droevigheid zijn er tegenwoordig altijd in haar gevoel. Ook vandaag weer.
Droevig omdat…… ja dat laat zich niet zo precies zeggen, ze heeft
er althans de woorden niet voor. Ze heeft geleerd stil te huilen, met beetjes
het verdriet te laten druppelen. Plassen is ook al zoiets, er is geen rem.
Dat maakt haar van boven en beneden nat. Niemand lijkt het te zien. Of toch
wel? In de lucht klinken allerlei stemmen. Het gaat allemaal vlug, te vlug.
Ze moet nog wel leren met de dingen om te gaan. Die nattigheid is niet goed.
Ze moet eigenlijk nog harder huilen, maar dat gaat niet vanzelf. “Die
vrouw is ziek, doodziek,” is het oordeel van mevrouw Kruishaar.
“En jullie doen niets, zitten maar blauw te wezen”en ze wijst op
Marijke in haar blauwe jurk. “Wat
wilt dat we doen?” vraagt Marijke. “Niet
zo!” Mevrouw Kruishaar prutst breibewegingen na. “U
bedoelt handwerken?” “Ja
handwerken, zo kun je het noemen. Pesten is het, pesten van zieke
mensen.” “Wilt
u daarmee zeggen dat het hier niet fijn voor de mensen is?” “Niet
fijn, niet fijn. De lolligheid ligt hier op zolder. Zo ziek en dan nog zo
werken! Ik geloof altijd nog dat het vlees beter is dan de benen.” “Wat
bedoelt u daarmee?” “Niets,
ga toch wat doen, meid, en zit niet met die oude mensen te zeuren.” Marijke
probeert het gesprek wat te verbreden. “Mevrouw Reepjes, hebt u gehoord
wat mevrouw Kruishaar zei?” “Daar
neem ik geen notitie van”, is haar antwoord. “Waarom
niet?” gaat Marijke door. “Dat
hoef ik niet te zeggen.”Mevrouw Reepjes wendt het hoofd af. Voor haar
heeft deze vragenstellerij afgedaan, doch als ze de
stem van mevrouw Kruishaar bars hoort zeggen: “Dan ben je zelf een
leugenaar” is ze er weer helemaal bij. “Dan liegt u ook heel
hard.” “Nou,
ik ben blij dat u de waarheid zegt.” Dat was mevrouw Kruishaar weer,
cynisch en hard. En
mevrouw Reepjes ontpopt zich ook. “Ja, daar heb je schik in.” Marijke
doet ook mee. “U bent opgewonden,” zegt ze tot mevrouw Reepjes. “Opgewonden,
opgewonden?” Voor mevrouw Reepjes zijn al deze woorden raadselen en
zegt boos: “Wil jij oude mensen aan het schrikken maken?” Ze
wendt zich vervolgens tot mevrouw Kruishaar: Och, nu ziek ik pas dat u het
bent. Hoe is het mogelijk. ‘k Heb niet gezien dat u het was. Onbegrijpelijk
hè?” Mevrouw
Kruishaar zegt hierop: “Dat u mij niet gezien hebt! U hebt zeker niet
rondgekeken. Bepaald niet.” Ze
heeft haar eigen psychologie over de dingen. “U ben onbewust dat u geen
kennissen hebt, daar begint jet al mee. Laten we maar poep zeggen en
lachen.” “Poep,”
zegt mevrouw Reepjes. Marijke
schuift haar stoel aan. “Mevrouw Kruishaar, vertelt u dan iets grappigs
zodat we kunnen lachen. Een grappig voorval uit uw leven bijvoorbeeld.” Mevrouw
Kruishaar vraagt om een verklaring: “Poep en zo?” “Iets
grappigs dat u meegemaakt hebt.” Bij
mevrouw Kruishaar gaat een licht op. “O dat!” “Vertel
eens,”spoort Marijke aan. “Warempel,
ik was bij mijn man, maar hij was nog niet echt mijn man, jong zal ik maar
zeggen. We waren in het bos en toen moest hij een plasje doen. Mannen doen
dat tegen bomen. Of weet je dat niet? Nou, hij deed het en toen deed hij zijn
broek niet dicht, helemaal vergeten natuurlijk.” Ze lacht. Marijke
lacht ook en mevrouw Reepjes zit ernstig te kijken. Mevrouw
Siebeling komt weer frisgewassen terug.
“Mevrouw Reepjes, uw vriendin is weer terug.” “Als
ik weg ben, dan is het weg,” verklaart ze en ze voegt eraan toe:
“Ik heb er niets aan, want ze betekent niets voor mij.” Maar tot
mevrouw Siebeling zegt ze op een zorgelijke toon:
“Een knap meisje in het bos en bang voor mannen.” Pauze
in de conversatie. Mevrouw Kruishaar start lukraak. “Wat ik bedoel is
niet zo mooi lopen, lopen, lopen.” Ze kijkt rond of er iemand reageert
en als dat niet gebeurt, spreekt ze: “Wat ik bedoel is niet zo mooi, ze
kan opdonderen.” Haar
woorden vallen weer in het gat, dan begint ze maar voor zichzelf een verhaal
te houden. “Ik wilde dat weer thuis zat. Met de katten, de katten, Met
je eigen hier zijn, dat is ziek. Hier een beetje vrolijk zijn en ziek
zijn….. Hebben we koffie gehad?.... ’t Is allemaal vreemd volk
hier. Moeder is er niet. Ziek zijn, dat is niet goed. Ze komen hier met
stralen, grote stralen, boems, boems.
Maar niet beter worden. Als je lang wacht, ga je dood.” Ze begint te
huilen. Mevrouw
Reepjes is geconditioneerd op tranen. “Wegschuiven, wegschuiven,”
geeft ze als advies. “Laat
maar lopen, hoor,” zegt mevrouw Kruishaar. Ze herstelt zich volledig
bij de woorden van mevrouw Reepjes. “Thuis ben je altijd bij elkaar,
dan heb je zulke gedachten niet. Thuis heb je katten.” Mevrouw
Reepjes knikt. Mevrouw
Kruishaar gaat door. “Dan is het afgelopen en je bent ziek, doodziek
hier, Daar, die vrouw zegt niets, huilt maar.” Mevrouw
Reepjes blijft knikken. “Ziek
zijn zonder katten is hier spastisch,” aldus mevrouw Kruishaar. Mevrouw
Reepjes buigt zich weer over mevrouw Siebeling, nu
ze die weer ziet snikken en mevrouw Kuishaar gaat maar voor zichzelf door:
“Vrede is heel mooi, maar ziek zijn is niet mooi. Ik word al heel oud
en dat is heel ziek. Moeder? Ik kan wel zeggen dat ik nog geen stom woord
tegen moeder heb gezegd. Ik denk maar altijd: ziekte moet er niet zijn, en
zitten ook niet. Altijd maar zitten in zo’n stoel, eigenlijk geen
stoel, een zieke stoel. Alles ziek en niets beter, nooit vrede, altijd ruzie
en onenigheid. Kijk: tranen daar. Tranen daar en hier.” Ze begint weer
te snikken. Mevrouw Reepjes zit altijd tussen de mensen om
te zorgen en glad te strijken. Ooit is haar moedergevoel afgericht op traan
en een boze tong en sindsdien biedt ze ongevraagd
haar moedermelk aan. Haar kinderen hebben haar in de razernij van
dronkenschap verlaten. Mevrouw Reepjes heeft hun gedrag nooit begrepen, doch
ze spreekt er niet over, de knauw in haar haart zal ze stil verdragen, want
ze blijft trouw aan haar zelf. Ook nu er wel erg veel pijn en verdriet in en
rondom haar is. Marijke
gaat nog eens bij de dames langs. Alle drie zitten er zomaar als drie in
zichzelf verzonken werelden. Afgesloten van hun omgeving. Als de koffie, die
koud op tafel staat. “Hallo
dames!” Mevrouw
Kruishaar kijkt verschrikt op. “Ajakkes, dikker worden, zieker worden,
een kind moeten leggen. Het zal je maar gebeuren. Het heeft al best gedraaid
om ons.” Marijke
geeft aan: “Een vrouw hoeft tegenwoordig toch geen kinderen te krijgen
als ze dat niet wil.” “Ja,
natuurlijk wel, met kaas en stroop erop, alles wat ik heb.” “Wat
bedoelt u?” Voor Marijke, kind van deze tijd, zijn niet alle uitspraken
even natuurlijk. “Ik
heb de kinderen altijd netjes grootgebracht, informeer maar naar ons. Nooit ziek
geweest, alleen nu. Kijk dat kind huilt en moeder helpt haar.” Mevrouw
Reepjes troost mevrouw Siebeling, die geschrokken
huilt van zoveel gerucht. “Ik
ben ziek.” Mevrouw Kruishaar zegt het vrolijk. “Ziek omdat ik
hier zit en een kind krijg.” “Een
kind krijg?” “De
kinderen komen als ze willen. Ik ben al oud. Ik denk niet aan morgen. Moeder
is niet meer van morgen.” Ze plant een kort zwijgen tussen haar
woorden, een pauze waarin ze het effect van haar woorden peilt en bijna
plechtig zegt ze dan:
“Kinderen krijgen doet heel zeer, moeders weten dat. Als je oud
wordt en zoveel zeer hebt, kijk daar…..!” Ze
maakt haar zin niet af. Ze ziet de dames Reepjes en Siebeling.
“Och, och, och. Ik heb al heel wat gedachten achter de rug. Kinderen en
zo. Ik heb er goede gedachten over. Ga jij nu maar naar die twee, spelen en
niet huilen, hoor!” “Mevrouw
Siebeling”, roept Marijke. “Wilt u een
koekje?” Mevrouw
Siebeling blijft een druipend steentje. “Geef
me eens een hand.” Marijke pakt haar mevrouw Siebelings
dikke bewegingloze hand, die slap in de hare ligt. Marijke duwt er een koekje
in en beweegt de hand naar de mond van mevrouw Siebeling.
De ogen van mevrouw Siebeling lijken de ogen van
Marijke te raken, maar dat is slechts schijn. De ogen gaan op slot en ook de
uitroepen van “Koekje. Koekje!” helpen niet enige reactie teweeg
te brengen. Mevrouw
Reepjes, die het allemaal aanziet, complimenteert Marijke: “Je bent
lief om te komen kijken. Ze huilt de hele dag. Een goede moeder werkt in de
keuken, werken hè. En dan komen de kinderen van school, koekje en zo.
En dan vergeten natuurlijk. Ik ben altijd een goede moeder geweest, meer kan
ik niet zeggen.” Ze
wendt zich tot mevrouw Siebeling. “Ik ben
hier voor jou. Daarom niet huilen hoor! Ik pas goed op je. Huil maar niet. Er
wordt hier niet gehuild en gevloekt. Dat zijn we niet gewend. Niet huilen en
niet bang zijn. Geen wolven.” Mevrouw
Siebeling accepteert haar lieve woorden en het
koekje wordt als vanzelf opgezogen. “Zo
is het goed,” zegt mevrouw Reepjes. Drie
vrouwen, elke dag opnieuw. Er is geen fantastische climax in de dag van
kortstondige momenten. Ze zitten naast elkaar, los van elkaar en ook
verstrengeld in elkaar. De onderlinge relaties gaan met de wisseling van de
stemmingen en met de stroom van de verbeelding. Er is veel herhaling. Mevrouw
Kruishaar babbelt haar gedachten en gevoelens aan elkaar en glijdt over haar
eigen woorden, mevrouw Reepjes vervalt tot een skelet van moedergevoel en
mevrouw Siebeling verwordt tot een kluitje
ontroostbaar verdriet. De gedachten van het leven zoeken zonder ophouden haar
vormen, met of zonder woorden, met lachen en met snikken van onvermogen. Elke
dag raakt het leven onttakeld, elke dag raakt het aan de essentie. Is de mens
nu met de tijd verbrokkeld of meer voltooid? Wie spreekt het laatste woord?
Van het leven moet men houden om het te begrijpen. |