Wim Rhebergen

 

 

 

 

Interviews

Home

 

Contact: info@rhegie.com

 

 

 

De geschiedenis is nooit af

 

Interview met

Hermien en Hennie Wesselink

 

 

 

30 maart 2005

 

Inleiding

Bevrijdingsfeest 1945

Onderwijzer in Halle Heide

Naar Eibergen

Kerkvernieuwing

Het oude politiebureau

Onderzoek en schrijven

Historische Kring

Werkgroep Ouders van homoseksuele kinderen

Slot

Publicaties E.H. Wesselink

 

 

 

Inleiding

Het weerzien is hartelijk. Hoeveel jaren is het geleden dat we elkaar gesproken hebben?

We gaan rekenen. Ongeveer veertig jaar. Hermien herinnert zich nog dat Hennie en ik een avondlang discussieerden over geloof en kerk en we waren het niet met elkaar eens.

Hennie was mijn leraar wis- en natuurkunde op de plaatselijke uloschool en later kwamen we elkaar tegen in het zondagsschool-werk.

We vragen elkaar hoe het nu gaat, wat we doen en hoe in al die jaren met ons is gegaan, we halen herinneringen op en dan kom ik met de vraag of beiden willen meewerken aan een interview.

Hennie heeft na zijn directeursbaan vele boeken en artikelen  geschreven, met name over de geschiedenis van het dorp, daarbij geassisteerd door Hermien, die in de publicaties wordt genoemd als een rechterhand bij het schrijven.

En verder kom je hun namen tegen als activisten bij de "Werkgroep Ouders van homoseksuele kinderen”, waarvan Hennie voor een bepaalde periode voorzitter was.

Als ik in hun huiskamer zit, smelten de veertig jaar die we elkaar niet gezien hebben, weg. Zoals zij praten en doen, herken ik. De vertrouwdheid is gebleven.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het oude politiebureau

Ik heb het laatste jaar les gehad in het nieuwe schoolgebouw, daarvoor op de verschillende locaties in het dorp, het oude politiebureau, Elim, het gemeenschapshuis van de Hervormde kerk en de Willem Sluiterschool aan de Klaashofweg.

Het oude politiebureau sprak wel het meest tot de verbeelding. Het gebouw stond midden in het dorp, naast de Hervormde Kerk aan de Grote Straat. Het was een gebouw met een historie en had door de loop van de tijd al verschillende bestemmingen gekend. Oorspronkelijk was het de eerste openbare school in het dorp, later fungeerde het als gemeentehuis; in de oorlog werd het gebruikt als distributiekantoor en daarna als politiebureau. De politie huisde in die tijd nog steeds in een kamer ergens achter, maar liet zich aan ons nooit zien. Wie doorliep, kon de lugubere, akelig kille cellen bewonderen, waar de boeven gevangen werden gehouden. In het gehele gebouw hing de geur van voorbije tijden en wij waanden ons heer en meester in de bouwval. Onze klas werd verwarmd door een grote, zwarte kolenkachel. Deze werd elke dag opnieuw gestookt. Wie er dichtbij zat, had het gloeiend heet en wie verderop zat, bleef het koud hebben. Ik herinner me ook nog dagen dat de kachel niet wilde branden en we met onze jassen aan les kregen. Niemand kwam op het idee om ons vrij te geven. Het was in de klas altijd een vrolijke boel, zeker in de pauzes waarin de leraren van de ene locatie naar de andere fietsten en wij vrij spel hadden. "Al van ver," zo zegt Hennie, "konden we de lampen langs het plafond zien slingeren, waaruit we maar al te goed begrepen dat onze leerlingen niet alleen maar stil in hun banken zaten te werken. Maar wat moesten we? Overigens is er nooit iets ergs gebeurd."

In dat politiebureau heb ik Hennie voor het eerst als leraar leren kennen. Ik kan het me nog herinneren. Hij kwam binnen, stelde zich voor en maakte  een kennismakingsrondje met de leerlingen. Tegen mij zei hij: “Daar zien we elkaar weer eens.” Ik had hem ongeveer een jaar eerder leren kennen in het plaatselijke ziekenhuisje. Ik had beenmergontsteking en verbleef daar ongeveer zes weken en werd op een gegeven moment van een tweepersoonskamer overgeplaatst naar de grote mannenzaal. Hij lag enkele bedden verderop en mocht in tegenstelling tot ik het bed uit. Ik benijdde hem zeer en had fantasieën over hoe ik het ziekenhuis in brand zou steken als ik weer het bed uit mocht.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

 

Publicaties

E.H. Wesselink

 

1922-1997 Heideschool, 75 jaar, Halle-Heide, bijdrage

 

Kostgangers van onze lieve Heer, H.Odink, bewerkt en samengesteld door E.H. Wesselink, 1984

 

Tien man en tachtig gulden, Uitgave ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Vereniging van Christelijk nationaal Schoolonderwijs in Eibergen, 1985, bijdrage

 

Acht eeuwen heerlijk Eibergen, Uitgave Historische Kring, 1988, bijdrage en medeschrijver.

 

Hendrik Odink 1889-1973, Folklore en Vroomheid in Berkelland, Uitgave Historische Kring, 1989, bijdrage en medeschrijver.

 

Kom vanavond met verhalen, Eibergen in oorlogstijd, Uitgave Historische Kring

Deel 1 Jodenvervolging, 1990

Deel 2 De moed der machtelozen, 1992

Deel 3 Hoe de oorlog is verdwenen, 1995

 

Geschiedenis van de oude St. Mattheus Eibergen, 1500-2000, uitgave Historische Kring Eibergen, 2000

 

Koninklijke Textielveredelings Industrie, v/h. G.J. ten Cate en Zonen, Eibergen sinds 1830, uitgave Historische Kring Eibergen, 2004.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bevrijdingsfeest 1945

Hennie begint: "Zondag 26 augustus 1945, Zelhem had bevrijdingsfeest gevierd. Dat werd het begin van onze verkering. We kenden elkaar van kinds af aan, onze ouders waren goede bekenden van elkaar, al waren ze net geen buren. Ik liep die dagen na de feestelijkheden wat verloren in het dorp rond. Twee jongens uit de vriendenkring waren vlak voor de bevrijding bij het bombardement van het dorp omgekomen. Op die zondagavond kwamen Hermien en ik elkaar tegen op straat voor haar huis, waar ze met haar moeder en haar negen jaar jongere zusje woonde. Hun vader was in 1941 aan kanker overleden. We hebben toen lang met elkaar gepraat. Ik was die dag jarig, ik werd 21 jaar, Hermien was 18. Het gesprek van die zondagavond was het begin van onze verkering. Vijf jaar later trouwden we.

In 1943 had ik het HBS-B diploma behaald. Ik had twee jaar ondergedoken gezeten, wachtend op het einde van de oorlog.  Het hoofd van de lagere landbouwschool, die mij had geholpen om op de HBS een klas over te slaan, adviseerde me de nieuwe WIKA opleiding in Driebergen te doen. (WIKA = Werkers in Kerkelijke Arbeid, het moest een nieuwe vorm van hulpprediker naast de predikanten worden, maar de opleiding mislukte al gauw).

Hermien: “Mijn vader had een klompenfabriek en opgegroeid in de dertiger jaren wist ik uit eigen ervaring wat het betekende om geen vast inkomen te hebben. Een baan met een vast inkomen leek me beter. Ik zag die WIKA- opleiding niet zo zitten. Een ander bevriend schoolhoofd adviseerde Hennie om onderwijzer te worden. Dat leek me beter. Ik heb hem dan ook ruim een jaar financieel gesteund. Hij werd per gratie als 'bijzitter' een klas te hoog ingeschaald op de Groen van Prinstererkweekschool in Doetinchem en moest daarom staatsexamen doen. Hij slaagde zonder problemen in 1947.

Wat mijzelf betreft, ik had een opleiding voor kostuumnaaister gevolgd en probeerde tot ons trouwen daarmee in mijn onderhoud te voorzien. Het kostte lange dagen werken voor weinig loon en verder was het in die tijd gewoon dat de vrouw het huishouden deed. Ik wilde minimaal vijf kinderen, uiteindelijk zijn er dat vier geworden, toch ook een mooi getal. Later zijn we met honden begonnen.”

Hennie: “Je maakt nu wel een heel grote stap. Dat was in 1959.”

Hermien: “Eerst hadden we een collie, maar die werd na een jaar of negen blind en agressief op kinderen. We moesten hem aan de ketting leggen. Dat was voor het dier geen leven meer en uiteindelijk hebben we hem laten inslapen. Daarna zijn we met cocker spaniels begonnen. Eerst één, maar toen één van de kinderen er een tweede bij wilde hebben, zei ik: "Een tweede kan er ook nog wel bij." Dat was in 1977.

Hennie: "Ik kom uit een eenvoudig gezin met drie kinderen. Mijn vader was postbode, mijn moeder had van haar twaalfde tot haar huwelijk, ze was toen 27 jaar, bij boeren gediend in Zelhem, Slangenburg en Varsseveld. In 1921 lieten ze een eigen huis bouwen in Zelhem. Het is inmiddels door dorpsuitbreiding gesloopt. Voor mijn oudste broer, die er 70 jaar gewoond had, was het een emotionele beslissing."

 

Onderwijzer in Halle Heide

"Het werd dus niet de WIKA-opleiding, maar onderwijzer via het staatsexamen. In 1947 werd ik als onderwijzer aangesteld aan de Heideschool in Halle Heide, een afgelegen vlek in een ontginningsgebied. De kunstmest maakte het mogelijk om aan landbouw te doen, maar een vetpot was het niet, kleine boeren moesten vechten voor hun bestaan. Het was vlak na de oorlog, de school waar ik kwam te werken, was verouderd en totaal berooid, er waren weliswaar toiletten, maar er was geen waterleiding, de boeren kwamen van tijd tot tijd de beerputten ledigen. Bij de achterdeur stond een waterpomp met een kroes, waar iedereen vrijelijk uit dronk en de oorzaak was van de krentenbaarden bij de leerlingen. Erg veel kennis van hygiëne was er niet. De schoolbanken waren kaal door slijtage. Het vooroorlogse lesmateriaal was beduimeld, vol met vlekken en ezelsoren, volstrekt achterhaald en niet bruikbaar meer. De kachel brandde bij verordening slechts in de winter, zodat je in het voor- en najaar soms vernikkelde van de kou. Ik heb toen  op een koude lentedag de klompen, die door de tijd in het klompenrek overgebleven waren, tot groot genoegen van de kinderen opgestookt.

Een opmerking terzijde: De kinderen kwamen op klompen naar school, ontdeden zich bij het ingaan van de klas van hun buitenklompen om die in te wisselen voor binnenklompen. Na afloop van de les vergaten ze soms hun buitenklompen aan te doen. Zo hadden we door de loop van de tijd een hele verzameling van klompen die waren blijven staan. Ze groeiden er ook uit.

Enkele jaren geleden ben ik nog eens terug geweest om te zien hoe het nu was. Het was tussen de middag dat ik de school inliep. In de klas waar ik les had gegeven, zat een onderwijzeres te corrigeren. Ik stelde me voor. Eén van de eerste vragen die ze me stelde, was of je in die tijd de leerlingen mocht slaan.

Waar haalt men toch de flauwekul vandaan dat er vroeger op scholen maar wat op los werd geslagen? I

k zie nog die jongen met wel drie borstrokken voor me. Zijn moeder was bang dat hij anders kou zou vatten. Zijn werk zag er niet uit. Hoe hij ook zijn best deed, het lukte niet met die kleine, klamme, altijd wat vuile handjes van hem, maar als hij dan toch een ‘plaatje’ van me kreeg, begonnen zijn ogen te glimmen.

Dat is toch het mooiste wat een onderwijzer kan meemaken!

Met straffen bereik je vaak niets. Het gaat erom leerlingen te stimuleren en zelfvertrouwen te geven.

Dat besef is later pas echt goed tot me doorgedrongen.

Niet iedereen is die mening toegedaan, dat weet ik. Toen ik als leraar van ‘de school voor christelijk ulo'

– ja, zo heette dat – in Eibergen was, vond de directeur dat ik wat strenger moest optreden. Hij zei: “Eerst moeten ze je vrezen, het liefhebben komt later wel". Mijn ervaring is dat belonen bijdraagt tot een positieve instelling zowel bij kinderen als volwassenen. Belonen motiveert, straffen juist niet.

In een jubileumuitgave van de Heideschool heb ik over die tijd in Halle Heide verteld. We hebben de school als het ware stapje voor stapje opnieuw opgebouwd en die zeven jaar dat ik daar les heb gegeven, zijn goede jaren geweest."

 

Naar Eibergen

"In 1954 werd ik leraar wis- en natuurkunde aan de Koningin Wilhelminaschool in Eibergen, een ulo-school (ULO- Uitgebreid Lager Onderwijs). De school was in 1948 gesticht, het jaar dat Koningin Wilhelmina ten gunste van Koningin Juliana terugtrad. Hoewel er bij de stichting enige aarzelingen waren over het bestaansrecht van de school gezien het mogelijk gering aantal leerlingen dat de school zou bezoeken, groeide de school als kool. Het lerarencorps bestond bij mijn komst uit de directeur en vier leraren, maar het team werd elk jaar door de toename van het aantal leerlingen, uitgebreid. Er was een houten gebouw aan de huidige Blomsgaardenweg gebouwd, met vier klassen, maar we zijn al gauw begonnen ook op andere locaties les gegeven. Dat zou tot 1959 duren, toen we een geheel nieuw gebouw betrokken aan de Rekkenseweg.

Wat ik me uit die tijd nog heel goed herinner, waren de schoolavonden, jaarlijkse evenementen, waar door de leerlingen toneel werd gespeeld, muziek werd gemaakt en gezongen. De grootste zaal van het dorp werd afgehuurd en zat vol met leerlingen en ouders. Ik had al wel eens wat aan toneel gedaan en werd al snel ingeschakeld bij de organisatie van de avonden.

Ik hielp leerlingen bij het instuderen van liedjes. Ik liet ze ‘Peter’ van Sweet Sixteen zingen, een tophit in die dagen en liedjes van Ria Valk. De journalist van de plaatselijke krant, tevens bestuurslid van de school, schreef: “De liedkeuze was niet geheel mijn smaak, maar de kinderen waren enthousiast." Vele jaren later las ik in de krant dat één van mijn oud-leerlingen als zangeres optrad. "En waar was haar zangcarrière begonnen?" werd gevraagd. "Op de schoolavond waar zij solo mocht zingen." Ze herinnerde zich nog het lied, dat ze toen zong. Zingen werd in die dagen en wordt ook nu nog maar al te vaak, onbelangrijk gevonden. Het is geen examenvak en telt dus niet mee. Maar, zo kun je je afvragen, waar gaat het in het onderwijs om? Wat beklijft er? Een oud-leerling zei eens tegen me: “De ulo kon ik niet aan, maar aan de ademhalingsoefening bij het zangonderwijs heb ik veel gehad."

 

Directeur

"In 1970 ben ik directeur van dezelfde school geworden. De mammoetwet was aangenomen en de ulo moest omgebouwd worden tot mavo. De oude directeur had er niet meer zo’n zin in en bleef van de ene op de andere dag weg. Ik moest de leiding maar overnemen, vond hij. Enkele maanden later werd ik in die functie officieel door het bestuur benoemd.

De overdracht bestond trouwens slechts uit het beheer van een map met wat papieren. Dat was alles. Het bestuur was eraan gewend dat mijn voorganger zo'n  beetje alle bestuurszaken regelde en voorbereidde met de secretaris en penningmeester. Hij werd in het bestuur beschouwd als de onderwijsdeskundige. De andere bestuursleden aanvaardden die situatie. Ze hadden van het MULO-onderwijs geen verstand.

Bovendien was de school een streekschool. Ik had jarenlang dat van nabij meegemaakt en deed, toen ik directeur werd, hetzelfde. Er kwamen echter zoveel onderwijsveranderingen, dat voor een bestuur van amateurs zoals de schoolbesturen destijds waren, niet meer te overzien was. Wel had ik praktisch elke week overleg met de voorzitter en de secretaris, omdat zij uiteindelijk verantwoordelijk waren. Dit is na mijn tijd snel veranderd, omdat deze werkwijze in de dynamiek van de maatschappelijke ontwikkelingen ook op het gebied van onderwijs een onwerkbaar model geworden was. De verhouding bestuur - directeur werd een totaal nieuwe.

Als directeur heb je naast de relatie met het bestuur toch vooral te maken met de mensen in de school zelf, de docenten en de leerlingen. De directe band die je als docent met de leerling hebt, verdween echter naarmate de school groeide, zodat je als directeur geen lessen meer gaf. Een vader vroeg eens aan zijn dochter: “Zie je de directeur wel eens.” “Nee,’ was het antwoord, “De directeur zien we nooit, maar de conciërge wel; die loopt altijd met papieren door de school.” Die conciërge was ik dus.

Als directeur geef je leiding aan de school. Het komt voor dat sommige leraren kinderen wel eens de klas uitsturen. “Meld je maar bij de directeur,” heet het dan. En dan stonden ze bij mij. Wat moest ik? Van een directeur wordt verwacht dat hij de leraar niet afvalt en een flinke straf uitdeelt. Ik zei tegen die leraren: ‘Praat het zelf met die leerling uit. Doe een stap naar de leerling toe.”

Leraren vrezen gezagsverlies. Het werkt anders. Als een leraar het initiatief neemt om met een leerling eens te praten, een leerling kan dat gezien zijn positie nooit doen, dan ben je sterk en win je aan gezag. Mensen die bang zijn hun gezag te verliezen, hebben het al verloren. Gezag moet er trouwens wel zijn. Er is een aardig kinderlied, die dat precies onder woorden brengt: Drie maal drie is negen, ieder zingt zijn eigen lied. Regels moeten er zijn, maar het gaat niet om die regels, maar om het gebruik van die regels. Door de regels in acht te nemen, kun je doen wat je wilt. De regels liggen vast en verder kan iedereen zichzelf zijn."

 

En hoe was het voor Hermien om in Eibergen te wonen?

Hermien: "We betrokken een dubbele duplexwoning, wij, dat zijn wij beiden, onze twee kinderen die inmiddels waren geboren, mijn moeder en mijn zus. Ons nieuwe huis was kleiner dan dat in Zelhem en de huizen aan de overkant keken volgens onze oudste door de lage dakgoot boos op ons neer. Het enige winstpuntje leek dat wij nu waterleiding hadden, dat was een vooruitgang. We kenden niemand in het dorp. Dat zou mettertijd moeten komen. Een verenigingsmens ben ik niet, hoewel ik wel even lid ben geweest van het zangkoor, dat echter door gebrek aan belangstelling al  snel werd opgeheven. De melkboer, de kruidenier, de bakker en de groenteman kwamen bij ons aan de deur om klandizie te vragen. Het dorp was in de levensmiddelenbranche nog verzuild, zodat wij weinig keus hadden. De katholieken deden hun boodschappen bij de katholieken, de openbaren bij de openbaren en de protestanten bij de protestanten. Ik hield me bezig met de zorg voor de kinderen en de huishouding. De beide oudsten werden in Zelhem geboren, de beide anderen in Eibergen. Van beroep ben ik coupeuse en het liefst was ik bezig met textiele werkvormen. En ik deed de huishouding. Ik was een perfectionist, ik wist precies wat ik wilde en als iets niet goed gestreken was, deed ik het over. En ik deed de administratie, beheerde zo gezegd de penningen. Later hoorden we dan wel eens discussies over de emancipatie en dan dacht ik: Waar hebben jullie het over? Jullie beheren de portemonnee niet eens. Bij ons was dat van meet af aan anders. Op een gegeven moment het  ik gezegd: “Laat dat geld maar aan mij over.” En zo is het gebleven."

Hennie: “Ik teken sindsdien thuis nooit meer een girootje.”

Hermien: "Zoals gezegd, mijn moeder en zus woonden bij ons. Moeder had reuma. Soms was ze zo ziek, dat ze hulp nodig had omdat ze zichzelf niet kon redden. Het sprak vanzelf dat zij met ons meeverhuisde naar Eibergen, evenals mijn zus, die op de kweekschool zat.

Enerzijds was het gemakkelijk dat moeder in huis was, we hoefden niet voor oppas te zorgen en zij hielp ook mee in de huishouding, maar anderzijds werd haar aanwezigheid ook steeds meer als belemmerend ervaren. De kinderen hebben dat sterk gevoeld en eigenlijk iedereen in ons huis. Ze wilde steeds bij ons zijn. Later had ze een eigen kamer en we hoopten dat ze zich dan op gezette tijden terug zou trekken. Als ze echter de kamer aan anderen liet zien, voegde ze er bij dat ze er niet hoefde te zitten. Ze wilde bij het gezin horen. De reuma waar zij vroeger zoveel last van had, werd na verloop van tijd rustiger, zodat het argument om bij ons in huis te wonen, steeds minder van toepassing leek. Ze zou ergens anders kunnen wonen. Maar ja, hoe breng je dat ter sprake? Uiteindelijk is zij het huis uitgegaan, ze wilde het zelf en zag in dat het beter was, maar dat gebeurde pas in 1989. Ze heeft nog een drietal jaren een goed leven in een bejaardentehuis gehad, ze is 94 jaar geworden. Haar jarenlange aanwezigheid heeft ons gezinsleven getekend."

 

Kerkvernieuwing

Hennie: "Als directeur van een Christelijke school had je in het dorp een zekere status, die met zich meebracht dat je je zou inzetten voor kerkelijke activiteiten. Als snel werd ik gevraagd om lid te worden van de kerkenraad. Ik hield me bezig met het jeugdwerk en was jarenlang leider van de zondagschool. We moesten wel wennen aan de mores van de kerkelijke elite in Eibergen. Op zondag mocht je bijvoorbeeld geen ijsje kopen en niet zwemmen. We keken daar van op. Bij ons thuis was daar nog nooit over gepraat. Ook werd er wel eens geïnformeerd of we geen 'gedwongen huwelijk' hadden en toen dat niet het geval was, kon men met een gerust hart vaststellen dat het met onze voorbeeldfunctie in orde was. Ik werd dus lid van de kerkenraad, was scriba en ouderling jeugdwerk.

Terugkijkend op die tijd kan ik zeggen dat we toen als kerkenraad erin geslaagd zijn om aan de statigheid van kerkcultuur een einde te maken. We besloten dat ouderlingen en diakenen als ze geen dienst hadden, gewoon bij hun echtgenoot in de kerk mochten zitten en niet op ouderlingen- en diakenbank zoals dat tot voor kort de regel was. En we hoefden dan ook niet meer in het zwart te verschijnen. Bovendien definieerden we de kerkenraad als een werkcollege, een enorme ommekeer in vergelijk met de cultuur van kerkenraadsvergaderingen voor die tijd. We namen het initiatief om een nieuw gemeenschapshuis De Huve te bouwen in plaats van het oude Elim-gebouw. De stichting van De Huve had nog wel wat voeten in de aarde. Niet iedereen was onmiddellijk overtuigd van de noodzaak om een nieuw gebouw te bouwen. Het kostte geld en dan ging je immers niet over een nacht ijs. “En bovendien”, zo argumenteerde iemand,  "was er nog nooit iemand door de vloer gezakt."  Met de komst van een nieuwe predikant keerde het tij. Ik hoorde de president-kerkvoogd bij de introductie van de predikant zeggen: “En dan moet er misschien ook nog een nieuw gebouw komen!’ Het viel me op, omdat de betrokkene altijd één van de tegenstanders van nieuwbouw was geweest.

Een ander kerkenraadslid was ook ineens voor. “Hoe kan dat, man, je was altijd zo tegen?" vroeg ik hem.

“Ja”, was het antwoord, maar het is ook wel belangrijk hoe iets gezegd wordt.” 

Het besluit werd genomen, er werden acties gevoerd, geld werd ingezameld, we kregen subsidie van onder meer de gemeente en na verloop van tijd kon het gebouw feestelijk geopend worden. Hoe?

“Het zou een mooie kerkdienst moeten worden”, werd al snel gezegd, "met officiële genodigden". We dachten daar anders over. Een vrolijke revue. Ik schreef enkele sketches op basis van herkenbare voorvallen tijdens de bouw. Iedereen die een kaartje kocht, zou er naar toe kunnen. De revue was een groot succes. Ze zou enkele malen opgevoerd worden. Ik weet ook nog dat de grootste fabrikant van het dorp, traditioneel nauw gelieerd aan de kerk, voor de eerste avond enkele kaartjes bestelde. De kaartjes waren echter uitverkocht en hij moest op een van de volgende avonden komen. Hij accepteerde het, er was echter daarmee wel iets in de traditioneel hiërarchische verhoudingen van het dorp veranderd.

Daarna kwam de kerkrestauratie. We hebben een mooie oude kerk, met een grote geschiedenis. Rond 1200 wordt Eckberge (Eibergen) al een zelfstandige parochie genoemd. Ik was betrokken bij de onderhandelingen met de geldverstrekkers. Het ging niet altijd gemakkelijk. Eerst ging het om verwarming, die in 1930 een hok buiten tegen de kerk geplaatst was – die zou naar de kelder moeten -, maar daar was zo meende men geen geld voor. En toen dat na een reeks onderhandelingen rond kwam, werden er wandschilderingen ontdekt. Nou ja, die hadden al eeuwen achter de kalk gezeten, zodat er volgens het Monumentenfonds geen dringende noodzaak was om het schaarse geld nu daarvoor uit te geven. Het argument evenwel dat nu restauratie van de kerk gaande was, men met een substantieel minder groot bedrag de wandschilderingen te voorschijn zou kunnen halen wanneer dit later alsnog zou moeten gebeuren, gaf de doorslag om het geld daarvoor alsnog vrij te maken. De wandschilderingen zijn van groot historisch en cultureel belang, een enorme verrijking van het gebouw."

 

Kerkelijk denken

"Waar kwam die vernieuwingsdrang van de zestiger jaren vandaan? Je zou kunnen zeggen dat het samenhing met de jaren van wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. Het land was tijdens de oorlog leeggeroofd en verarmd; alles moest opnieuw opgezet worden. De eerste jaren na de oorlog was men voortdurend bezig om de aangerichte schade te herstellen. De Wilhelminaschool bijvoorbeeld was gehuisvest in een houten gebouw en in 1959 was het zover dat de school kon verhuizen naar een stenen gebouw. De vernieuwingsdrang in die jaren heeft onder leiding van burgemeester Hermsen het dorpsbeeld sterk veranderd. Veel beeldbepalende gebouwen zijn in de jaren vijftig en zestig afgebroken. Bedrijven, winkels, huizen verdwenen, straten werden opnieuw aangelegd en ingericht. De oude kern werd omgeven met nieuwbouwwijken. Het boerenkarakter van het dorp maakte plaats voor het moderne leven.  

Het kerkelijk denken was onder leiding van een aantal jonge kerkenraadsleden van de vernieuwingsnoodzaak doordrongen. We waren op zoek naar  nieuwe vormen en de ruimten, die aan de nieuwe eisen zouden voldoen. Er moest een gemeenschapshuis komen, waar o.a. het jeugdwerk op een eigentijdse wijze plaats zou krijgen. Dat kwam er in 1968 na zes jaar eindeloos veel praten en overleggen, in- en extern. Het nieuwe gemeenschapshuis kreeg de naam 'De Huve' , de bijenkorf. Dat uitgangspunt gold ook voor de kerkrestauratie (1970-1974). De kerk zou opnieuw worden ingericht, zodat deze naast de traditionele kerkdiensten ook gebruikt zou kunnen worden voor bijeenkomsten zoals concerten, opvoering van musicals en exposities. Een element in dit denken was dat de schotten tussen de verschillende bevolkingsgroepen van het dorp: protestanten, katholieken en openbaren gedeeltelijk geslecht werden. Dit werd niet door iedereen begrepen. Ik denk wel eens dat elke gemeenschap zijn eigen ontwikkelingstempo heeft en een dorp als Eibergen was verzuild. Ook binnen de kerk stuitte die openheid op weerstand. De gedachte dat het in het kerkelijk leven vooral gaat om een volle kerk en kerkdiensten die bestaan uit zitten en luisteren, is hardnekkig. Dominee Kok, de predikant  in die tijd - hij is inmiddels overleden - is toentertijd in staat geweest om bruggen naar andere groeperingen te slaan, een prestatie van formaat gezien de historie van het dorp.

In 1978 heb ik afscheid genomen van de kerkenraad, mijn periode zat er op."

 

De laatste fase aan school en een nieuw begin

"De school had door de jaren heen een enorme toeloop van leerlingen gekend en moest uitbreiden. Het gebouw kreeg een nieuwe vleugel en het aantal leraren moest worden uitgebreid. In 1985 ben ik met de vut gegaan. Waarom? Ik zag dat het aantal leerlingen voor het eerst sinds jaren terug zou lopen en dat wellicht een van de docenten dan ontslagen zou moeten worden. Ik stelde mezelf de vraag: waarom treed jij niet terug? Mijn vrouw en ik hebben gerekend en kwamen tot de ontdekking dat ik in inkomen slechts de jaarlijkse vakantietoelage zou moeten missen. Tussen twee haakjes: we hadden nog twee studerende kinderen en wat je als buitenstaander wellicht niet zou verwachten, we hebben altijd de dubbeltjes moeten omdraaien voordat we ze uitgaven. Op dat moment is echter voor ons een nieuw leven begonnen. We waren gezond en gemotiveerd om nieuwe dingen te doen. Wat voor nieuwe dingen?  We hadden geen bijzondere hobby’s en hebben alles maar een beetje op ons af laten komen. Ik werd wel gevraagd voor bestuursfuncties, maar heb geweigerd. Er was iemand die dat wel begreep, die zei: “Ach, dat mag je van hem niet eisen, hij heeft het werk erop zitten." Achteraf bezien hebben we na mijn pensionering wel veel werk verzet."

 

Onderzoeken en schrijven

"Een van de hoofdactiviteiten is onderzoek naar en beschrijving van de oorlogsgeschiedenis van Eibergen en omgeving  geworden. In 1985 - we vierden veertig jaar bevrijding - werd geconstateerd dat Eibergen nog geen beschrijving kende van de gebeurtenissen in de oorlog, dit in tegenstelling tot de omliggende gemeenten. Wie zou dat moeten doen? Op een gegeven moment werd mijn naam genoemd omdat ik al eens de geschiedenis van de Hervormde kerk had beschreven. In eerste instantie zou ik het met iemand anders schrijven, maar op een gegeven ogenblik heb ik het alleen gedaan. Het bleek dat veel research gedaan moest worden om duidelijk te krijgen wat er nu precies gebeurd was. Het heeft dan ook zo’n tien jaar geduurd voordat het klaar was. Dit werd niet door iedereen begrepen. Je hebt enkele gesprekken met mensen uit het verzet en dan weet je toch al wel zo ongeveer wat er is gebeurd, werd gezegd. Vele bestaande verhalen zijn bij nadere beschouwing ‘van horen zeggen’. De rondzingende verhalen zijn vaak diep in het collectief geheugen genesteld en mensen denken dan dat ze weten wat er is gebeurd. Als je dan verder zoekt, blijken de gebeurtenissen soms anders en vaak ook ingewikkelder te zijn verlopen. Zo zei ik eens tegen iemand: “Volgens mij is het anders gegaan”. “Ja dat kan wel”, was de reactie, “maar zo is het wel altijd gezegd!”.

Voordat ik het opschreef, wilde ik zeker weten of het ook zo was gebeurd. Het betekent dat ik zoveel mogelijk mensen heb gesproken en geprobeerd heb de verschillende verhalen in elkaar te passen tot een betrouwbaar geheel.  Uiteindelijk zijn het een drietal boeken geworden, met als overkoepelende titel “Kom vanavond met verhalen", dit naar de indringende versregel uit het gedicht Vrede van Leo Vroman. Het zijn omvangrijke boeken, mede omdat ik geprobeerd heb de gebeurtenissen in het perspectief van de wereldgeschiedenis te plaatsen. Wat er in het dorp gebeurde, was niet een geïsoleerde gebeurtenis, maar maakte deel uit van een gruwelijke wereldoorlog, waarin tal van volkeren en bevolkingsgroepen tegenover elkaar stonden. Het eerste boek beschrijft de lotgevallen van de Joden. Een bewuste keuze. De Hebreeuwse Bibliotheek in Jeruzalem complimenteerde Eibergen dat ze een heel boek aan de Jodenvervolging had gewijd. Veel boeken over de oorlog beginnen met een beschrijving van het verzet, in feite de groep die als winnaars uit de oorlog is gekomen, en zeggen daarnaast ook iets over de vervolging van de Joden. In mijn eerste boek stonden de Joden centraal, de verliezers zou je kunnen zeggen.

Hoewel geschiedenis nooit ‘af’ is, heb ik geprobeerd een zo volledig mogelijk beeld van de oorlogsgeschiedenissen in Eibergen te geven. Tot dan toe was het de gewoonte dat er in oorlogsgeschiedenissen geen namen werden genoemd. Ik heb dat wel gedaan en ook alle informanten bij name genoemd. Tot mijn groot genoegen heb ik kunnen constateren dat de schrijver van 'Het Grote Gebod', het standaardwerk van de landelijke organisatie van Hulp aan Onderduikers met haar knokploegen, in een herdruk van haar twee boeken is overgegaan tot het noemen van namen om te zorgen voor helderheid. Geschiedenis heeft namen nodig."

 

Historische kring

"In diezelfde tijd, 1986, werd in Eibergen de Historische Kring opgericht. Ze vroegen me voorzitter te worden, een functie die ik al die jaren met enthousiasme vervul. In dit kader heb ik meerdere onderwerpen behandeld in Old Ni’js, de periodieke uitgave van de Historische Kring. Old Ni'js heeft een groeiende lezerskring gekend. Dat  komt ondermeer door de formule die het blad kent. Enerzijds zijn er de gedegen bijdragen, waarin op verantwoorde wijze de onderwerpen worden belicht, anderzijds streeft het blad naar herkenbaarheid. We introduceerden het Zoekplaatje, een oude foto, waarin we lezers vragen naar de personen die staan afgebeeld en verdere bijzonderheden. Ik verzorg in het blad o.a. de rubriek Scheppels Mankzaod, waarin ik inga op het dialect van het dorp. Aan de orde komen oude woorden, uitdrukkingen en zegswijzen, rijmen en liederen."

 

Citaat

Disse kere he’k mien gedachten wat laoten gaon aover hoo’w  mangs in ‘t Plat de dinge anders zegt as in ‘t Nederlands. Zoas bevobbeld ‘t woord ‘iemand’. Dat heurn i-j vrogger in ‘t Plat neet vaker zeggen. At 't aover een onbekenden ging, dan hadden ze ‘t aover ‘een manspersoon’, een ‘vrouwspersoon’ of ok wal kortweg ‘ene’.  Dat heurn ik veur joorn hen in ‘t postkantoor. Net op ‘t moment, dat ‘t kantoor dichte ging, kwam der nog een manspersoon met een chèque of zoiets um te betalen. Röp den jongen loketambtenaar naor achtern naor zien chef: “’k Heb ter hier nog ene, den wil nog betalen, kan dat nog?” Den jongen loketambtenaar sprok dus nog onvervalst plat. ‘t Viel mien wal op.”

(Old Ni-js, 2001, no 41, blz 53).

 

Werkgroep Ouders van homoseksuele kinderen

"Rond 1980 bleek dat een van onze zoons homoseksueel was. Was het een schok?"

Hermien neemt het woord. “Eigenlijk niet. We hadden het kunnen weten. Hij hield niet van hamers en spijkers, niet van gymnastiek en voetballen, maar wel van breien, handwerken en spinnen. Hij kon de mooiste dingen maken. Later heb ik geleerd dat lang niet alle homoseksuelen aan dat stereotype beeld voldoen, maar op het moment dat we van zijn homoseksualiteit hoorden, leek dat bij elkaar te passen.

Een korte tijd later werden we  opnieuw verrast. Onze beide jongste zonen studeerden en woonden in Groningen. We waren op bezoek en toen maakte de jongste ons duidelijk dat hij ook homo was. Ik was overdonderd, twee in alle opzichten zulke verschillende jongens, maar wel allebei homo."

Hennie: “Voor mij was het direct duidelijk hoe de vork in de steel zat en ik aanvaardde het ogenblikkelijk. Nee, ik heb die nacht niet wakker gelegen. Ik zei: Dan is hij niet alleen in de familie.”

Hermien: "Al spoedig kregen we contact met iemand die actief was in “Werkgroep ouders van homoseksuele kinderen”. Wij werden al spoedig betrokken in de activiteiten van de vereniging. Hennie werd voorzitter van de Werkgroep. De werkgroep maakte oorspronkelijk deel uit van het COC, maar werd later zelfstandig. In totaal waren er 14 werkgroepen. We kwamen vier à vijf keer per jaar in Arnhem bijeen. Daarnaast waren we ook actief in de werkgroep Ouders voor de regio Achterhoek en Twente en in Eibergen zelf namen we deel aan een klein interkerkelijk werkgroepje bijeen gebracht door de plaatselijke predikant, dat echter door geringe deelname nooit goed uit de verf is gekomen. We hebben door het hele land gereisd om voorlichting te geven en manifesteerden ons  bij diverse gelegenheden zoals de “Roze Zaterdag”. Ik was urenlang bezig om kranten door te pluizen naar informatie over homoseksualiteit, knipte de stukjes uit en prikte ze op grote prikborden. Ook binnen de kerk waren we actief. We hebben alle kerkenraden opgeroepen om een brief aan de synode van de Hervormde Kerk te schrijven toen de vraag aan de orde werd gesteld of homoseksuelen aan het avondmaal mochten deelnemen. Er zijn veel brieven verzonden, maar het bleek dat het aantal brieven van tegenstanders even groot was. Het blijkt dat de weerstand tegen homoseksualiteit nog altijd - en misschien wel juist in christelijke kringen - nog altijd groot is."

Hennie: "Ik herinner me nog een situatie uit Drente. Er werd heel geheimzinnig gedaan over de plaats van de bijeenkomst. Waarom? Ze waren bang dat een of andere activistische dominee de bijeenkomst zou verstoren. Vanaf dat moment hebben we gewoon in de krant gezet waar en wanneer we bij elkaar zouden komen. Waarom moet je daar geheimzinnig over doen? Het was een belangrijke stap in het overwinnen van de angst. Dat was het keerpunt. Onlangs gaf iemand in mijn ogen een typerende reactie. Zijn dochter bleek een vriendin te hebben. “ Ach”, zei hij, “ We praten er niet over. Dat is beter voor de kinderen. Ze mogen tegenwoordig ook al in de kerk trouwen!”

Maar als de trom niet wordt geroerd, blijft alles op oude voet doorgaan! Hoe zou het nu zijn als niemand zich voor de gelijkberechtiging had ingezet? Stilzwijgen helpt niet.”

Hermien: “Ik herinner me nog toen we met een kraam op de Roze Zaterdag in Enschede stonden. Die optochten, zeiden ze dan, dat hoeft voor ons niet. Maar in feite gaat het natuurlijk om de acceptatie van mensen. Volgens mij vocht ik niet alleen voor mijn zonen, maar ook voor ons zelf, als ouders van homoseksuele kinderen. We hebben een button laten maken met de tekst “Homo’s hebben ook ouders.”

Hennie: “ In deze strijd leer je je bondgenoten kennen. Tegen de kerk ben ik anders aan gaan kijken. Diezelfde ervaring had ik ook al toen ik Joden leerde kennen, historisch in het Christelijke Westen ook een minderheidsgroep. Toen ik voor minister Brinkman een voordracht mocht houden, keek men een beetje vreemd toen bleek dat ik directeur was van een Christelijke MAVO. Klopte dat wel? Het CDA was in die strijd ook in geen velden of wegen te bekennen. Wat dat betreft heb je niets aan zo’n club. Ik moet erbij zeggen dat de kerkenraad in Eibergen altijd  goed heeft gereageerd, ze kenden ons en hebben ons geholpen."

 

Slot

“En nu?" zegt Hennie, "Nu zijn we zijn bezig oud te worden."

Hermien: "Ik lijd aan de ziekte van Wegener, een auto-immuunziekte. Het betekent pijn en chronische vermoeidheid. Ik wist dat ouderdom komt met gebreken, maar met deze ziekte heb ik moeite. Het maakt me soms jaloers. Sinds 1996 is mijn leven moeizaam geworden. De glans is er af."

Hennie: 'Ik heb last van longemfyseem"  en gaat verder: "Vannacht heb ik over je broer gedroomd. Ik was met hem aan het vechten. Ik weet niet wat het betekent."

"Ik weet niet wat voor relatie je met mijn broer hebt," zeg ik.

"Ik weet het ook niet. Ik heb nooit problemen met hem gehad. Nadat hij die mysterieuze ziekte kreeg jaren geleden, heb ik hem weinig meer gezien. Dromen zijn bedrog, zullen we maar zeggen."

 

Ik verlaat Hennie en Hermien. Ik denk nog na over het einde van het gesprek en hun verhaal. Wat zei Hennie over mijn broer in het eerste gesprek? Hij zei terloops sprekend over zijn gezondheidstoestand: "Ik kwam je broer eens tegen, hij hoorde van mijn kwaal en zei toen: "Dan geet 't oe dus net as een ander." 

Ik herinner me de scheikundelessen van Hennie in het  fysicalokaal. Hij deed proefjes en er ontplofte wel eens wat. Hij had er plezier in, evenals in de discussies die hij met ons aanzwengelde. Hij wilde overtuigen en overtuigd worden, met een geheven vingertje.

Het verbaasde mij ook geenszins dat hij precies wilde uitzoeken hoe het in de oorlog was gegaan. Hij stelde zich niet tevreden met halve antwoorden. Toen bleek al dat hij heel veel wist en daardoor juist een groot besef had van alles wat hij nog niet wist. Het geloof is voor hem een zoektocht geworden naar steeds nieuwe uitzichten, Hermien denkt agnostisch en bij mij is in al die jaren de stelligheid waarmee ik vroeger uitspraken kon doen, verdwenen. Hennie houdt niet op met te zeggen dat de geschiedenis nooit af is."

Hermien kende ik minder goed. Ik had wel eens bij hun huis in de straat met de boze gezichten aangebeld om iets te vragen of te zeggen. Zij deed open. Ik zie haar nog staan in de deur, een vriendelijk gezicht in een kleurige zomerse jurk en de zon scheen uitbundig.

Dat beeld is mij bijgebleven en toen we oude foto's bekeken, wist ik het weer.