|
Wim Rhebergen Contact: info@rhegie.com |
John Pubben “We zijn gelukkig, daar gaat het toch om?” |
|
|
John Pubben Geboren 1 juni 1966 te Roermond Een musicus die visueel gehandicapt is.
|
|
“Ik laat het interview over me komen”, zegt
hij, maar voordat ik een vraag stel, begint hij al te vertellen. Een musicus
die visueel gehandicapt is. In het telefoongesprek dat ik met hem had om een
eerste afspraak te maken, maakte hij me hierop al attent en als ik bij hem
ben, bemerk ik hoezeer dat zijn hele leven kenmerkt. Ik ben niet
blind, maar ook niet ziend “Ik ben niet blind, maar ook niet ziend.
Mijn ogen trillen. Je moet niet schrikken als ik wat raar zit te kijken, maar
ik moet me dan concentreren om beter te kunnen zien. Ik ben ermee geboren.
Mijn moeder kreeg toen ze zwanger was, toxoplasmose, een infectieziekte die
de ongeboren vrucht aantast. De
oogafwijking heeft in zeker opzicht mijn ontwikkeling bepaald. Wat het oog te
kort schiet, compenseer ik met mijn oor. Ik ben gezegend met een absoluut gehoor, dat wil o.m. zeggen
dat ik de toonhoogte van de toon kan bepalen zonder een referentietoon te
hebben. Ik heb geleerd mijn eigen weg te gaan en op mijn manier ben ik een
levensgenieter. Muziek betekent alles voor mij.” Het orgel “Een van mijn mooiste herinneringen als kind
was wanneer ik met mijn grootvader op het orgel van de kerk mocht spelen. Hij
was koster en nam me dan mee. Noten
lezen kon ik niet en hoefde ik ook niet. Ik speelde maar wat en improviseerde
er op los. Ik kan zeggen dat ik opgevoed ben met muziek, vrolijke muziek, de
radio stond de hele dag aan. Naast deze mooie herinneringen heb ik ook
pijnlijke herinneringen aan de tijd dat ik nog kind was. Op de kleuterschool
werd ik gepest. Ze lieten me als een
paard rondjes lopen met een teugeltje om. Ik wist niet hoe ik me moest
verweren.” |
|
|
|
Internaat “Toen ik zes jaar was, werd ik in verband met mijn handicap op het internaat De Wijnberg
in Grave geplaatst, een blindeninstituut. Het begin was niet gemakkelijk. Ik
herinner me dat ik vaak huilde en terug naar huis wilde. Maar achteraf gezien
ben ik toch blij dat mijn ouders dat toen hebben doorgezet, hoewel mijn
verdriet voor hen ook niet gemakkelijk was. Ik mocht in de weekenden naar
huis, maar ontwikkelde - hoe klein ik ook was - allerlei
vertragingstechnieken om mijn verblijf thuis zo lang mogelijk te laten duren.
Mijn grootste droom was dat alle stoplichten op rood zouden staan als ze me
terugbrachten. Ik had op het instituut de neiging om me terug te trekken.
Door middel van speltherapie probeerden ze daar wat aan te doen. De klas, waarin ik zat, was
klein. En de leefgroep, waartoe ik behoorde, bestond uit zo’n 20 jongens
later zelfs maar 13. In 1973 verhuisde ik naar Sint Henricus in Nijmegen, een instelling die eveneens verbonden
was met de Wijnberg. Beide
instituten maken nu onderdeel uit van Theofaan,
centrum voor blinden en slechtzienden. In 1983 haalde ik daar mijn MAVO-diploma. Maar ik moet nu eerst vertellen
over de enorme invloed die mijn muziekleraar op mij heeft gehad. Hij
heette Bernhard Rikkert
De Koe. Hij kon prachtig vertellen. Ik geloof niet in sprookjes, maar wel in
zijn verhalen. Als ik ze thuis probeerde na te vertellen, vroegen zij
verbaasd: ‘ Waar heb je het eigenlijk over?” Hij is organist, pianist,
koordirigent. Hij nam ons mee naar de kerk in Heyendaal en speelde een toccata van Widor. Een enorme ervaring. Ik weet nog dat het op een
donderdag was en ik zie me nog staan tussen al die andere jongens in een
kring om het orgel geschaard. Eigenlijk kun je zeggen dat op dat moment de
basis is gelegd voor mijn muzikale carrière. Ik wilde naar het
conservatorium. Na het behalen van het Mavo-diploma
keerde ik terug naar mijn ouders en begon aan de voorbereidende klas van het
conservatorium en studeerde voor het HAVO-diploma.
Ik kreeg voor het eerst van mijn leven officieel orgelles van een begeleider
van het instituut. In 1985 begon ik in Maastricht op het conservatorium.” |
|
|
|
Bach “In 1985 leerde ik de muziek van
Bach kennen. Het was het Bach-jaar,
want 300 jaar geleden was hij geboren, 21 maart 1685. Op de radio was er veel
aandacht voor zijn muziek. Ik kende weliswaar Bach
uit mijn jeugd. “Jesus, bleibet
meine Freude” kon ik als
kind gewoon meezingen, maar dat is nog wat anders als dat je zelf de ‘Inventionen’ van Bach op het
orgel mag spelen. En de preludiums en de fuga’s. Mijn geloofsleven is er
radicaal door veranderd. Sindsdien ga ik anders naar de kerk. De muziek van Bach geeft je een basis voor het leven, daar kan geen
kapelaan aan tippen. Met Bach in mijn oren ben ik geloviger dan de paus.” |
|
Josephklooster Paters Lazaristen Panningen |
|
Maastricht “In
augustus 1985, negentien jaar oud, ging ik naar Maastricht en begon ik mijn
opleiding aan het conservatorium. Ik woonde zelfstandig, ergens in een
straatje naast een seksshop. Tussen twee haakjes: ik ben wel slechtziend,
maar er ontsnapt wat dat betreft niets
aan mijn aandacht. Ik leerde mezelf boodschappen te doen, te koken – ik heb
in die tijd heel lekker gegeten -, met een blindenstok te lopen en de straat
over te steken. Maar toen overleed mijn opa aan een hartstilstand, 1986. Mijn
heeroom, Lazarist, de oudste broer van mijn vader, ome Jan, kwam over uit
Brazilië waar hij in de missie werkte,
om hem te begraven. Hij had mijn
ouders ook getrouwd. Na een maand ongeveer vertrok
hij weer en ik zag hem met lede ogen vertrekken” Eerste
psychose “Het overlijden van mijn opa heeft
in mij iets los gemaakt. In 1987, een jaar later, op mijn verjaardag, stortte
ik in elkaar en leed aan psychoses. Ik sliep niet meer, voelde me eenzaam en
had regelmatig huilbuien. Was het mijn zelfstandigheid die ik niet aankon?
Was het de zwaarte van de studie? Ik had een lerares orgel, met
wie ik niet overweg kon. Ik was faalangstig. Ik vraag me nog af of de intense
muziek van Bach, die ik tot in mijn diepste vezels
in mij opnam, nog een rol daarbij speelde? Was het de kerk met haar prediking
van schuld? Ik voelde me schuldig. Waarvoor? En waar moest ik heen? Ik
vluchtte naar de Lieve Vrouwen Basiliek en weigerde weg te gaan. Ik biechtte dat ik alles in mijn
leven verkeerd had gedaan. Toen mijn ouders opgetrommeld werden om mij te
halen, riep ik: “Wat komen jullie hier doen?”Ik werd opgenomen op de PAAZ-afdeling in Venlo. Een zware tijd. Ik had het gevoel
dat iemand me steeds achtervolgde en notities van me maakt. De gedachte was
niet zo gek met al die therapeuten om me heen.” |
|
‘Even een kaarsje
opsteken!’ |
|
Mensen
die je helpen “Aan pastoor Van Rens, later
deken in Venlo, heb ik in die tijd veel te danken. Met hem had ik een aantal
gesprekken van mens tot mens. Hij kende me uit mijn jeugd en had een goede
band met mijn vader. Hij kwam me opzoeken in de separatiecel waarin ik was
gezet, bang dat ze waren dat ik mijzelf iets zou aandoen. Ik zei: “Ik heb
iets fouts gedaan!” “Wat dan?” vroeg hij. “Ja, dat weet ik niet!” De opname duurde drie maand. Ik
heb me op de PAAZ nooit thuis gevoeld. Ik zei maar steeds: “Ik hoor
hier niet”, en dat was ook zo. Na twee weken nog opgenomen te zijn in
Vijverdal, een centrum voor psychiatrie in Maastricht, werd ik ontslagen en
kon ik weer beginnen aan de opleiding. De opname duurde alles bij elkaar zo’n
vijf maanden.” |
|
“Puer natus est” |
|
Een nieuw begin “Ik
kreeg een andere leraar muziek. Ik kwam bij hem en zei: “Ik ben ziek, maar ik
weet niet wat het is.” Hij zei: “Ga dat maar eens
rustig uitzoeken en weet dat je bij mij altijd terecht kunt.” Hij gaf me vertrouwen. Een nieuw element in mijn muziekstudie was het
Gregoriaans. Van huis uit ben ik opgevoed met popmuziek. Het Gregoriaans
kende ik weliswaar uit de kerk, maar ik had me er nooit serieus mee bezig gehouden. De lessen Gregoriaans
waren zeer inspirerend. Een nieuwe wereld ging voor mij open. Mijn leraar zei
dat het Gregoriaans de basis was van alle Westerse muziek. Thuis stond ik te
dirigeren voor het raam. “Puer natus
est.” Het is een kerstlied, maar ik
dirigeerde het in de zomer. Ik kreeg een stageplaats op het
blindeninstituut in Grave, dat ik uit mijn kindertijd zo goed kende. Het sprak
me erg aan en gaf me perspectief. En zo knapte ik geleidelijk op.
In 1991 behaalde ik het diploma conservatorium en keerde terug naar Helden-Panningen, begon privélessen te geven en speelde
bij begrafenissen op het orgel in de kerk in Panningen.
In die tijd leerde ik John
kennen, maar daarover later.” |
|
|
|
Tweede
psychose “En toch, ik was weer thuis, had
de draad weer opgepakt en het ging goed, maar ineens drong tot me door dat de
kerkklokken bij de begrafenisdiensten, waarbij ik het orgel bespeelde,
doodsklokken waren. Ik dacht terug aan mijn opa, die 7 jaar geleden was
overleden en een jaar later was ook oma gestorven. Toen hadden die klokken
ook geklonken. Alle ellende leek toen opnieuw te beginnen. Ik werd opgenomen
op de PAAZ en vervolgens op het Van Gogh Instituut in Venray - inderdaad
genoemd naar Vincent van Gogh. Ik ben er ongeveer een jaar
geweest. Met als resultaat dat ik niet meer wil spelen bij
begrafenisdiensten. Ja, dat vonden ze in Panningen
wel jammer.” |
|
Rooms Katholieke Kerk - OLV
van Zeven Smarten in Panningen. De kerk, waar John het
orgel bespeelde. |
|
John, mijn
vriend “John heb ik in 1988 leren
kennen. Hij was blind en kwam vanuit Bartiméus in Zeist. Hij gaf me spontaan een por toen we op de trein
stonden te wachten om op vakantie te gaan – speciaal voor binden en
slechtzienden. Die por was het begin van onze relatie. Het was liefde op het
eerste gezicht. Hij heeft een grote invloed op mij gehad, hij heeft me
geleerd om op een andere manier te kijken. ….. ja, het zijn allemaal
uitdrukkingen waarin het oog een rol speelt! Hoe kan dat? … Het was een innige vriendschap.
Hij heeft me steeds in al die jaren opgevangen en geholpen. Ik was toen 21,
hij was 33, de leeftijd dat Jezus stierf; tussen ons was 12 jaar verschil.
Hij stopte voor mij met roken en schoor zijn baard af. “Jij ben mijn eerste
vriend”, zei hij, “Ik laat je niet meer los. Jij kijkt niet met je ogen, je
kijkt met je hart.” Het is een
vriendschap die me zomaar in de schoot werd geworpen. Ik kwam thuis en zei:
“Ik heb een vriend.” John zei ook: “Ik ga bij jou
wonen, niet in Venray, maar in jouw huis in Panningen.”
We hebben 12 jaar samengewoond. In dit huis is hij ook overleden door een
hartstilstand – 24 april 2005. Ik kon het aanvaarden. John had me dat geleerd. Ik
hoefde me over zijn dood niet schuldig te voelen. Ik heb de vriendschap mogen
aanvaarden zoals hij kwam. John was van oorsprong protestant, maar was omwille van mij katholiek geworden. Het was in een onderonsje met de
pastoor in Venray geregeld, ik was er niet bij betrokken. Hij heeft zich toen
opnieuw laten dopen.” “Wat zei de kerk over jullie
verhouding?” “Er is nooit over gesproken.” John is katholiek begraven, of
beter gezegd ”gecremeerd”. Ik hoorde de oude teksten en gezangen en herkende
de rituelen van de kerk uit mijn jeugd. Maar dat stond allemaal op de
achtergrond. Er werd immers niet zomaar iemand begraven, maar John, mijn
vriend. Ik heb het intens beleefd en ben niet ingestort.” |
|
|
|
Een nieuwe
vriendin “Sinds mei 2007 heb ik een
vriendin. Ze werkt op de sociale werkplaats, waar ik tegenwoordig ook werk –
evenals John toen hij nog leefde. We kennen elkaar al lang. Zij zei: “Wat ben
je toch een lief jong!” “Ja,” zei ik, “is dat zo?” “Ja, dat is zo! Maar toen je John had, kon
ik er niet tussen komen.” Ik vroeg: “Heb je daar al die tijd op zitten
te wachten?” Ja, dat had ze gedaan. Sinds dat moment hebben we een relatie. Ze woont bij mij in de buurt en komt
regelmatig bij mij thuis. Nee, we gaan niet samenwonen. Ze heeft epilepsie en
daarom is het belangrijk dat ze blijft wonen, waar ze nu is. Ik zorg een
beetje voor haar. En zij zorgt voor mij. Mijn moeder moest er wel aan
wennen. Ik zei: “Je moet haar een eerlijke kans geven.” Het gaat goed. We
zijn gelukkig. En daar gaat het toch om!” |