|
|
|
Piet Gielen |
|
|
|
Boeddha 2525 en andere gedichten |
|
|
Boeddha 2525 Hij laat
weten dat hij
glimlacht naar zijn vele levens, De robijnen
hoer, De groene boer, Het
vergeelde koekoeksjong En de
donkerblauwe zelfmoordenaar. Op de Boeroeboedoer Leg ik mijn
hand in zijn hand En beloof
dat de wens Geen
verlangen zal zijn. Als de avond
is gekomen, Bidden de
bomen. Mediteren de vogels, Dansen de deernen
rond het licht. Erica Jouw geur
staat als een flamingo op een poot, Jouw stem
jongleert op het koord van water, Jouw huid is
de zijdeglanzen trampoline. Zoveel
sporten heeft jouw ruimte. Ook sleur je
mij onder de briketzwarte stolp Met de maan als
een dreigend riekende volgele kaas En jouw
wanhopige stap verijzigt Op de
wankele plank Over
‘t spiegelzwarte water. De roos Alexander Ik zit thuis
in mijn stoel En zoek in
mijn hoofd de roos op, De roos
Alexander, Anders rood
dan rode rozen. In het park
in de novemberavond staat Alleen de
laatste roos Alexander, Anders rood
dan rode rozen. Op de
blaadjes rust de regen Anders dan
de dauw op rode rozen. Gek dat in
mijn hoofd die roos Alexander Nog rood is,
terwijl het toch nacht is in het park. Maskers Ik heb niet
geweten dat maskers
zich aan je hechten als patronen
van zwammen, vooral dat
van joligheid is hardnekkig en het
snuivend paard briest
sneller dan je diepste aard. Het meest
verraderlijk is het masker van de
eenzaamheid, je langzaam verterend. Totdat je op
een dag te moe bent om als een
nar te blijven neigen naar groten
en kleinen, en je je met moeite door een
kartonnen maskeroog terugwringt, waarachter
het waarachtige gezicht rustig en
vastberaden omhoog zwemt in Gods
stralend bleekwater, waarin de
maskers langzaam oplossen. En de grove
clown wordt een klein kaboutertje, stappend in
de eindeloze sneeuwvelden van het Licht. Oma Je zit daar
maar te huilen, oma, met krampen
na een al te werkzaam leven. Je zit daar maar
te beven in de stoel van het tehuis, zonder macht
om de dorheid van je af te slaan. Je mist opa
hè? Je voelt je
niets meer dan een hoopje tranen. De kinderen
zitten op hun eigen stekje en wat is
hier nog jouw eigen plekje? Ik kan wel
janken om je, oma. Wat kan ik
doen? Ik heb zo
weinig zakgeld, ik heb geen eigen huis. Ik weet nog
hoe het voor me opnam tegen een
heel grote hond. Nu zit ja
daar verschrompeld in je stoel te huilen
zonder doel. Zie je ze
ook, oma, die kransjes
van licht om je heen? Sta op oma, Ze nemen je
mee. Sta op oma,
ga met ze mee. Ga op oma, vlieg met ze
mee naar het Licht. De
stervende moeder Haar stem
spreekt als vanuit een kelder. Uitgewoond
is ze. De woorden dwarrelen
nog in haar rond. De laatste
vonken vallen uit haar ogen. Haar kind
was in levensnood, en ze gaf
het de helderheid van haar ziel bloot,
bestrooide het pad met nog niet
beschreven bloemen. Verpleegster
was ze in de oorlogsnacht. In haar
eentje holde ze met een
vracht zieken, terwijl de
bommen de stad in doken. Als ernstig
meisje bespeelde zij af en toe de
tamboerijn, terwijl haar
kleine zusje liever
huppelde op de regenboog. Ze wilde
eigenlijk non worden, maar ze was
geboren voor het moederleven. En dat heeft
ze licht gegeven… De
lichtzaadjes zullen alle ontkiemen, ook op de
donkere plekjes van de ziel van de
kinderen en haarzelf, al is het
lang na haar dood, als ze zelf,
weer als jong meisje, drinkt uit
de bron van Goddelijke liefde. Mongooltje Als ik opnieuw geboren word,
dan wil ik
het liefst zo’n lief
mongooltje zijn bij leuke
ouders. Dan hoef ik
me niet te verdiepen in domme
dictators of hun
handlangers, in
eigenwijze schoolmeesters of
onheilsprofeten. In
ziektegeschiedenissen verteld in
wachtkamers, en noem maar
op . Nee dan ben
ik er gewoon, ( in het
licht, een kind in de menselijke zandbak ). En liefde en
pijn zullen er zeker ook
wel zijn, maar niet
anders dan het
komen en gaan van een stevig getijde. |